KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

LORKENDREEF

Situering

De Lorkendreef is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. In oorsprong was het Tillegem-gebied een van de heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers voorkwamen die pas in de loop van de 18e eeuw door de heren van Tillegem werden drooggelegd en bebost.

De dreef is bijna 1 km lang en loopt door bebost gebied, vanuit de Sint-Andriesdreef tot aan kasteel Tillegem. De eerste 260 meter is verhard met een 3 m brede betonbaan zonder bermen. Het resterende deel is geplaveid met kasseistenen en maakt deel uit van het beschermde Provinciaal Domein Tillegembos.

De eerste strook van 400 meter is aan de noordkant verkaveld in een 8-tal percelen die bebouwd zijn met vrijstaande villa’s, waarvan 5 toegang hebben tot de Lorkendreef, 1 in de Sint-Andriesdreef en 2 in de Abelendreef, die de dreef kruist. Een kaart met de locatie van de dreef en het woningenbestand is toegevoegd.

Het is niet ongebruikelijk dat in een dichtbebost gebied straatnamen genoemd worden naar bomen die daarin voorkomen. De (Europese )lork of lariks is een boom uit de dennenfamilie (Pinaceae). Het is een sierlijke, afvallende conifeer die als sierboom in Noord- en West-Europa veel voorkomt. De takken hebben de neiging te gaan hangen met opwaarts gebogen punten. Het hout is sterk, duurzaam en harsachtig. met geelachtig spinthout en roodbruin kernhout. Het wordt gebruikt voor schuttingen, poorten, vissersboten, trappen, enzovoort. Omdat de stam bijzonder recht is, diende ze vroeger veel als telefoonpaal.

Historiek

Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noordwest gelegen van het huidig kasteel, een in hout opgetrokken toren stond, omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem duikt voor het eerst op rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.

Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een Vlaamse adelijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezel,e moet nog uitgezocht worden.

De heerlijkheid kreeg naast het eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.

Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kasteel Tillegem).

Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.

Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877), die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef  kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.

Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.

Het zuidelijke deel van het domein werd in 1879 voor het grootste deel aangekocht door Albert Van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen,(1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was toendertijd grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef) was grondgebied Loppem. 

Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889-1989) het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos.

Bij het passeren van de erfenisaktie in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied ten zuiden van de toegangsdreef tot kasteel Tillegem te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) fe begeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden). In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noordzuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een vijftal oostwest verbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef, Lorkendreef en Abelendreef). Het voorgestelde wegennetnetwerk is ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.

Het verkavelingsplan verdween vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebied, werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering van 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.

Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr 6 Sint-Andriesdreef. Het werd in opdracht van de gemeente uitgewerkt door Lucien Coppé, een bekende architect-urbanist van die tijd. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien : een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuin-stroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen, waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2,, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper cq kopers. Het BPA werd door de Sint-Michielse gemeenteraad formeel goedgekeurd in de zitting van 8 december 1956.

Samen met de Sint-Andriesdreef was de Lorkendreef een bestaande dreef die al sinds eind 18e eeuw verhard was met kasseien. Wanneer precies is niet bekend. Het eerste stuk van 260 m tussen de Sint-Andriesdreef en de toenmalige Bosweg (thans Abelendreef) werd in de periode 1956-58 gebetonneerd. Dit deel maakte deel uit van het basisnetwerk dat in die periode door eigenaar Karl Van Caloen werd aangelegd. Het tweede stuk van 140 m tot aan de rand van het huidige provinciaal domein is alleen toegankelijk voor lokaal bestemmingsverkeer en is kasseiweg gebleven. Er bestaat enige verwarring over de oorspronkelijke benaming van de dreef. In de gemeentelijke administratie is sprake van Sparrendreef, maar in de betreffende kadasterstukken wordt de dreef geregistreerd onder de naam Kasteeldreef. De laatste is een op zichzelf steekhoudende naam voor de 1 km lange dreef die recht op kasteel Tillegem uitkomt.

Het 400 m lange stuk dreef is alleen aan de noordkant bebouwd. De acht bouwkavels werden in de periode 1958-59 verkocht. De eerste bouwvergunning werd in 1962 verleend.

Begin jaren zeventig besloot de Commissie voor Straatnamen en Toponymie van de stad Brugge de oude naam Sparrendreef te wijzigen in Lorkendreef. Dit om verwarring te vermijden met de Sparrenstraat in Sint-Kruis die ook een nieuwe naam kreeg: de Zilversparrenstraat.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken