EMILE BETHUYNELAAN
Situering
De Emile Bethuynelaan ligt in het uiterste zuiden van het Tillegembos en verbindt de Generaal Naessens de Loncinlaan in het zuiden met de Sneppendreef in het noorden. De laan is ongeveer 300 m lang en heeft een 3 meter brede betonverharding. Laan is overigens een groot woord. Ze heeft eerder het karakter van een bosdreef zonder verharde bermen of voetpaden. Hoewel ze beschouwd wordt als een openbare weg, blijkt uit kadastergegevens dat de laatste 50 meter richting Sneppendreef privébezit is. Dat is een overblijfsel uit een tijd waarin het verkavelingsproces minder zorgvuldig verliep en de door de eigenaar aangelegde weg niet aan de gemeentelijke autoriteit werd overgedragen.
Aan het zuidelijke einde van de laan geeft een smalle tunnel onder de snelweg E-40 Brugge-Oostende toegang tot het gebied van de Lac van Loppem en de dorpskern van Loppem. De Lac werd uitgegraven voor de aanleg van de verhoogde E40 snelwegberm.
In het stratenregister van de laan zijn 8 vrijstaande ééngezinsresidentiële villa’s opgenomen met perceelgroottes die variëren tussen de 2.500 en 3.700 m2. Opvallend in het straatbeeld is een modernistisch geïnspireerde villa uit 1962 met in de tuin een kleine sterrenwacht. Locatie en woningenbestand van de laan zijn hierbij toegevoegd.
De laan is vernoemd naar Emile Bethuyne. in Loppem geboren als zoon van Henri Bethuyne, secretaris van de gemeente Loppem van 1906 tot 1936. Emile, van wie een korte biografie is toegevoegd, was adjunct-politiecommissaris in Deurne en werd als lid van het Belgisch verzet in WO II op 7 juli 1943 geëxecuteerd door de bezetter. Hij is begraven op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen.
Historiek
Tillegem was oorspronkelijk een praktisch onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied. Op een zandige verhevenheid ten noordwesten van het huidige kasteel stond een houten toren, omringd door diepe aarden wallen en pallissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Dit strategisch gebied was persoonlijk bezit van Boudewijn I met de IJzeren Arm, de eerste graaf van Vlaanderen. De naam Tilleghem verschijnt voor het eerst rond 1149 in een ongedateerde cijnsrol.
In de 17e eeuw schonk de graaf het domein Tillegem aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. De omstandigheden en voorwaarden van deze schenking moeten nog verder uitgezocht worden. De heerlijkheid kreeg naast het eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot het midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.
Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).
Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.
Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net overleden. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas na het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem. (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig verkeerde in zware financiële problemen en besloot de riante erfenis te gelde te maken. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd in hetzelfde jaar grotendeels aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen,(1815-1896), bouwer van het kasteel Loppem. Het was deels grondgebied Sint-Michiels en deels Loppem (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef). Na Alberts overlijden in 1933 en dat van zijn vrouw, Marie-Therèse van Ockerhout, erfde hun zevende kind Karl van Caloen (1889-1989), dit deel van het Tillegemdomein.
Karl van Caloen was oorlogsvrijwilliger geweest in de Eerste Wereldoorlog en behaalde in 1919 een doctoraat in de rechten. In 1941, bij de afwikkeling van de erfenis, werd al duidelijk dat de familie van Caloen plannen had om het bosrijke gebied te verkavelen. De plannen verdwenen vanwege WO II in de ijskast.
Na de oorlog werd het grondpercelenpatroon kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken waren (en zijn nog steeds) zeer gewilde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden).
De ontwikkeling van het gebied Tillegem-Zuid begon met de goedkeuring van een ontwerpstratenplan, waarvan een kopie bijgevoegd is. Bij vergelijking met oudere kaarten blijkt dat het plan grotendeels gebaseerd was op het oude stervormige bosdrevennetwerk dat in dit deel van het Tillegemdomein werd aangelegd in de periode 1758-1767 door de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Le Bailly de Tilleghem. De “Sterre” was een soort mote of open plek van waaruit acht rechte dreven uitwaaierden, een structuur die nog duidelijk herkenbaar is op de primitieve kadasterkaart van 1835.
Het verkavelingsproces kwam officieel op gang met de indiening van verkavelingsaanvraag VK 6214 die in december 1962 door de Loppemse gemeenteraad werd goedgekeurd. De aanvraag werd namens de grondeigenaars ingediend door Gebroeders Verhaeghe, een bekend aannemersbedrijf uit Loppem. Het omvatte in totaal 23 bouwkavels, gelegen binnen de contouren van de vergunning. De nieuwe Emile Bethuynelaan lag volledig binnen het plangebied. Een kaart met de geplande kavels en wegenis is bijgevoegd.
De bijbehorende bouwvoorschriften waren beknopt: 1) alle percelen zijn uitsluitend bestemd voor alleenstaande woningen van maximaal één bouwlaag, zonder aanbouwen. 2) slechts 1/20 van de perceeloppervlakte mag effectief bebouwd worden, 3) minstens 10 m bouwvrije stroken tussen woningen of bijgebouwen en 4) last but not least, bestaande bossen zoveel mogelijk behouden blijven, een nogal vage en vrijblijvende formulering die vandaag de dag niet meer aanvaard wordt binnen een stedenbouwkundige vergunning.
In afwachting van de verkavelingsgoedkeuring waren de wegeniswerken uitgevoerd en waren alle bouwkavels al verkocht. De eerste kavels, gelegen aan wat later de Emile Bethuynelaan zou worden, werden al in 1957 verkocht aan de Loppemse aannemersfamilie Verhaeghe. Vooruitlopend op de officiële afhandeling van de verkaveling, verleende de gemeente Loppem al in 1959 de eerste 2 bouwvergunningen. De naamgeving van de laan is overigens op voorstel en aandringen van de familie Verhaeghe door de Loppemse gemeenteraad goedgekeurd. In bijlage zijn enkele kadastermutatieschetsen toegevoegd die het verdere verkavelingsproces in beeld brengen.
Het zuidelijke deel van het Tillegemdomein was vanwege de autosnelweg Brussel-Oostende, op een smalle tunnel na, volledig geïsoleerd van de Loppemse gemeentekern. De fusie van de Brugse randgemeenten in 1971 was een mooie gelegenheid om een grenscorrectie met Sint-Michiels cq. de stad Brugge uit te voeren en de bevoegdheden over het hele Tillegemdomein onder het bestuur van de stad te brengen.





