KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

De straten van Sint-Michiels

Inleiding

De geschiedenis van de ontwikkeling van een stratennetwerk is een boeiende reis door de tijd, waarin de groei en transformatie van de (deel)gemeente Sint-Michiels worden weerspiegeld. De ontwikkeling van een stratennetwerk weerspiegelt de economische en culturele verschuivingen die de gemeente hebben gevormd. In deze verkenning duiken we in de geschiedenis van de ontwikkeling van het stratennetwerk en ontdekken we hoe het een belangrijke rol heeft gespeeld in de groei en de identiteit van de gemeente door de jaren heen. Daarbij is gebruikgemaakt van een veelheid van bronnen, die hier kort vermeld worden.

Geografie

De Heraldische kaart van het Brugse Vrije, ook de grote kaart van het Brugse Vrije genoemd, is het omvangrijkste cartografische werk van Pieter Pourbus. De enorme kaart (23,58 m²) werd in de periode 1561-1571 gemaakt in opdracht van het Brugse Vrije. Van de oorspronkelijke kaart blijft slechts de rechterbovenhoek over. In 1601 (sommige bronnen vermelden 1597) werd een getrouwe kopie afgeleverd door Pieter Claeissens, omdat het origineel na vijfentwintig jaar al zware schade had geleden. Deze kopie kan worden bezichtigd in het Stadsarchief van Brugge.

De Ferrariskaarten (Cartes de Ferraris) zijn een verzameling van 275 uiterst gedetailleerde topografische kaarten van de Oostenrijkse Nederlanden. Zij kwamen tussen 1771 en 1778 tot stand onder leiding van Joseph de Ferraris, generaal bij de Oostenrijkse artillerie en veldmaarschalk in de Oostenrijkse Nederlanden. Het is de eerste systematische en grootschalige kartering van een uitgestrekt gebied in West-Europa. De kaarten werden tussen 1965 en 1976 heruitgegeven door het cultureel fonds Pro Civitate van het Gemeentekrediet van België. Sinds eind 2008 zijn ze ook beschikbaar op het internet via het Europese project Europeana. In 2009 werd de Ferraris Atlas opnieuw in druk uitgegeven. Voor wie geinteresseerd mocht zijn: het boekwerk weegt 12 kilo en telt 608 bladzijden.

De Vandermaelenkaarten zijn een verzameling van historische kaarten van België, gemaakt door Philippe Vandermaelen (1795-1869). De Belgische overheid zag voor zichzelf geen taak weggelegd om de kadastergegevens in plannen om te zetten, maar hoopte dat anderen deze taak op zich zouden nemen. In 1836 kreeg Vandermaelen toelating om de kadastergegevens te gebruiken en in kaart te brengen. Dit resulteerde in de topografische kaart Carte topographique de la Belgique, gemaakt tussen 1846 en 1854, op 250 folio’s op schaal 1/20.000. Deze kaarten geven een gedetailleerd beeld van heel België en worden beschouwd als de opvolger van de Ferrariskaarten uit de periode 1771-1778.

Nadat Philippe Vandermaelen al in 1836 toelating had gekregen om de kadastergegevens te gebruiken en in kaart te brengen, kreeg ook de Brugse drukker-uitgever Phillipe-Chretien Popp (1805-1879) hiervoor toestemming in 1842. In de tien jaar daarop maakte hij voor 1.700 gemeenten in België de leggers en kadastrale plannen. Deze kaarten waren een gecommercialiseerde versie van het toenmalige kadaster van België en vormen vandaag een eersterangsbron voor wie op zoek is naar informatie over vastgoed en grondbezit in de negentiende eeuw.

De Atlassen der Buurtwegen zijn de eerste officiële “wegenkaarten” die,  in uitvoering van de wet van 10 april 1841, in België werden opgemaakt. De bedoeling was een inventarisatie te maken van alle “openbare wegen” en “private wegen met openbare erfdienstbaarheid”. De atlas maakt een onderscheid in buurtwegen en voetwegen (sentiers). Voetwegen zijn smalle wegen, soms maar 1 meter breed, waarvan de bedding gewoonlijk toebehoort aan de aangelanden.

Een atlas is samengesteld uit overzichtsplannen, detailplannen en tabellen. De meeste detailplannen zijn opgemaakt op schaal 1/2.500. De tabellen die in de atlassen zijn opgenomen, bevatten de wegkarakteristieken, het nummer van de buurtweg, de lengte, de oppervlakte, eigenaars van de aangelande percelen en de grondinneming. Per toenmalige gemeente werd in de periode 1843-1845 een atlas opgemaakt. De atlas van Sint-Michiels bestaat uit tien detailplannen met de wegen genummerd van 1 tot 25. Ze komen ter sprake in de respectievelijke stratendossiers in deze Kroniek.

In dit geschiedkundig onderzoek naar de oorsprong en ontwikkeling van het stratennetwerk is veelvuldig gebruikgemaakt van het Kadasterarchief West-Vlaanderen. Het archief bevat de jaarlijkse bijwerking van de onroerende goederen in West-Vlaanderen, zowel wat betreft de rechtspersonen (eigenaars) als de fysische veranderingen (bv. door nieuwbouw). Het archief bevat informatie over eigendommen vanaf 1835 tot nu. Alle veranderingen werden (en worden nog steeds) vastgelegd in mutatieschetsen die de toestand voor en na de verandering weergeven. Het oorspronkelijke kadasterplan bestaat uit twee grote delen met de Rijselstraat als scheidingslijn: deel A ten westen van de straat en deel B ten oosten ervan. De gemeente telde toen, notabene, ongeveer 1.000 inwoners. Deel A werd in de jaren tachtig Brugge-24 en deel B werd Brugge-25.

Helaas is het archief sinds de coronaperiode alleen toegankelijk voor openbare besturen, landmeters en notarissen. Amateurbouwkundigen, geschiedkundigen of heemkundigen zijn er sindsdien niet meer welkom. Voor bouwkundige informatie moet een gepassioneerde heemkundige onderzoeker zich sindsdien per e-mail richten tot een dienst in Brussel. Een schande !

Al vanaf 1831 bestond er onder het Commissariaat-generaal van Oorlog een divisie met naam Dépôt de la Guerre et de la Topographie, die de opdracht kreeg om de eerste officiële topografische kaart van het Belgisch koninkrijk te maken. Van 1878 tot 1947 kreeg deze divisie de naam Militair Cartografisch Instituut en van 1947 tot 1976 het Militair Geografisch Instituut. Sindsdien is het Nationaal Geografisch Instituut of NGI de federale instelling die als hoofdopdracht heeft om topografische kaarten van België op te stellen en te actualiseren. De voornaamste kaarten zijn: Dépôt de la Guerre (gedrukt in 1872), schaal 1/20.000, Militair Cartografisch Instituut (gedrukt in 1939, laatste herziening in 1911), schaal 1/40.000, Militair Geografisch Instituut (gebaseerd op luchtfoto’s van 1966), schaal 1/25.000 Nationaal Geografisch Instituut (serie 1978-1993), schaal 1/10.000, maar afgedrukt op 1/25.000.

Gemeentegrenzen

De buitengrenzen van de gemeente bleven, op een kleine correctie na rond het station van Brugge, van 1830 tot 1970 ongewijzigd, Van de fusie met Brugge (in 1970) werd gebruikgemaakt om twee relatief grote wijzigingen aan te brengen in de gemeentegrens. Het deel van de gemeente ten oosten van het kanaal Oostende-Brugge-Gent werd ingedeeld bij deelgemeente Assebroek en het zuidelijke deel van het Tillegemdomein, dat gemeente Loppem was, werd aan deelgemeente Sint-Michiels toegevoegd. Qua oppervlakte compenseerden de twee wijzigingen elkaar ongeveer.

Geschiedkundige informatiebronnen

Tot aan de Franse revolutie dachten de geestelijke en burgerlijke besturen er niet aan zich te bemoeien met de benaming van straten. Ze lieten de naamgeving over aan de bevolking zelf die, zoals gewoonlijk, op een nuchtere manier handelde en houvast zocht bij de werkelijkheid. Straten ontleenden hun namen aan het uitzicht of de aard van de grond, aan voormalige eigenaars van de grond of aan personen van aanzien die daar woonden, en aan openbare gebouwen, kerken of kloosters.

We mogen zeggen dat de studie van de oude straatnamen in 1875 begon, toen de eerste bijdrage van de historicus Karel De Flou (1853-1931) in druk verscheen. Hij was de zoon van de antiquair en prentenhandelaar De Flou, die gevestigd was in de Gruuthusestraat in Brugge. Hij verliet de schoolbanken toen hij dertien was en werd jonge bediende, vervolgens beambte bij de provincie West-Vlaanderen. Hij ging met pensioen in 1920.

Gedurende vele jaren bekwaamde De Flou zich op eigen houtje in de Germaanse en oude talen en legde hij zich toe op taalstudie en geschiedenis. Vooral de toponymie boeide hem. Een eerste bijdrage die van hem in druk verscheen, behandelde de Brugse straatnamen. Vanaf 1879 begon hij de toponiemen te verzamelen, een decennialange bezigheid die zou uitmonden in zijn monumentale 18-delige Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, Gent-Brugge, 1914-1938 waarvan de laatste 6 delen na zijn dood in 1931 door Rijksarchivaris Jos De Smet werden gepubliceerd.

Karels publicaties brachten hem faam. Hij werd lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (1926). Gelukkig was er Dom Floribertus Rommel van de Sint-Pietersabdij van Steenbrugge, die enige orde wist te scheppen in de duizenden alfabetisch gerangschikte plaatsnamen. Met veel geduld stelde hij een index van namen per gemeente samen. De index van Sint-Michiels bevat ongeveer 500 namen.

Omdat de bevoegdheid tot het benoemen van straten (die tot het openbaar domein behoren), sinds de onafhankelijkheid van België bij de gemeenten berust, ligt het voor de hand dat de vergaderverslagen van het schepencollege en de gemeenteraad een belangrijke bron van informatie zijn voor geschiedkundig onderzoek. Zoals elders, was (en is) het gebruikelijk dat het schepencollege voorstellen voor wijziging van bestaande of nieuwe namen ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorlegt.

De groei van het wegennetwerk vond vooral in de periode 1945-1970 plaats, de periode waarin Maurice Beerlandt schepen van Openbare Werken was in Sint-Michiels. Hij is de voornaamste initiator geweest bij het benoemen van nieuwe straten. Uit de vergaderverslagen is af te leiden dat het college in een enkel geval te rade ging bij apotheker-heemkundige Gerard Franchoo of de culturele vereniging Kamer van Retorika, maar dat is meer uitzondering dan algemene regel.

Veel valt er overigens uit de vergaderverslagen niet te leren. Vaak beperken ze zich tot het besluit, zonder verdere toelichting. In Sint-Michiels valt het op dat de voorstellen van het college in vrijwel alle gevallen zonder enige op- of aanmerkingen door de raad ter kennis worden aangenomen,

Een bijkomende bron van informatie is ook het archief van de huidige Dienst Omgevingsvergunningen van de stad Brugge waar de oude verkavelingsdossiers bewaard worden die door de toenmalige gemeentediensten werden goedgekeurd.

Voor wie in Sint-Michiels is geinteresseerd is, het werk van Albert Schoutteet een belangrijke informatiebron. “De Straatnamen van Brugge”, gepubliceerd in 1977, beschrijft de oorsprong en betekenis van de straatnamen van het toen nieuw gevormde Groot-Brugge, inclusief dus Sint-Michiels.

Apotheker-heemkundige Gerard Franchoo was een “tijdsgenoot” van Albert Schoutteet die zich intensief bezighield met de geschiedschrijving van Sint-Michiels. Afkomstig uit van Sint-Andries, waar zijn vader gemeentesecretaris was, vestigde hij zich als apotheker in de Rijselstraat. Hij was (in 1958) een van de stichtende leden van de Heemkundige Kring Brugs Ommeland en hoofdman van de Aloude Rhetorycken Camere van het Heilich Cruys. “Het Keizer- en Koninklijk Gild Sint-Sebastiaan uit Sint-Michiels” was een van zijn belangrijkste publicaties die in 1964 door de Heemkundige Kring werd uitgegeven.

Een groot deel van zijn archief werd na zijn dood in 1991 door de erven Franchoo ondergebracht in het Stadsarchief van Brugge. Onderzoek in het archief wijst uit dat Gerard ook veel onderzoek deed naar de geschiedenis van de straatnamen van Sint-Michiels, dat helaas nooit werd gepubliceerd. Van deze handgeschreven informatie en verzamelde documentatie is dankbaar gebruik gemaakt in deze Kroniek.

Enkele online archieven bieden ook informatie over straatgeschiedenis in de Brugse regio. Naast Wikipedia is er vooreerst de website van het Agentschap Onroerend Erfgoed, de instelling van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor bouwkundig, archeologisch, landschappelijk en varend erfgoed in Vlaanderen. Met name De Inventaris van het bouwkundig erfgoed deelgemeente Sint-Michiels (2005) vertelt verhalen over architecturale stijlen van gebouwen en woningen die de identiteit van straten en gemeente mede bepalen.

Daarnaast is er de Beeldbank en de Archiefbank van de stad Brugge die een uitgebreide en gevarieerde verzameling visuele informatie bieden en een belangrijke rol vervullen in het documenteren en bewaren van het bouwkundig erfgoed.

Een bekende publicatie over de geschiedenis van Sint-Michiels is het fotoboek “Sint-Michiels. Geschiedenis van de brugse rand” dat samengesteld werd door Luc Bonduel en uitgegeven door de Brugse Uitgeverij Marc Van de Wiele. De uitgever van het prachtige boekwerk is helaas vergeten de datum van publicatie te vermelden, maar bij navraag blijkt dat het 1992 is verschenen.

Straatnamen – de fusie

De fusie met de stad Brugge in 1971 stelde heel wat problemen op het gebied van gelijkschakeling zowel op administratief, organisatorisch of fiscaal gebied als op tal van andere domeinen. Een praktisch probleem was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende gemeenteafdelingen.

Er kon weliswaar een zeker onderscheid worden gemaakt dankzij de verschillende postcodes 8000, 8200, 8310 en 8380, maar zelfs binnen die onderscheiden codes bestonden gelijke straatnamen. Hoe dan ook was men, na enige aarzeling hierover, van oordeel dat het verschil in postcode onvoldoende was. Men wilde niet in lengte van jaren met problemen worden geconfronteerd doordat post verkeerd of laattijdig werd afgeleverd of bezoekers en leveranciers op de verkeerde plaats terecht kwamen. 

Om de beslissingen die hiervoor door de gemeenteraad moesten genomen worden zo degelijk mogelijk voor te bereiden, besliste het nieuw gekozen college van burgemeester en schepenen van de (fusie)stad Brugge op 22 januari 1971, een raadgevende commissie op te richten onder leiding van Andries Van den Abeele. Vanaf haar installatie op 31 maart 1971 tot het indienen van haar rapport in november 1972 hield de commissie vijftien plenaire vergaderingen en een aantal beperkte bijeenkomsten voor het oplossen van moeilijke gevallen.

Waarom er geen Sint-Michielsnaar in de commissie werd benoemd, is een raadsel. Uit de verslagen van de commissie blijkt wel dat Gerard Franchoo, apotheker-heemkundige van Sint-Michiels, werd geraadpleegd.

Begin november 1972 werd het verslag van de commissie overgemaakt aan het schepencollege dat er nog een paar wijzigingen in aanbracht. Op 15 december 1972 kwam het “Voorstel tot herziening van de gelijkluidende straatnamen in Groot-Brugge” voor de gemeenteraad. Vooral in deelgemeente Sint-Michiels werden nogal wat laatste wijzigingen aangebracht.

Het gewijzigde voorstel werd in de traditionele nieuwjaarszitting van de raad op 28 december 1972 unaniem goedgekeurd. In totaal werden in deze eerste en voornaamste fase van naamwijzigingen 146 straatnamen gewijzigd, waarvan 27 in Sint-Michiels. Later werden er nog een tiental aan toegevoegd

Straatnamenlijst

Anno 2025 bevat de officiële straatnamenlijst van deelgemeente Sint-Michiels 140 namen met aanduiding van begin- en eindpunt, de parochie waartoe de straat behoort en de postcode.

In de hiernavolgende stratenrubriek wordt, in alfabetische volgorde, de historische achtergrond geschetst van elke straat met aanduiding van de locatie en het huidige woningenbestand. In annex zijn telkens een aantal straatzichten en de belangrijkste kadastrale mutatieschetsen toegevoegd die de historische ontwikkeling van de betreffende straten in beeld brengen.

Zoeken