KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KAPROENENHOF

Situering

De Kaproenenhof ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De straat verbindt, over een afstand van ongeveer 230 m, de Wagenbruggelaan met de Rietlaan. Het tracé is 12 meter breed en heeft een betonrijweg van 5 meter en een smalle groenstrook met voetpaden aan beide zijden. In dit deel van de straat zijn een 25-tal deels vrijstaande en deels gekoppelde eengezinswoningen gedomicilieerd met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin.

Ter hoogte van de Rietlaan is er nog een doorgang naar de Veeweide. In dit deel van de straat bevinden zich nog 4 vrijstaande woningen en een blok van 6 woningen dat deel uitmaakt van een sociaal woningbouwproject van de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen, bekend als het Rietlaan-project (dat in totaal 82 woningen telt).

De locatie en het woningenbestand zijn terug te vinden in de toegevoegde fotogalerij

Het Kaproenenhof heette oorspronkelijk Tempelhof, een benaming die na de fusie met de stad Brugge (in 1971) werd gewijzigd in Kaproenenhof. Een kaproen (van het Franse chaperon voor “kap”) is een kapachtig hoofddeksel dat in de vroege middeleeuwen vooral door arme mensen werd gedragen. Het was ook het herkenningsteken van paramilitaire burgergroeperingen die in enkele Vlaamse steden actief waren. Het waren protestgroepen die zich vaak gewelddadig verzetten tegen de hoge belastingen en de privileges van de autoriteiten en elite van de grote steden. De bekendste groepen waren de Witte Kaproenen (met witte puntmuts) in Gent en de Rode Kaproenen (met rode puntmuts) in Brugge. De kaproenenbeweging kreeg geen langdurige steun van de arbeidersklasse en werd snel neergeslagen door de stadsmilities en de edelen, maar bleef lange tijd een belangrijk symbool van volksverzet en sociale strijd. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, kwam de beweging opnieuw in beeld en werd ze geassocieerd met een groep extreemrechtse jongeren (zonder puntmuts) die zich verzetten tegen de politieke en sociale veranderingen van die tijd.

Historiek

Kaproenenhof ligt in het Leiselegebied, dat tot begin zestiger jaren van de vorige eeuw een laaggelegen nat gras- en weilandgebied was ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels tussen de Kerke- en Leiselebeek. Het gebied kwam in wintertijd, als overstromingsbuffer, regelmatig onder water.

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave worden in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Het gebied van de Kaproenenhof bevond zich in het westelijk blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar/bewoner, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 verkocht werd aan Henri Sion.

Henri Sion, een aannemer uit Gent die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was op dat moment al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed en thans leegstaat.

Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied, over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “ Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.

Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen. 

Burgemeester Michel Van Maele had goede banden met de familie Van Wint, van wie hij na WO II al het kasteel Bloemenoord had gekocht (en ingericht als gemeentehuis). Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.

Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden en bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen,

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen en tegen het einde van 1961 was het gehele tracé van de straat verkocht en verkaveld in een 30-tal bouwpercelen, bestemd voor de bouw van deels vrijstaande, deels gekoppelde eengezinswoningen, variërend in grootte tussen 250 en 450 m2.

Op 25 mei 1962 kreeg de nieuwe straat de officiële benaming Tempelhof, een naam die, zoals de meeste straten in de buurt, verwees naar de legende van de Heilige Godelieve, de beschermheilige van de pas opgerichte parochie in het Leiselegebied.

Al snel werd duidelijk dat de eerste bouwvergunningen te vroeg waren verleend en de gemeente zich veel te laat realiseerde hoe riskant het is om overhaast te bouwen in de winterbedding van een beek. De eerste woningen (nrs. 3, 5 en 11) werden in 1965 getroffen door ernstige wateroverlast van de naburige Kerkebeek en de aannemer van de rioleringswerken (de firma Bollaert en Cools) kon pas in de loop van 1966 aan de slag vanwege het uitblijven van de beloofde subsidiemiddelen. De commotie kwam in de lokale pers, die de gebrekkige planning en uitvoering aan de kaak stelde en uiting gaf aan het groot ongenoegen van de eerste bewoners. In de loop van 1967 bedaarden de gemoederen en kwam het bouwtraject weer op gang.

Begin januari 1971, toen de straat op een vijftal woningen na was volgebouwd, kwam de fusie tot stand tussen Brugge en de randgemeenten. Dit samengaan stelde heel wat problemen voor gelijkschakeling op administratief, organisatorisch of fiscaal gebied. Een van de problemen was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende gemeenteafdelingen. Dat was o.a. het geval voor het Tempelhof waarvan de naam overlapte met het Tempelhof in deelgemeente Sint-Pieters-op-de Dijk.

Op 22 januari 1971 werd een raadgevende commissie voor toponymie en straatnamen opgericht die zich zou buigen over het probleem. Het voorstel van de commissie om de straat in Sint-Michiels te herbenoemen in Schild- en Vriendstraat werd echter door de nieuwe Brugse gemeenteraad afgewezen. In haar vergadering van 22 december 1972 koos ze voor een alternatieve naam Kaproenenhof. De motivering ontbreekt helaas.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken