GENERAAL NAESSENS DE LONCINLAAN
Situering
De Generaal Naessens de Loncinlaan is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. In oorsprong was het gebied één van de heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers voorkwamen die pas in de loop van de 18e eeuw door de heren van kasteeldomein Tillegem werden drooggelegd en bebost.
De laan is 800 meter lang en loopt met een grote boog van de Sint-Andriesdreef langs een heidegebied in herstel naar de Emile Bethuynelaan. Ze heeft een 3 meter breed betonwegdek zonder verharde bermen of voetpaden en is afgelijnd met oude beukenbomen. In het stratenregister van de laan zijn 14 vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s opgenomen.
Op een aarden heuvel, ter hoogte van woning nrr 9, staat het Kruis der Gefusilleerden ter nagedachtenis aan acht verzetsleden die op 10 november 1942 in het bos werden geëxecuteerd (zie In Memoriam – Kruis der Gefusilleerden)
De straat is genoemd naar Victor Naessens, die als kapitein-commandant van het Fort Loncin te Luik grote verdiensten behaalde. Een synopsis van het leven van Victor Naessens is hierbij toegevoegd.
Historiek
Tillegem was een praktisch onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied waarin op een zandige verhevenheid, noordwest gelegen van het huidige kasteel, een in hout opgetrokken toren stond, omringd door diepe aarden wallen en palissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk eigendom van de eerste graaf van Vlaanderen, Boudewijn I met de IJzeren Arm. De naam Tilleghem duikt voor het eerst rond de jaren 1149 op een ongedateerde cijnsrol.
Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. In welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de graaf zijn persoonlijk bezit schonk aan de Heren van Voormezele moet nog uitgezocht worden.
De heerlijkheid kreeg een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.
Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).
Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.
Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tiillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidwestelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd in hetzelfde jaar grotendeels aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933). Hij was de zoon van Charles van Caloen (1815-1896), bouwer van het kasteel Loppem. Het was deels grondgebied Sint-Michiels en deels Loppem ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef). Na Albert’ overlijden in 1933 en dat van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889 -1989) dit deel van het Tillegemdomein. Hij was oorlogsvrijwilliger geweest in de Eerste Wereldoorlog en behaalde in 1919 een doctoraat. In 1941, bij de afwikkeling van de erfenis, werd al duidelijk dat de familie van Caloen plannen had om het bosrijke gebied te verkavelen. De plannen verdwenen vanwege WO II in de ijskast.
Na de oorlog werd het grondpercelenpatroon kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) fe begeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden).
De ontwikkeling van het gebied Tillegem-Zuid begon met de goedkeuring van een ontwerpstratenplan, waarvan een kopie bijgevoegd is. Bij vergelijking met oudere kaarten blijkt dat het plan grotendeels gebaseerd was op het oude stervormige bosdrevennetwerk dat in dit deel van het Tillegemdomein werd aangelegd in de periode 1758-1767 door de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Le Bailly de Tilleghem. De “Sterre” was een soort mote of open plek van waaruit acht rechte dreven uitwaaierden, een structuur die nog duidelijk herkenbaar is op de primitieve kadasterkaart van 1835.
Het verkavelingsproces kwam officieel op gang met de indiening van verkavelingsaanvraag VK 6214, die in december 1962 door de Loppemse gemeenteraad werd goedgekeurd. Een kaart met de geplande kavels en wegenis is bijgevoegd. De aanvraag werd namens de grondeigenaars ingediend door Gebroeders Verhaeghe, een bekend aannemersbedrijf uit Loppem. Het omvatte in totaal 23 bouwkavels, gelegen binnen de contouren van de vergunning. Zoals op de bijgevoegde kaart te zien is, werd enkel de noordzijde van de laan in de verkaveling opgenomen. De kavels aan de zuidzijde vielen daarbuiten en werden afzonderlijk ontwikkeld op basis van individuele bouwvergunningen.
De bijhorende bouwvoorschriften waren beknopt: 1) alle percelen zijn uitsluitend bestemd voor alleenstaande woningen van maximaal één bouwlaag, zonder aanbouwen. 2) slechts 1/20 van de perceeloppervlakte mag effectief bebouwd worden, 3) minstens 10 m bouwvrije stroken tussen woningen of bijgebouwen en 4) last but not least, bestaande bossen zoveel mogelijk behouden blijven, een nogal vage en vrijblijvende formulering die vandaag de dag niet meer aanvaard wordt binnen een stedenbouwkundige vergunning.
Ondertussen was het verkavelingsproces al een eind aan de gang. De eerste bouwpercelen aan wat later de Generaal Naessens de Locin-laan zou worden, werden in de periode 1961-63 verkocht aan particuliere kopers. De kavels variëren tussen de 2,500 en 3,700 m2. De eerste woningen (nrs. 4, 10 en 12) dateren van 1963-64. In bijlage zijn enkele kadaster utatieschetsen toegevoegd die het verdere verkavelingsproces in beeld brengen.
Het zuidelijke deel van het Tillegemdomein was vanwege de autosnelweg Brussel-Oostende, op een smalle tunnel na, volledig geïsoleerd van de Loppemse gemeentekern. De fusie van de Brugse randgemeenten in 1971 was een mooie gelegenheid om een grenscorrectie met Sint-Michiels cq. de stad Brugge uit te voeren en de bevoegdheden over het hele Tillegemdomein onder het bestuur van de stad te brengen.





