KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

TILLEGEMPARK

Situering

De Tillegempark dreef loopt naast de hoofdingang van het Tillegemdomein aan de Torhoutse Steenweg, in het zuiden van Sint-Michiels. Het is een 180 meter lange en 3 meter brede, niet verharde bosdreef die vanuit de Torhoutse Steenweg toegang geeft tot de Kooidreef. Van de 4 aangrenzende bouwpercelen is 1 perceel onbebouwd gebleven. Van de 3 resterende heeft 1 toegang tot de Torhoutse Steenweg. De 2 in de dreef geregistreerde woningen zijn vrijstaande residentiële villa’s op bospercelen van resp. 1.400 en 2.300 m2 (nrs. 4 en 10). Een kaart met de locatie en het woningenbestand is toegevoegd in bijlage.

Het huis nr 4 is opgenomen in de lijst van bouwkundig erfgoed van de stad Brugge en verdient een bijzondere vermelding. De “Leynseele” woning, genoemd naar de eerste eigenaar en bewoner ir. Lucien Van Leynseele, is gebouwd in 1964 naar een ontwerp van architect Axel Ghyssaert. De woning  heeft een karakteristiek L-vormig grondplan en is onderverdeeld met tussenniveaus.

Historiek

Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebos,t moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noordwest gelegen van het huidige kasteel, een in hout opgetrokken toren stond, omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem duikt voor het eerst rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.

Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezele, moet nog uitgezocht worden.

De heerlijkheid kreeg naast het eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.

Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).

Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijk deel van de gemeente Loppem.

Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem. (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.

Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.

Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel werd in 1879 voor het grootste deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was toentertijd grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Platanendreef) was grondgebied Loppem. 

Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940 erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889 -1989), het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos. Bij het passeren van de erfenisaktie in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied ten zuiden van de toegangsdreef tot kasteel Tillegem te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) fel begeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden). In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noord-zuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een vijftaltal oostwest verbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef, Lorkendreef en Abelendreef). Het voorgestelde wegennetwerk is ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.

Het verkavelingsplan verdween vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebied, werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan: “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.

Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 6 Sint-Andriesdreef dat in bijlage is toegevoegd. Het werd in opdracht van de familie van Caloen uitgewerkt door Lucien Coppé, een bekende architect-urbanist van die tijd. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien,: een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuin-stroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen, waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2,, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper cq kopers.

De Tillegempark dreef is openbaar domein, maar heeft het karakter van een private weg. De afgesproken betonverharding is er nooit gekomen. De 180 meter lange dreef is een, overigens slecht onderhouden, grindpad gebleven.

De eerste van de twee woningen (n.r 10) was al gebouwd toen het BPA in december 1956 werd goedgekeurd. Zoals ook nog elders opgemerkt, was het toezicht op de naleving van de bouwvergunningsprocedures en bouwvoorschriften in die tijd nogal slordig. De tweede, eerder besproken woning van ir. Lucien Van Leynseele (nr 4), dateert van 1965.

Vooreerst droeg de dreef geen eigen naam en werd ze beschouwd deeluitmakende van de Kooidreef. Waarom de Sint-Michielse gemeenteraad in juni 1967 besloot om er toch een aparte naam (Tillegempark) aan te geven, is een raadsel dat nog moet worden opgelost. De naamgeving Tillegempark is overigens nogal vreemd. Een park is een door de mens ontworpen en aangelegd groengebied met een overwegend recreatieve functie. Daar is in dit geval geen sprake van.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken