KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

PLATANENDREEF

Situering

De Platanendreef is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. Oorspronkelijk maakte het gebied deel uit van uitgestrekte heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers lagen die pas in de loop van de 18e eeuw door de heren van kasteeldomein Tillegem werden drooggelegd en bebost.

De dreef is 490 meter lang en verbindt, in hoekvorm, de Torhoutse Steenweg met de Sint-Andriesdreef, de centrale as van het woonpark Tillegem. De dreef is niet meer dan een verhard, slecht onderhouden grindpad van drie meter breed zonder bermen of andere infrastructurele voorzieningen. De dreef is opgenomen in het stratenregister van de stad Brugge, maar is tegen de afspraak met de verkavelaar, nooit overgedragen aan het openbaar domein. In principe betreft het dus een private weg, waarvan de aanleg- en onderhoudskosten ten laste zijn van de aanpalende eigenaars.

Tot 1971 vormde de dreef de grens tussen Sint-Michiels en Loppem. De grens liep exact in het midden van de dreef, waardoor de noordzijde (onpare nummers) tot Sint-Michiels behoorde en de zuidzijde (pare nummers) tot Loppem.

Van de vijftien aangrenzende bouwkavels hebben er elf toegang tot de dreef; de overige hebben toegang via de Torhoutse Steenweg (1) en de Sint-Andriesdreef (3). In alle gevallen gaat het om vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s op bospercelen variërend in oppervlakte tussen de 1.700 en 5.00 m2. Een kaart met de locatie en woningenbestand is toegevoegd in bijlage.

De dreef ontleent haar naam aan de plataan (Platanus) het enige Noord-Amerikaans bomengeslacht binnen de plataanfamilie (Platanaceae). De boom is herkenbaar aan zijn grote, diep ingesneden bladeren die dicht bezet zijn met stervormige haren. Bij het uitvallen van de haren kunnen allergische reacties, zoals jeuk en irritaties aan de slijmvliezen, optreden. Typisch voor de plataan is ook de stam, waarvan de schors in vlakken loslaat, wat resulteert in een karakteristiek bontgekleurd oppervlak van bruin en groentinten.

Historiek

Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noordwest gelegen van het huidig kasteel, een in hout opgetrokken toren stond omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem duikt voor het eerst rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.

Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezele moet nog uitgezocht worden.

De heerlijkheid kreeg naast de eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond waarvan de helft kinderen.

Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).

Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.

Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tiillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem. (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef  kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarig nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.

Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.

Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd in 1879 voor het grootste deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was toendertijd grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Platanendreef) was grondgebied Loppem. 

Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889-1989) het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos. Bij het passeren van de erfenisakte in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied ten zuiden van de toegangsdreef tot kasteel Tillegem te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) felbegeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden). In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noordzuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een viertal oostwest verbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef, en Abelendreef). Het basis wegennetwerk van het BPA is ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.

Formeel maakte de Platanendreef maar voor de helft deel uit van het BPA. De dreef vormde toen de grens met de gemeente Loppem waardoor de zuidzijde (pare nummers) grondgebied Loppem was. Ze vormde ook de grens met het landgoed Valkenbos dat sinds beginjaren 1900 geen onderdeel meer uitmaakte van kasteeldomein Tillegem maar eigendom was van de familie van Outryve d’Ydewalle.

Het verkavelingsplan verdween vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebied, werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.

Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 6 Sint-Andriesdreef dat in bijlage is toegevoegd. Het werd in opdracht van de gemeente uitgewerkt door Lucien Coppé, een bekende architect-urbanist van die tijd. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien: een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuinstroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen, waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2,, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper cq kopers.

Een meer gedetailleerde uitwerking van het verkavelingsplan is terug te vinden op de kadaster mutatieschets 1956-61, die in annex is toegevoegd. Het document werd door de Sint-Michielse gemeenteraad formeel goedgekeurd in de zitting van 8 december 1956. Het verkavelingsproces is weergegeven in een drietal mutatieschetsen die in bijlage zijn toegevoegd.

De dreef kreeg in eerste instantie de naam Kastanjedreef toebedeeld. Om spraakverwarring met de Kastanjestraat in Assebroek te vermijden, werd de naamgeving, ter gelegenheid van de fusie van Groot-Brugge, in 1970 gewijzigd in Platanendreef. Vreemd genoeg kreeg de straat in Assebroek ook een nieuwe naam, de Wilde Kastanjestraat. Het is niet ongebruikelijk dat wegen of straten in dichtbebost gebied bomennamen krijgen. Het is echter niet alledaags dat ze genoemd worden naar bomen, zoals de plataan, die in het bos niet voorkomen.

De afgesproken verharding van de dreef met een 3 m brede betonbaan is er niet gekomen. Noch de verkoper noch de kopers van de grond hadden daar kennelijk behoefte aan. De dreef is een rudimentair grindpad gebleven dat bovendien in slechte staat van onderhoud verkeert. De toegang aan de Torhoutse Steenweg wordt weinig gebruikt. Bewoners verkiezen meestal de toegang via de Fazantendreef, de hoofdingang van het woonpark, en de Sint-Andriesdreef. De dreef is nooit aan de gemeentelijke overheid overgedragen en is in principe dus een private weg die alleen voor plaatselijk verkeer toegankelijk is.

De eerste van de 10 bouwkavels waren al in 1952-53 verkocht aan particuliere eigenaars. De oudste villa (nr 4) dateert van 1958. De eigenaren van de overige bouwkavels waren minder haastig met bouwen. De laatste dateert van 2008.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken