KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KRAAIENHOF

Situering

Het Kraaienhof is centraal gelegen in Leiselewijk, een eertijds laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De licht gebogen straat verbindt de Sint-Michielslaan met de Sint-Godelievelaan. De 5 meter brede betonweg is ongeveer 400 m lang, met voetpaden aan beide zijden en afwisselende groen/parkeerstroken.

Het woningenbestand telt 48 ëëngezinswoningen waarvan 15 deel uitmaken van het eerste sociale woningbouwproject in Sint-Michiels van de vroegere Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen. De Maatschappij fuseerde in 2006 met de maatschappij Haard en Kouter van Sint-Kruis en functioneert sedertdien onder de naam Vivendo. De 15 woningen zijn gegroepeerd in 3 blokken van 4, 1 blok met 2 en een woning op de hoek van ’t Groeneveld, allen met een kleine achtertuin. De overige 33 woningen zijn halfvrijstaande eengezinswoningen met een kleine voor- en achtertuin.

Het woningenbestand van de straat is hierbij toegevoegd. In de open ruimte tussen het Kraaienhof en het naburige Binnenhof is een openbare speelplein ingericht voor de kinderen uit de buurt.

De naamgeving van de straat is verbonden aan een van de legendes van de heilige Godelieve, de patroonsheilige van de Godelieveparochie, waarvan de straat deel uitmaakt. Het Kraaienhof was (en is nog steeds) onderdeel van de abdij Ten Putte in Gistel, die opgetrokken werd op de plaats waar, volgens de overlevering, de heilige Godelieve werd vermoord.

Historiek

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van het Kraaienhof in het westelijke blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.

Henri Sion, een aannemer uit Gent die in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat.
Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied, over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderenm maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “ Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.

Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.

Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.

Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) n.r 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

Ondertussen was de aanleg van het Kraaienhof al in volle gang en was de straatnaam goedgekeurd in de gemeenteraad van 29 augustus 1961.

Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen van de gemeente en tegen eind 1961 was vrijwel het gehele tracé van de straat verkocht en verkaveld in een 50-tal bouwpercelen, bestemd voor de bouw van eengezinswoningen, variërend in grootte tussen 300 en 600 m2. Een 15-tal percelen (aan de oostzijde) maakten deel uit van het “126 woningen” sociaal woningbouwproject van de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen. de rest werd verkocht aan particuliere eigenaren.

Eind 1961 werd de eerste partikuliere bouwvergunning verleend (nr. 79) en in april 1962 begon aannemer PVBA Vanden Bulcke uit Rumbeke met de bouw van de eerste sociale woningen van de Interbugse Maatschappij.

Al snel bleek dat deze eerste bouwvergunningen veel te vroeg door de gemeente waren verleend. Wat voor de eerste bewoners een spannend project was, werd een bron van frustratie en boosheid. De gemeente werd het doelwit van boze brieven, klachten en publieke uitingen van ongenoegen, vooral van de sociale woningeigenaren die hun woning op belofte van aankoop (compromis) hadden gekocht. De bestratingswerken en de aanleg van riolering kwamen pas in 1964 goed op gang en het duurde nog tot begin 1965 vooraleer de verdere inrichting en aanplantingswerken werden aanbesteed. Het gros van de overige particuliere woningen werd dan ook pas in de periode 1966-1970 gebouwd, toen de gemoederen tot rust waren gekomen.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken