KOOIDREEF
Situering
De Kooidreef is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. In oorsprong was het gebied één van de heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers voorkwamen die pas in de loop van de 18e eeuw door de heren van kasteeldomein Tillegem werden drooggelegd en bebost.
Via Tillegempark verbindt ze de Torhoutse Steenweg met de Abelenlaan in het zuiden van het Tillegem woonpark.
De rechte dreef is 480 meter lang, waarvan de eerste 200 m tussen Tillegempark en de Fazantendreef een verhard grindpad is en de laatste 280 m een 3 m brede betonbaan zonder bermen of andere infrastructurele voorzieningen.
De 21 aangrenzende bouwpercelen zijn allen bebouwd met vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s op bospercelen die varïeren tussen de 2.500 en 6.500 m2.. Van de 21 woningen hebben er 19 toegang tot de dreef, 1 woning heeft toegang op Tillegempark en 1 op de Veldhoendreef. Een kaart met de locatie van de dreef en het woningenbestand is toegevoegd in bijlage.
De naam verwijst naar een eendenkooi: een site met vijver die op een speciale manier wordt ingericht om wilde eenden te vangen. In oorsprong behoorde het zuidelijke deel van Sint-Michiels tot een van de heidevelden waarin talrijke vijvers voorkwamen. De eerste vermelding van deze moerassige vennen dateert uit de 13de eeuw in de oorkonden van de Magdalenaleprozerij. In de loop van de 18de eeuw werd begonnen met de drooglegging en bebossing ervan. Een van de langst overblijvende vijvers was de Aendekooi of Aendepoel waarvan het vermoeden is dat ze in de periode 1750-1760 is gedempt. Op de locatie, een kleine 500 meter ten zuiden van de Kooidreef, is in die periode de hoeve Aandekooi gebouwd die opgenomen is in de Inventaris Onroerend Goed van de stad Brugge. Het Westvlaamse woord aande heeft dezelfde betekenis als het algemeen Nederlandse woord eend.
Historiek
Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebost moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noord-west gelegen van het huidig kasteel, een in hout opgetrokken toren stond omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem wordt voor het eerst vermeld rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.
Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezele moet nog uitgezocht worden.
De heerlijkheid kreeg naast het eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.
Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).
Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.
Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tiillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868, kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later, het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein werd in 1879 voor het grootste deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen,(1815-1896), bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef) was grondgebied Loppem.
Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen Karl van Caloen (1889 -1989) het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos. Bij het passeren van de erfenisaktie in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied ten zuiden van de toegangsdreef tot kasteel Tillegem te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) felbegeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden). In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noordzuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een viertal oost-west verbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef, en Abelendreef). Het voorgestelde wegennetwerk is ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.
Het verkavelingsplan verdween vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebied, werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.
Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr, 6 Sint-Andriesdreef dat in annex is toegevoegd. Het werd in opdracht van de gemeente uitgewerkt door Lucien Coppé, een bekende architect-urbanist van die tijd. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien,: een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuin-stroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen, waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2,, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper cq kopers.
Een meer gedetailleerde uitwerking van het verkavelingsplan is terug te vinden op de kadaster mutatieschets 1956-61 die in bijlage is toegevoegd. Het document werd door de Sint-Michielse gemeenteraad formeel goedgekeurd in de zitting van 8 december 1956. Het verkavelingsproces is weergegeven in een drietal mutatieschetsen die in bijlage zijn toegevoegd.
Het tracé van de nieuwe Kooidreef was al in 1941 op de kadasterkaarten getekend en overgenomen in het in 1956 goedgekeurde BPA. Het grootste deel van de belendende percelen werd door eigenaar baron Karl in de periode 1955-1957 verkocht.
De eerste jaren had dit deel van het Tillegem woonpark een hoofdzakelijk recreatieve functie. De dreef was eerst niet veel meer dan een rudimentair bospad dat toegang gaf tot de verschillende percelen waar hier en daar weekendhuisjes of kleine bungalows werden gebouwd.
Waarom in een deel van de dreef (tussen Tillegempark en Fazantendreef) maar 6 m in het openbaar domein is ingelijfd in plaats van de afgesproken 10 m-norm, is onduidelijk.
Wanneer sprake was van permanente bewoning is moeilijk te achterhalen. De eerste bouwaanvraag voor een “woning” dateert van 1961 (Kooidreef nr. 4) maar daarvan is onduidelijk of het om een veredelde recreatieve bungalow gaat dan wel een residentiële woning. De vaste bewoning kwam pas op gang in de jaren negentig. Ongeveer de helft van de huidige vaste woningbouw dateert zelfs van na het jaar 2000.




