ESPENDREEF
Situering
De Espendreef is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. De dreef is 300 m lang en heeft een 3 meter brede betonverharding zonder zijbermen of voetpaden. Ze loopt oost-west parallel met de Generaal Naessens de Loncinlaan en verbindt de Emile Bethuynelaan in het oosten met de Onze-Lieve-Vrouwedreef in het westen. De dreef is opgenomen in het stratenregister van de stad Brugge, maar is door de verkavelaar nooit overgedragen aan het openbaar domein. Aanleg- en onderhoudskosten zijn in principe ten laste van de eigenaars maar worden welwillend door de stadsdiensten gedragen.
Van de 9 bouwpercelen zijn er 2 onbebouwd gebleven. Van de 7 vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s heeft 1 toegang in de Emile Bethuynelaan, 1 in de Generaal Naessens de Loncinlaan en 5 in de Espendreef. Locatie en woningenbestand zijn aangeduid op de toegevoegde kaart
De dreef is genoemd naar de bekende boomsoort de esp of ratelpopulier (Populus tremula) die behoort tot de wilgenfamilie (Salicaceae). Het is een boom die van nature voorkomt in de gematigde en koude streken in Europa, Noordwest-Afrika en Azië. De boom wordt in de regel ongeveer 100 jaar oud en kan 20-30 m hoog worden. Sommige bomen produceren zoveel pluis dat het lijkt of het sneeuwt. Mensen kunnen voor dit pluis allergisch zijn. De ratelpopulier werd vroeger geplant naast de “bruidssuite” van hotels. Het rustgevende geluid van de bladeren zou het jonge paar goed doen.
Historiek
Tillegem was oorspronkelijk een onbewoond, dicht bebost, moerassig gebied. Op een zandige verhevenheid ten noordwesten van het huidige kasteel stond een houten toren omringd door diepe aarden wallen en pallissaden als natuurlijke verschansing en vooruitgeschoven verdedigingspost tegen de zee. Het gebied was, waarschijnlijk om strategische redenen, persoonlijk bezit van Boudewijn I met de IJzeren Arm, de eerste graaf van Vlaanderen. De naam Tilleghem verschijnt voor het eerst rond 1149 in een ongedateerde cijnsrol.
Het grafelijke domein Tillegem werd in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adellijke familie. De omstandigheden en voorwaarden van deze schenking moeten nog uitgezocht worden. De heerlijkheid kreeg naast de eigendom van de grond ook een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij echter niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er in het dichtbeboste domein tot midden 19e eeuw nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond, waarvan de helft kinderen.
Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem, maar die gaat uitsluitend over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen).
Onder het Franse revolutionaire bewind werden alle feodale bestuursstructuren van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Bij de vorming van de gemeenten werden de grenzen van de kerkelijke parochies als basis genomen. Voor de heerlijkheid Tillegem betekende dit dat het noorden van het domein grondgebied van de nieuwe gemeente Sint-Michiels werd en het zuidelijke deel van de gemeente Loppem.
Bij de eerste opmeting van het Belgisch kadaster in 1835 was de toenmalige heer van Tillegem, Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) net overleden. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas na het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem. (1822-1877) die getrouwd was met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig verkeerde in zware financiële problemen en besloot de riante erfenis te gelde te maken. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd in 1879 grotendeels aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het was deels grondgebied Sint-Michiels en deels Loppem (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef). Na Alberts overlijden in 1933 en dat van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout zeven jaar later erfde het zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889-1989), dit deel van het Tillegemdomein.
Karl van Caloen was oorlogsvrijwilliger geweest in de Eerste Wereldoorlog en behaalde zijn diploma van doctor in de rechten in 1919. Bij het passeren van de erfenisaktie in 1941 werd al duidelijk dat de familie van Caloen plannen had om het bosrijke gebied te verkavelen. De plannen verdwenen vanwege WO II in de ijskast.
Na de oorlog werd het grondpercelenpatroon kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken waren (en zijn nog steeds) zeer begeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden).
De ontwikkeling van het gebied Tillegem-Zuid begon met de goedkeuring van een ontwerpstratenplan, waarvan een kopie bijgevoegd is. Bij vergelijking met oudere kaarten blijkt dat het plan grotendeels gebaseerd was op het oude stervormige bosdrevennetwerk dat in dit deel van het Tillegemdomein werd aangelegd in de periode 1758-1767 door de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Le Bailly de Tilleghem. De “Sterre” was een soort mote of open plek van waaruit acht rechte dreven uitwaaierden, een structuur die nog duidelijk herkenbaar is op de primitieve kadasterkaart van 1835.
Het verkavelingsproces kwam officieel op gang met de indiening van verkavelingsaanvraag VK 6214 die in december 1962 door de Loppemse gemeenteraad werd goedgekeurd. De aanvraag werd namens de grondeigenaars ingediend door Gebroeders Verhaeghe, een bekend aannemersbedrijf uit Loppem. Het omvatte in totaal 23 bouwkavels, gelegen binnen de contouren van de vergunning. De nieuwe Espendreef lag volledig binnen het plangebied en vormde de centrale ontsluitingsas van het verkavelingsproject. Een kaart met de geplande kavels en wegenis is bijgevoegd.
De bijbehorende bouwvoorschriften waren beknopt: 1) alle percelen zijn uitsluitend bestemd voor alleenstaande woningen van maximaal één bouwlaag, zonder aanbouwen. 2) slechts 1/20 van de perceeloppervlakte mag effectief bebouwd worden, 3) minstens 10 m bouwvrije stroken tussen woningen of bijgebouwen en 4) last but not least, bestaande bossen zoveel mogelijk behouden blijven, een nogal vage en vrijblijvende formulering die vandaag de dag niet meer aanvaard wordt binnen een stedenbouwkundige vergunning.
In afwachting van de verkavelingsgoedkeuring waren de wegeniswerken uitgevoerd en alle bouwkavels al verkocht. De eerste kavels aan de nieuw aangelegde Espendreef waren al in de periode 1957-1959 verkocht, o.a. aan de uit Vladslo afkomstige familie de Crombrugghe de Piquendale en de Gebr. Verhaeghe, indieners van de verkavelingsaanvraag. De kaveloppervlakten variëren tussen de 2.500 en 3.700 m2.
De eerste woning (nr. 2) dateert van 1963. In bijlage zijn enkele kadastermutatieschetsen toegevoegd die het verdere verkavelingsproces in beeld brengen.
Het zuidelijke deel van het Tillegemdomein was vanwege de autosnelweg Brussel-Oostende, op een smalle tunnel na, volledig geïsoleerd van de Loppemse gemeentekern. De fusie van de Brugse randgemeenten in 1971 was een mooie gelegenheid om een grenscorrectie met Sint-Michiels cq. de stad Brugge uit te voeren en de bevoegdheden over het hele Tillegemdomein onder het bestuur van de stad te brengen.



