NACHTEGALENDREEF
Situering
De Nachtegalendreef ligt in de Vogelzangwijk, een residentiële wijk van in het westen van deelgemeente Sint-Michiels ten noorden van het Tillegemdomein. De dreef verbindt de Torhoutse Steenweg met de Dianadreef.
Het tracé van de 500 m lange dreef is 12 m breed met een 4,5 m brede geasfalteerde rijweg zonder voetpaden, maar met een 3,5 m met bomen beplante groene bermstrook. Ze wordt op 2 punten doorkruist door de Kervyndreef en de Wittemereldreef. De dreef telt een 30-tal vrijstaande eengezinswoningen op ruime bouwpercelen van gemiddeld 1.200 m2.
Voor wie het niet mocht weten, de nachtegaal Luscinia megarhyncho, is een bekende zangvogel uit de onderfamilie Saxicolinae. De naam is afgeleid van het Germaanse “galan”: (galmend) zingen. Het is een trekvogel die van april tot oktober in West-, Zuid- en Midden-Europa en tot in Midden-Azië onder de 50ste breedtegraad voorkomt om te broeden. In Vlaanderen staat de soort als kwetsbaar op de lijst. De nachtegaal wordt in volksverhalen beschouwd als een voorbode van de lente aan en geldt al eeuwen als symbool van de liefde, een thema dat dichters en componisten inspireert.
Historiek
Begin 18e eeuw was het gebied, afgebakend door de huidige Torhoutse Steenweg, Koningin Astridlaan, Xaverianenstraat en Tillegemdomein (ongeveer 100 ha) in het bezit van de familie de Heere. Het was een vrijwel onbewoond en grotendeels bebost landelijk gebied.
De stamvader Bruno-Maximilien de Heere (1751-1815), baron van Heere en Beauvoorde, was de laatste schout van de stad Brugge onder het Oostenrijks bewind en vermogend man met talloze eigendommen in het gebied van het Brugse Vrije. Hij was gehuwd met Jeanne Papeians de Morchoven (dit van der Strepen). Het echtpaar had 6 kinderen. Het gezin woonde in een groot herenhuis op de Markt van Brugge. Een paar jaar voor zijn dood schonk de stamvader het gebied aan zijn twee dochters. Eugénie kreeg het westelijke deel van het gebied aan de Torhoutse Steenweg (het latere Vogelzangdomein) en haar 4 jaar jongere zuster Rosalie kreeg het veel groter deel tussen de huidige Graaf Pierre de Brieylaan en de Xaverianenstraat (het latere domein ter Linden).
Op de eerste Belgische kadasterkaart van 1835 staat het westelijk deel van het gebied geregistreerd op naam van Eugénie de Heere de Beauvoorde (1784-1873) die in 1802 trouwde met Joseph-Guillaume (Willem) Kervyn (1767-1837). Joseph-Guillaume was een telg uit het Oost-Vlaamse geslacht Kervyn dat al sinds de 15de eeuw ambten uitoefende in Eeklo en Gent en in 1766 in de adelstand was opgenomen. Het echtpaar bouwde er in 1813 het kasteel “Vogelzang” waar ze zich ook vestigden.
Het kasteeldomein was toen niet zo groot (zie op de kaart rood gearceerd gebied). Kasteel en omgevend park waren toegankelijk via een 600 meter lange dreef vanuit de Torhoutse Steenweg, op de Buurtwegenkaart van 1844 aangeduid als “chemin privé”. Later zou de dreef de toepasselijk naam Vogelzangdreef krijgen.
Kasteeldomein Vogelzang werd bijna honderd jaar bewoond en beheerd door de familie Kervyn. Meer details over zijn bewoners zijn terug te vinden in een aparte bijdrage (zie Kastelen – Vogelzang). Henri (Hendrik) Kervyn (1856-1928) was de laatste adelijke bewoner van het domein. Een korte synopsis van zijn leven is hierbij toegevoegd. Na zijn overlijden in 1928 werd kasteel en bijhorende landerijen door de erven Kervyn, de weduwe en een nicht, verkaveld en verkocht.
Het kasteel en omliggend park van ongeveer 3 ha werd in 1931 gekocht door de Brugse sociale huisvestingmaatschappij Eigen Huis. De landerijen, bestaande uit een 35-tal onbewoonde en grotendeels beboste percelen, werden voor ongeveer de helft gekocht door grootgrondbezitter en Brugse nijveraar Remi Hermans en de andere helft door de Brusselse vastgoedvennootschap Société Immobilière Bernheim.
In onderling overleg werd door de twee kopers een verkavelingsplan opgemaakt met ruimte voor vrijstaande residentiële woningbouw. In die tijd was er nog geen sprake van overheids- laat staan gemeentelijke ruimtelijk beleid of bouwkundige voorschriften. De betrokkenheid van de gemeente kwam er pas na WO II toen het hoofdbestuur Stedebouw van het Ministerie van Openbare Werken een schrijven richtte aan alle gemeentebesturen waarin ze aangemaand werden het grondgebied systematischer te ordenen en een proces op te starten om de leefruimte planmatiger te benutten en in te richten. Gemeente-ingenieur Dinneweth werd in februari 1946 aangesteld als “urbanist”. Voorstellen of aanvragen voor de aanleg van nieuwe straten of herinrichting van het gemeentelijk grondgebied (of delen daarvan) zouden door de gemeente voortaan getoetst worden aan een BPA (Bijzonder Plan van Aanleg) dat informatie verschaft over de bestemming en inrichting van open of bebouwde ruimtes.
Het duurde nog wel enige tijd vooraleer de planningsprocedure in werkelijkheid in gang kwam. Het Bijzonder Plan van Aanpak (BPA) Veemarkt was een van de eerste bestemmingsplannen die door de gemeenteraad in november 1954 werd goedgekeurd. De naamgeving van het plan was ongelukkig. De veemarkt, die in mei 1952 geopend was, lag weliswaar pal naast het plangebied, maar de site maakte nooit deel uit van het Vogelzangdomein. Het plan bevatte een basiskaart van het noordelijk gedeelte van het oude Vogelzangdomein met aanduiding van zones voor wegen, bebouwing, achteruitbouw, hovingen en beplanting.
Het wegenplan was overigens niet meer dan een officiële sanctionering van het stratenplan dat al door de twee kopers van de landerijen in 1935 was uitgewerkt: opwaardering van de bestaande toegangsdreef tot kasteel Vogelzang (de latere Vogelzangdreef) en aanleg van drie nieuwe straten: Kervyndreef, Nachtegalendreef en Witte Mereldreef.
Voor het zuidelijke deel van de Vogelzangverkaveling werd geen BPA opgemaakt maar kreeg de Brusselse urbanist-architect Huyghebaert opdracht een algemeen urbanisatieplan te formuleren. Een kopie van het Verkavelingsplan Tillegem Wijk is hierbij toegevoegd. Het werd in de loop van 1965 officieel goedgekeurd door de gemeenteraad van Sint-Michiels.
Het grootste deel van de gronden op het tracé van de nieuw aan te leggen Nachtegalendreef was in de jaren dertig aangekocht door vastgoedmakelaar Société Immobilière Bernheim. Hoe de Société in Sint-Michiels terecht was gekomen, is een vraag die nog beantwoord moet worden. Wellicht was sprake van een relatie met de verkoper, de familie Kervyn, maar dat is speculeren. De belendende percelen bleven nog tot begin jaren zestig in het bezit van de Société, toen ze na de goedkeuring van eerder vermelde urbanisatieplannen verder verkaveld en doorverkocht werden aan particuliere eigenaars.
De aanleg van de dreef startte met de asfaltering van een eerste strook van 90 m die in eerste instantie fungeerde als toegangsweg van de Kervyndreef tot de Torhoutse Steenweg. Toen de Kervyndreef werd verlengd tot aan de Koningin Astridlaan, werd deze toegang voor doorgaand verkeer afgesloten. Woning nr. 1, bij de ingang aan de Torhoutse Sreenweg, is de oudste woning van de dreef, gebouwd in 1959.
De verdere aanleg van de dreef en bebouwing kwam pas begin zeventiger jaren op gang. De oudste woningen, nrs. 22 en 47, dateren van 1972. Op een enkel perceel na was de dreef in 1990 volgebouwd.



