KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

BINNENHOF

 

Situering

 

Het Binnenhof ligt in het zuiden van de Leiselewijk, een voormalig laaggelegen weidegebied in deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren werd verkaveld. De straat verbindt de Sint-Godelievelaan met ’t Groeneveld en is ongeveer 150 m lang, met een 5 meter brede betonweg en voetpaden aan beide zijden.

Het Binnenhof vormt het hart van het eerste sociale woningbouwproject van de vroegere Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen in Sint-Michiels, tegenwoordig bekend als Vivendo. De maatschappij werd in 1955 opgericht. Na Beernem en Zedelgem was Sint-Michiels de derde gemeente waar de maatschappij gronden kon verwerven voor de bouw van sociale woningen die ofwel verkocht dan wel verhuurd werden.

Het woningenbestand van de straat bestaat uit 2 rijen van 16 eengezinswoningen van 2 verschillende types, elk met een kleine voortuin. De woningen aan de westzijde van de straat (oneven nummers) hebben het woongedeelte boven de garage en inkom. Aan de oostzijde (even nummers) bevinden zich woningen met een gelijkvloerse garage en woongedeelte. Het woningbestand en de locatie zijn hierbij toegevoegd. 

De naam van de straat is verbonden aan de legende van de Heilige Godelieve, de patroonheilige van de nieuw opgerichte parochie in de Leiselewijk. Godelieve leefde en stierf op het kloosterhof of de kloosterhoeve Ten Putte in Gistel, waar ook sprake was van een “binnenhof” of binnenplaats.

Historiek

 

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijk landgoeden Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Het gebied van het Binnenhof bevond zich in het blauw gearceerde, westelijk deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar/bewoner van het domein, de familie Doudan-Dumortier, in 1848 verkocht werd aan Henri Sion.

Henri Sion, een aannemer uit Gent die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was op dat moment al eigenaar van kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels — het kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en dat tegenwoordig leegstaat.

 

Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied, over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “. Ze kregen drie kinderen Victor, Leon en Clementine.

Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts twintigjarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.

Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.

Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

In het BPA werd o.a. ruimte voorzien voor de bouw van sociale woningen. Burgemeester Van Maele speelde een belangrijke rol in het tot stand komen van de samenwerking met de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen waarvan hij de initiator en voorzitter van de beheerraad was. Sint-Michiels was de derde gemeente waar de Maatschappij gronden kon verwerven voor de bouw van sociale koopwoningen of verhuur. Onder het “toeziend oog” van burgemeester Van Maele had grondeigenaar, de zusters Van Wint, al in 1960 een verkoopovereenkomst gesloten die de Maatschappij in staat stelde een 5 ha groot terrein in het oosten van het Leiselegebied te verwerven voor de bouw van 126 sociale woningen. Het terrein is op de kaart terug te vinden in de bijlage. De geesten waren nog niet rijp om het ambitieuze bouwproject een eigen naam te geven. Het bleef verder bekend als het “126 woningen–project“. Aannemer PVBA Vanden Bulcke uit Rumbeke begon in april 1962 met de bouw van een eerste reeks van 50 woningen (loten 1 en 4) en in september 1962 met de overige 76 woningen (loten 2, 3 en 5).

Zoals eerder aangeduid vormt het Binnenhof het hart van het “126 woningen-project”. Al snel bleek dat de bouwvergunning veel te vroeg door de gemeente was verleend. De woningen werden eind 1963 opgeleverd, maar het hele projectgebied bood toen nog een troosteloze aanblik. Wat voor de bewoners een spannend project had moeten zijn, veranderde algauw in een bron van frustratie. De gemeente kreeg te maken met boze brieven, klachten en publieke uitingen van ongenoegen van de eigenaars die hun woning op belofte van aankoop (compromis) hadden gekocht.

De bestratingswerken en de aanleg van riolering kwamen pas in 1964 goed op gang en het duurde nog tot begin 1965 vooraleer de verdere inrichting en aanplantingswerken werden aanbesteed. Pas in maart-april 1965 kwam de rust enigszins terug toen notaris Van Caillie eindelijk kon overgaan tot de notariële overdracht. De woningen hebben ondertussen de respectabele leeftijd van bijna zestig jaar bereikt en zijn bewoond door tweede en derde generatie bewoners.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken