KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

HET KERKHOF VAN SINT-MICHIELS

Situering

De gemeentelijke begraafplaats van Sint-Michiels is een besloten gebied waar lichamen of urnen van overleden personen worden begraven. De term kerkhof wordt ook gebruikt omdat oorspronkelijk een begraafplaats meestal werd aangelegd in de hof (tuin of erf) van de kerk.

De begraafplaats is een van de tien begraafplaatsen in de Brugse regio. Ze is toegankelijk via de hoofdingang in de Dorpsstraat en een kleine zij-ingang in de Groene Poortdreef. Het terrein beslaat ongeveer 1.4 ha en is onderverdeeld in dertig genummerde vakken.

De vakken 1 tot 9 vormen het oudste deel van het kerkhof, waar zich vroeger de parochiekerk van Sint-Michiels bevond. Vanaf de hoofdingang leidt het centrale pad, omzoomd door beukebomen, tot aan een calvariekruis. Het monumentale kruis van het graf van de familie Baert staat ongeveer waar het koor van de oude kerk stond.

Aan weerszijden van de toegangsdreef liggen de oudste en historisch meest waardevolle graftekens van vooraanstaande adellijke families die een belangrijke rol in het leven van Sint-Michiels hebben gespeeld. De bekendste zijn: le Bailly de Tilleghem, de Briey, Kervyn de Lettenhove, de Pelichy, de Serret, van Zuylen van Nyevelt, de la Kethulle de Ryhove, le Fevere de Ten Hove, Sion, Van Wint, Van Nieuwenhuyse, Deudon de le Veilleuze, Verhaegen en Sinave. Aan elk van deze families is een stuk geschiedenis van Sint-Michiels verbonden die we hier niet verder bespreken. Enkele foto’s van de voornaamste grafzerken zijn toegevoegd in bijlage.

Ook opvallend zijn de grafpercelen van de religieuze congregaties die in het verleden in Sint-Michiels waren gevestigd of een buitenverblijf hadden. Dit betreft onder andere de zusters van de Bermhertigheid Jesu van het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw aan de Koning Albert II-laan, de Witte Zusters van Afrika die in 1936 het Leiselebeke-kasteel aankochten in de Heidelbergstraat, de Broeders Xaverianen die in 1868 het domein “het Kasteeltje” in de Xaverianenstraat aankochten om in te richten als buitenverblijf en de Zusters Theresianen van het Karmelklooster aan de Torhoutse Steenweg. Foto’s van deze grafzerken zijn in bijlage toegevoegd. Een bijzondere vermelding verdient het stenen kruis en het Mariabeeld van het “heilig zusterke” Soeur Denyse de Bernon, dat zich midden in het perk van de zusters van Karmel bevindt. Ze overleed na een lange ziekte in een “geur van heiligheid” en haar graf werd in het verleden intens vereerd en bezocht.

Verder zijn er een aantal graven van bekende persoonlijkheden, waaronder Suzanne Casteleyn, dochter van de gemeentesecretaris Ivo Casteleyn (een beschermd grafmonument ontworpen door Huib Hoste); Emile Bonvalet, steenkapper en ontwerper van verschillende grafstenen op het kerkhof; E.H. Jan Craeynest – priester-dichter, heemkundige en tijdgenoot van Albrecht Rodenbach en Guido Gezelle; de bekende Steenbrugse ondernemersfamilie Baert en de burgemeesterfamilies De Mey en Van Maele.

In het centrale gedeelte van het kerkhof (vakken 10 tot 16) bevindt zich, zoals aangegeven in bijgevoegde kaart, een omvangrijk erepark met graven van oudstrijders en slachtoffers van beide wereldoorlogen, met o.a. ook de slachtoffers van het luchtbombardement van 1944. In totaal gaat het om ongeveer 280 graven.

In dit deel zijn eveneens een aantal graven van bekende Sint-Michielsenaren te vinden zoals Elisabeth Goedemé, befaamd pianiste en muzieklerares en vrouw van Joe English, Gerard Vermeersch, bekend toneelspeler, toneelschrijver, toneelregisseur, televisie- en filmacteur, radiomaker en cabaretier, Frederic Roderburg, glaskunstenaar met atelier in de Baron Ruzettelaan, Albert Setola, schilder, graficus, illustrator, publicitair ontwerper, beeldhouwer, decorontwerper en schrijver; Gabriel Alloo, geschiedkundige, bibliofiel, filatelist en 40 jaar onderwijzer aan de gemeenteschool van Sint-Michiels, waarvan 30 jaar als hoofdonderwijzer, senator Gaby Vandeputte en oud-burgemeester Alfons de Baecke.

Conform de in 1971 uitgevaardigde Wet op de Begraafplaatsen en de Lijkbezorging is bij het inrichten van het meest recente noordwestelijke deel van het kerkhof, een strooiweide, een urnenveld en een urnenmuur of columbarium ingericht. Opvallend is dat dit gedeelte, gelegen in het bekken van de Kerkebeek, vooral in de wintertijd vaak te kampen heeft met grondwateroverlast

Een bijzondere vermelding verdient de vredesboom die in 1920 bij de ingang van het kerkhof werd geplant. De meerderheid van de vredesbomen, vaak lindebomen, werd door gemeentebesturen aangeplant in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog. Daarmee gaven besturen gevolg aan een omzendbrief van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken. Die had al in 1918 aan alle steden en gemeenten gevraagd om een boom te planten ter herinnering aan de slachtoffers van de Groote Oorlog. De boom werd, samen met het oorlogsgedenkteken op het gemeenteplein, op 4 juli 1920 ingehuldigd. Als vredesboom groeide hij uit tot een belangrijk landschappelijk en symbolisch erfgoedelement. Na meer dan honderd jaar werd hij uit veiligheidsoverwegingen in de loop van 2025 gekapt en vervangen door een nieuwe aanplant.

Historiek

Vanuit een historisch perspectief is een kerkhof de benaming voor het terrein rondom een christelijke kerk dat gebruikt werd (en soms nog wordt) als gewijde begraafplaats. De gewijde grond kon gehuurd of gekocht worden voor het begraven van gelovigen die een kerkelijke begrafenis kregen. Het was goedkoper dan begraven worden in de kerk zelf, maar werd gezien als een beschermde plaats voor de overledene. Zo ook in Sint-Michiels, waar de parochiekerk tot 1863 op de huidige begraafplaats stond, ter hoogte van het Calvariekruis (dat dateert van 1888).

Het vermoeden bestaat dat de kerk (en de parochie Sint-Michiels) reeds in de 8e eeuw bestond. De eerste betrouwbare vermelding is te vinden in een schenkingsoorkonde van 31 oktober 1089 waarin Robrecht van Jeruzalem, zoon van Robrecht de Fries, de graaf van Vlaanderen, een kapittel van 12 kanunniken van de Sint-Donaaskerk instelde. In deze oorkonde worden ook verscheidene voorrechten en eigendommen in de gemeenten Sint-Michiels, Oostkamp, Sint-Kruis, Houtave en Aartrijke genoemd. In Sint-Michiels was het “de Sint-Michielskerk in de villa Weinebrigga, met alle aanhorigheden, tienden, weiden, akkers, lijfeigenen en inkomsten”.

Weinebrigga of Weinebrugge was een van de eerste Frankische nederzettingen rond de centrale hoeve “Blidenburgh” op de hoek van de Dorpsstraat en de Vijverhoflaan, de locatie van de huidige begraafplaats. Het was waarschijnlijk een “wagenbrug”: een brug over de Kerkebeek op de oude Kerkweg. De naam zou dan door de centrale hoeve in de nabijheid en later door de parochie overgenomen zijn.

Op 28 december 1089 bevestigde bisschop Radboud II van Doornik plechtig de rechten en privilegiën van het Sint-Donaaskapittel over de parochiekerken van Sint-Michiels, Sint-Kruis, Oostkamp, Ruddervoorde en Waardamme.

De verdere geschiedenis is echter duister en onduidelijk, want vaak gebaseerd op onbetrouwbare overleveringen, historische legenden en zelfs valse oorkonden. Het is dan ook niet geheel duidelijk hoe heemkundige-apotheker Gerard Franchoo, die een uitgebreid onderzoek instelde, tot de conclusie kwam dat het eerste kerkje een schamel en armetierig eenbeukig gebouwtje uit hout en leem moet zijn geweest, niet veel meer dus dan een kapel, met de aartsengel Michael als schutspatroon. Waarom Sint-Michael als titelheilige werd uitverkoren, is evenmin bekend.

Van de eerste 700 jaren weten we uiteindelijk bitter weinig of niets van het parochiaal leven en het Sint-Michielskerkje. Het was toen gebruikelijk christenen in de kerk zelf te begraven. Eeuwigdurende vergunningen om begraven te worden op de gewijde grond rond de kerk, werden nog niet verleend. Alleen de rijke adellijke elite en begoede burgerij werden in de kerk begraven, terwijl de gewone burgers op het nabijgelegen “heiden”-kerkhof werden begraven. Tussen haakjes, tot ver in de 17e eeuw woonden er op de parochie Sint-Michiels maar 300-400 mensen, goed voor 35-40 overlijdens per jaar.

Pas midden van de 17e eeuw is sprake van een “rapport ghedaen van de rekeninghe vanden godshuuse te Magdaleene ende Nasarette, es gelast de selve te sluiten ende om die van den godshuuse te betaelen pacht van het afgenomen land tot verbreeden van tkerckhof van Sincte Michiels om te begraven de personen overleden van de contagieuse siecte up de stedevivers. (Reg. der resolutien 1632-41 f°236).

In 1784 vaardigde de Oostenrijkse keizer Jozef II een verbod uit op begravingen in kerken en kapellen of andere overdekte plaatsen. Voortaan konden grondconcessies op het kerkhof enkel worden toegekend aan wie een stichting oprichtte of een gift deed aan de armen of hospitalen. In Sint-Michiels was sprake van 15 staties of kapellen rondom de kerk die fungeerden als grafzerken (Arch. DZ en G).

In 1805 werd bepaald dat voor een zerk in de buitenmuur van de kerk of in een kapel een vergoeding van twee ponden was verschuldigd. Voor een graf op het kerkhof moest eveneens twee ponden sepulturerecht worden betaald, voor minderjarigen één pond.

Na de sloop van de kerk in 1863 keurde de gemeenteraad in 1871 de plannen goed voor een eerste uitbreiding tot aan de huidige Groene Poortdreef. De betrokken percelen zaailand waren eigendom van de familie Wargny d’Oudenburgh, toenmalige eigenaars van de naburige Emmaüshoeve (het huidige restaurant Casserole). Het was de tijd dat adellijke families en begoede burgerij concessies aanvroegen voor de bouw van een grafkelder. De uitbreiding ging gepaard met de bouw van een muur rond het kerkhof en de heraanleg van de Dorpsstraat, waarvan het tracé een twintigtal meter noordwaarts werd verlegd. Wat er precies is gebeurd, moet nog uitgezocht worden, maar de aankoop van de grond en heraanleg van de straat is pas in 1877 terug te vinden in het kadasterregister (zie mutatieschets 1877-8).

Het kerkhof, tot dan eigendom van de Kerkfabriek werd in 1879 door de overheid onteigend. Vanaf dan werden alle grondconcessies door het schepencollege van de gemeente verleend.

Uit een vergelijking tussen het Franse kadastraal plan van 1909 en het huidige plan blijkt dat de vakkenindeling van het oudste gedeelte van het kerkhof tot op vandaag ongewijzigd is gebleven.

Na de Eerste Wereldoorlog begon de bevolking van Sint-Michiels sterk te groeien, waardoor het kerkhof een tweede keer moest worden uitgebreid. In 1922 kocht de gemeente een tweede stuk zaailand, gelegen ten noorden van het bestaande kerkhof, van de familie Bonte, die intussen in 1920 de naburige Emmaushoeve had verworven. Hiermee kwam de totale oppervlakte van de dodenakker op 6.700 m2 .

Er is ook sprake van de bouw van een door Huib Hoste ontworpen omheining met een pergolaconstructie in baksteen en beton, maar daarvan is in de bewaarde plannen niets terug te vinden. De kosten van de aankoop werden deels gedekt door opbrengsten van de afbraak van de kosterschool, die naast de hoofdingang was gelegen. Ook deze uitbreiding vertoont een onverklaarde tijdskloof tussen de goedkeuring door de gemeenteraad (1922) en de effectieve realisatie, die pas in 1928 kadastraal werd geregistreerd (zie mutatieschets 1928-45).

Begin vijftiger jaren groeide de bevolking van Sint-Michiels jaarlijks met 300-400 mensen waardoor het gemeentebestuur moest uitkijken naar een nieuwe, derde uitbreiding. Een verdere uitbreiding in noordelijke richting lag voor de hand, maar burgemeester Van Maele en de familie Bonte, eigenaar van de grond, koesterden ambitieuze plannen om het hele erf van de Emmaüshoeve te verkavelen en te verkopen. De verkaveling voorzag onder meer in de verharding van de toegangsweg tot de hoeve (de huidige Groene Poortdreef) en de aanleg van twee nieuwe straten: de August Bontestraat en Karel de Wolfstraat. In 1952 besloot de gemeenteraad, waarvan eigenaar André Bonte lid was, om het kerkhof uit te breiden op een andere locatie.

Een strook weiland tussen de Kerkebeek en de Rijselstraat, vandaag bekend als Park de Rode Poort, werd geschikt bevonden voor de uitbreiding. Het betrof een laaggelegen weiland langs de Kerkebeek dat toen beplant was met fruitbomen. De boomgaard stond geregistreerd op naam van de Brusselse advocaat baron François de Viron, gehuwd met Godelieve le Fevere de ten Hove, dochter van Joseph le Fevere de ten Hove, heer van kasteel la Renaissance in de Barrrièrestraat. Boomkweker Capelier uit Eernegem werd er bijgehaald om een inventaris van de boomgaard op te maken en de economische waarde ervan te schatten. In zijn verslag van 8 augustus 1952 vermeldt hij 1.300 perelaars en wat andere kleinfruitbomen, met een totale waarde van 44.987,50 frank. De aanplant was weliswaar gezond maar nog zeer jong en dus niet zoveel waard.

De plannen voor de aanleg van het nieuwe kerkhof waren al klaar toen er een kink in de kabel kwam. In juni 1953 viel bij het gemeentebestuur een brief in de bus van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met het verzoek “de zaak stop te zetten“. Wat zich precies heeft afgespeeld, is niet schriftelijk gedocumenteerd. Vermoedelijk hadden een aantal eigenaars van gronden en huizen langs de Rijselstraat bezwaar aangetekend tegen de aanleg van een kerkhof aan hun achtertuin, terwijl uitbreiding van het bestaande kerkhof voor de hand lag. In dit dossier duikt de naam op van René Soetewey, vooraanstaand urbanist en hoogleraar aan de Universiteit Leuven, die op Rijselstraat 323 woonde en vermoedelijk zijn contacten binnen het ministerie had aangesproken.

Uiteindelijk moest het gemeentebestuur zich alsnog richten tot de familie Bonte die (in 1954) zich min of meer verplicht zag het derde stuk weiland aan de gemeente te verkopen. Het ging om een forse en kostelijke uitbreiding van ongeveer 7.100 m2 wat neerkwam op een verdubbeling van de bestaande oppervlakte. De gemeente moest een lening aangaan om de aankoopprijs van 639.000 BF te kunnen voldoen, maar bleef niet bij de pakken zitten. Binnen no-time lagen de plannen op tafel om het “afgekeurde terrein” tussen Kerkebeek en Rijselstraat te verkavelen tot wat, een paar jaar later, de Park de Rode Poortwoonwijk zou worden. Niet geheel toevallig was Ir. Soetewey de urbanist-architect die opdracht kreeg om de plannen van de Rode Poort-site uit te werken.

De vierde en laatste uitbreiding van het kerkhof kwam er in 1976. Bij de verkaveling van de laatste stukken grond van de Emmaüshoeve bleef er nog een strook grond over langs de Kerkebeek, ten westen van het bestaande kerkhof. Omdat deze grond niet geschikt was voor woningbouw, lag het voor de hand om ze bij het kerkhof te voegen. In dit gedeelte bevinden zich het urnenveld, een veld voor de verstrooiing van de as en een urnenmuur, ook bekend als columbarium.

De laatste fysieke ingreep in de kerkhofinfrastructuur dateert van 1983. Toen bleek dat een flink deel van het uitgebreide kerkhof niet meer gebruikt zou worden. besliste de stad Brugge om een strook van ongeveer 30 m in te nemen voor de technische dienst. De vraag naar begraafruimte was toen al sterk gedaald.

Vanaf het begin van de jaren zeventig stagneerde de bevolkingsgroei in Sint-Michiels en nam het aantal crematies sterk toe, wat de behoefte aan traditionele begraafplaatsen verder verminderde. Daarnaast werden, sinds de invoering van de Wet op de Begraafplaatsen en de Lijkbezorging in 1971, geen eeuwige concessies meer verleend en verleende de stad Brugge toestemming voor het hergebruik van waardevolle oude graftekens waarvan de concessie was verlopen.

Rest nog de belangrijke opdracht om het nog bestaande funerair erfgoed op het kerkhof van Sint-Michiels voor de toekomst te bewaren. Het initiatief van de stad Brugge om (in 2009) een Stedelijke Commissie voor Graftekens te installeren was een stap in de goede richting. Sindsdien is de commissie begonnen met het inventariseren van historisch waardevolle grafmonumenten en het digitaliseren van het gravenbestand op de Brugse kerkhoven. Het kerkhof van Sint-Michiels kwam het eerst aan de beurt. Mede dankzij de inzet van een groep vrijwilligers is de database sinds 2018 vrij toegankelijk op het internet.

Het is aan de Dienst Monumentenzorg & Erfgoedzaken van de stad Brugge om de resultaten van de inventarisatie serieus te nemen. Helaas blijkt dat de (meestal niet armlastige) nabestaanden weinig of geen belangstelling hebben voor de restauratie van hun toebehorende waardevolle graftekens en een beroep moet worden gedaan op publieke middelen. De jaarlijkse subsidiepot van € 30.000, die hiervoor vrijgemaakt wordt, is welkom, maar onvoldoende om het funerair erfgoed effectief te behouden. Nu nog wachten of crowdfunding of verhoging van het subsidiebudget een oplossing kan bieden.

Pages ( 1 of 4 ): 1 234Next »
Zoeken