KOOIDAM
Situering
De Kooidam-dreef is gelegen in het uiterste zuiden van het Tillegembos. Ze loopt vanuit de Sneppendreef in zuidelijke richting tot op een 50 meter dood op de Kerkebeek. Er is dus geen doorgaand verkeer en de weg wordt uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer.
De smalle betonbaan van 3 meter is ongeveer 300 m lang en heeft geen voetpaden of zijbermen. Vijf van de dertien aangrenzende bouwpercelen zijn nog onbebouwd gebleven. Van de 8 vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s hebben 2 hoekpanden hun toegang in de Sneppendreef en 6 in de Kooidam. Locatie en woningenbestand zijn hierbij toegevoegd.
Net als de naburige Kooidreef,verwijst de naam naar een eendenkooi een site met vijver die op een speciale manier wordt ingericht om wilde eenden te vangen. In oorsprong behoorde het zuidelijke deel van Sint-Michiels tot één van de heidevelden waarin talrijke vijvers voorkwamen. De eerste vermelding van deze moerassige vennen dateert uit de 13e eeuw in de oorkonden van de Magdalenaleprozerij. In de loop van de 18de eeuw werd begonnen met de drooglegging en bebossing ervan. Eén van de langst overblijvende vijvers was de Aendekooi of Aendepoel, waarvan het vermoeden is dat ze in de periode 1750-1760 is gedempt. Op de locatie, een kleine 300 meter ten noord-oosten van de Kooidam, is in die periode de hoeve Aandekooi gebouwd die opgenomen is in de Inventaris Onroerend Goed van de stad Brugge. Het Westvlaamse woord aande heeft dezelfde betekenis als het algemeen Nederlandse woord eend. De benaming slaat op een dam die in het drassige vaak onder water staande land werd opgeworpen om het water te keren.
Historiek
Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noordwest gelegen van het huidige kasteel, een in hout opgetrokken toren stond omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem duikt voor het eerst rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.
Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezele, moet nog uitgezocht worden.
De heerlijkheid kreeg naast het eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen in het domein hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.
Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).
Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijk deel van de gemeente Loppem.
Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879) het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd in 1879 voor een groot deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het was deels grondgebied Sint-Michiels en deels Loppem (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef). Na Alberts overlijden in 1933 en dat van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout (zeven jaar later) erfde hun zevende kind Karl van Caloen (1889-1989), dit deel van het Tillegemdomein.
Karl van Caloen was oorlogsvrijwilliger geweest in de Eerste Wereldoorlog en behaalde in 1919 een doctoraat in de rechten. In 1941, bij de afwikkeling van de erfenis, werd al duidelijk dat de familie van Caloen plannen had om het bosrijke gebied te verkavelen. De plannen verdwenen vanwege WO II in de ijskast.
De ontwikkeling van het gebied Tillegem-Zuid begon met de goedkeuring van een ontwer stratenplan, waarvan een kopie bijgevoegd is. Bij vergelijking met oudere kaarten blijkt dat het plan grotendeels gebaseerd was op het oude stervormige bosdrevennetwerk dat in dit deel van het Tillegemdomein werd aangelegd in de periode 1758-1767 door de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Le Bailly de Tilleghem. De “Sterre” was een soort mote of open plek van waaruit acht rechte dreven uitwaaierden, een structuur die nog duidelijk herkenbaar is op de primitieve kadasterkaart van 1835.
De eerste woning (nr. 2) dateert van 1963. Enkele kadastermutatieschetsen zijn in bijlage toegevoegd die het verdere verkavelingsproces in beeld brengen.
Het zuidelijke deel van het Tillegemdomein was vanwege de autosnelweg Brussel-Oostende, op een smalle tunnel na, volledig geïsoleerd van de Loppemse gemeentekern. De fusie van de Brugse randgemeenten in 1971 was een mooie gelegenheid om een grenscorrectie met Sint-Michiels c.q. de stad Brugge uit te voeren en de bevoegdheden over het hele Tillegemdomein onder het bestuur van de stad te brengen.
Ten tijde van de verkaveling was het zuidoostelijk deel van het Tillegemdomein, waar de Kooidam is gelegen, toebedeeld aan en eigendom van Roseline en Anne van Caloen, kleinkinderen van Albert van Caloen. De zusters waren met Franse edellieden getrouwd en woonden in Frankrijk. De 13 bouwpercelen werden in de periode 1971-75 aan particuliere eigenaren verkocht.
Op voorstel van de Commissie voor Toponymie en Straatnamen van de stad Brugge werd de nieuwe straatnaam Kooidam in de Brugse gemeenteraadsvergadering van 28 december 1973 goedgekeurd. De oudste villa (nr 2) dateert van 1975. De rest volgde in de periode 1976-77. Waarom de resterende 5 bouwkavels niet meer bebouwd zijn, is vooralsnog onduidelijk.




