TEN BRIELE NOORD
Situering
De huidige Ten Brieleweg vormt de zuidergrens van het Ten Briele-Noordgebied dat ten oosten van de dorpskern van Sint-Michiels tussen de spoorlijn en het kanaal Brugge-Gent ligt. Het is de site van het vroegere metaalconstructiebedrijf en spoorwegmateriaalproducent SA la Brugeoise et Nivelles. De Belgische metaalverwerkende nijverheid kwam in de jaren tachtig van de vorige eeuw onder internationale concurrentiedruk in een recessie terecht, met een grote uitstoot van arbeidsplaatsen als gevolg. Zoals verder besproken, overleefde het Brugse bedrijf de herstructureringen die volgden, zij het in afgeslankte vorm. De afslanking maakte de weg vrij voor gedeeltelijke herinrichting van het 45 ha grote bedrijfsterrein.
Het meest zuidelijke deel van de site werd in de loop van de jaren negentig verkocht aan de stad Brugge voor de inrichting van een nieuw recyclagepark, aan Syntra-West, dat er een nieuw trainings- en opleidingscentrum bouwde, en aan een private projectontwikkelaar die er het Vaartdijk Business Centre vestigde, dat kantoorruimte en diensten aanbiedt aan bedrijven en ondernemers.
Het meest noordelijke deel werd verkocht aan de openbare vervoersmaatschappij De Lijn en het Vrij Technisch Instituut.
De herinrichting van het oude la Brugeoise-bedrijfsterrein is weergegeven op deze kaart. .
Historiek
Tot begin twintigste eeuw was het gebied tussen de dorpskern van Sint-Michiels en de Leye (later kanaal Brugge-Gent) een grotendeels braakliggend en onbewoond terrein. Het werd in oost-westrichting doorkruist door een zanderige landweg die vanuit de dorpskern van Sint-Michiels liep tot aan de Leye met een overzet naar de weg van Brugge naar Kortrijk (thans Baron Ruzettelaan). De landweg heette toen Sint-Janshuisdreve, genoemd naar het Sint-Janshospitaal, de toenmalige eigenaar van het gebied.
Midden in het gebied, langs de landweg, lag het Lappersfort, een verdedigingspost die deel uitmaakte van een verdedigingslinie langs de Leye tegen de Franse invallen en bendes vijandelijke plunderaars. Wanneer het fort precies werd opgericht, is onbekend. In zijn toponymie van Westelijk West-Vlaanderen inventariseerde de Brugse letterkundige en historicus Karel de Flou een aantal bronnen die refereren naar het bestaan van het fort. De oudste dateert van 1580.
Er bestaat overigens veel onduidelijkheid en onzekerheid over de herkomst of betekenis van de naam Lappersfort. Er zijn nog veel toponiemen met het element Lapper: Lapperbeke in Meulebeke (1661), den Lappersbusch, (1724) den Lappers bosch in Oostkamp, 1540 het Lapperkin, een stuk land in Ardooie, 1498 Lapperkins pit in Stavele, 1623 lappers braecke in Zedelgem, 1698 Lappersdijcq in Beveren-Roeselare, 1695 het Lappershof in Aartrijke, 1687 het Lappershof in Loker, het Lappershol in Sint-Laureins, 1650 Lappers pitten in Hooglede, 1680 ‘t Lappersticq in Zerkegem, 16de eeuw Lapperstratkin in Poperinge, 1609 ‘t Lapperswal in Krombeke en Westvleteren.
Heemkundigen De Flou en Franchoo zien in lapper de naam van een soort snip. De genitiefvorm lappers van een vogelnaam is echter ongewoon. Een alternatieve verklaring zou zijn dat het gaat om een fort gebouwd door De Lapper, maar daar zijn geen concrete aanwijzingen voor.
De verdedigingspost werd in de Spaanse tijd uitgebouwd tot een militair fort. In de ommeloper van de Paallanden van de Stad Brugge wordt de landweg beschreven als “de wegh die naer ’t Lappersfort loopt”. De Leye was toen al verdiept en verbonden met de Zuidleie in Gent en functioneerde niet enkel als waterweg maar ook als Spaanse verdedigingslinie tegen de Republiek der Zeven Provinciën, die zich in 1648 had afgescheiden,
Op de Ferrariskaart (1770-1778) is te zien hoe de dreef (afgeboord met bomen) van Sint-Michiels tot aan het kanaal liep en aan de overzijde doorloopt tot de steenweg naar Kortrijk (nu Baron Ruzettelaan).
Ter hoogte van de straat was er aan de “Gentse Vaart” een aanlegplaats van de veerdienst Brugge-Gent (door de mensen de markadène genoemd) en een overzet. De veerdienst was een nachtbargedienst die, twee of drie keer per week ’s avonds om 10 uur naar Gent vertrok. Een bekende schippersfamilie was de familie Torreborre die de veerdienst jarenlang uitbaatte. Bij de overzet, ’t Overspel genaamd, stond ook een herberg waar de passanten van de overzet en passagiers van de veerdienst konden verpozen.
Om vanuit Sint-Michiels de veerdienst en overzet te bereiken, lag er een houten brugje over het Zuidervaartje dat op een afstand van een twintigtal meter parallel met de Leye liep (en nog steeds loopt). Heemkundige Gerard Franchoo heeft uitgezocht hoe het brugje, dat later vervangen werd door een stenen brug, aan de naam Wasschiggebrugghe of Wasschersbrugge kwam. Hij veronderstelt dat het toponiem iets met “de waschte” of wasplaats te doen heeft, maar dat is niet zeker.
Welke functie het Lappersfort toen nog had, is niet bekend. In de Franse tijd werden alle eigendommen van het Sint-Janshospitaal in beslag genomen en onder beheer gebracht van de Burgerlijke Godshuizen van de stad Brugge. Gerard Franchoo omschreef het fort als “ver van de wereld, verlaten in de meersen tegenaan het Zuidervaartse gewad tussen lis en riet, lucht en stilte was voor het wild een echt leutig, vrij en onbezonnen bestaan”.
De straat, het fort en de Wasschiggebrugghe met herberg zijn terug te vinden op de primitieve kadasterkaart van 1835 die in bijlage is toegevoegd.
Na de aanleg van de spoorlijn Gent-Brugge in 1838 kreeg de oude, ingekorte Sint-Janshuisdreef de naam Moordenaarsstraat. Langs de onbewoonde, zandige landweg was het er ‘s avonds zonder olie of petrollamp altijd pikkedonker. Of er in de straat ook moorden gepleegd werden of moordenaars woonden is niet bekend, maar dat er langs gevreeën werd, is zeker. Op de kruising met de spoorweg kwam toen een gelijkvloerse spoorwegovergang.
Ateliers de Construction, Forges et Aciéries de Bruges
Rond de eeuwwisseling kwam er een abrupt einde aan de landelijke rust in het gebied. De Société Anonyme Ateliers de Construction, Forges et Aciéries de Bruges was op zoek naar een betere vestigingsplaats en sloot een deal met eigenaar Burgerlijke Godshuizen om het hele gebied rond het Lappersfort aan te kopen. Het braakliggende terrein was strategisch gunstig gelegen aan de spoorlijn Gent-Brugge en het kanaal, en bood alle mogelijkheden tot uitbreiding.
Ateliers de Construction was een ijzergieterij die in de Brugse binnenstad was gevestigd. Het bedrijf was in 1891 ontstaan uit een fusie van de ijzergieterijen van Joseph De Jaegher en zijn schoonbroer Ferdinand Feldhaus. Naast een ijzer- en staalgieterij, omvatte het een werktuigmakerij, een smidse, een bankwerkplaats, een loods voor de constructie van rollend spoorwegmateriaal, een magazijn, een directeurswoning en vijf arbeiderswoningen. De gieterij behoorde destijds tot de grootste metaalbedrijven van het land, maar kampte met ruimtegebrek binnen de grenzen van de oude binnenstad.
La Brugeoise (1905-1956)
Het Lappersfort, de herberg en het brugske over het Zuidervaartje werden in 1902 gesloopt om plaats te maken voor de werkhuizen van de Ateliers de Construction die in 1905 de nieuwe naam Société Anonyme la Brugeoise kreeg. Van de Wasschersbrugge zijn enkel de bruggenhoofden bewaard gebleven. Bij de start in 1905 verdienden ruim 1,500 werklieden er hun brood. In 1913 volgde een fusie met Parmentier, Nicaise en Delcuve uit La Louvière. De bedrijfsnaam werd dan ook uitgebreid tot la Brugeoise, Nicaise en Delcuve.
Tijdens WO I werd de fabriek als Duits artilleriedepot ingericht en werden er kanonnen en granaten vervaardigd. Als doelwit van de geallieerde luchtaanvallen kwam het machinepark en de bedrijfsgebouwen zwaar gehavend uit de oorlog. De bank Société Générale de Belgique werd na de oorlog grootaandeelhouder.
In de daaropvolgende wederopbouwperiode ontving het bedrijf tal van prestigieuze opdrachten. Bruggen en spoorwegen moesten snel worden hersteld en uitgebreid, wat zorgde voor een sterke groei. Ook internationaal groeide de reputatie van het bedrijf. Catalogi uit de jaren 1920 getuigen van een indrukwekkende reeks bestellingen en gerealiseerde projecten in tal van landen. Vooral het spoorwegmaterieel genoot wereldwijde bekendheid. Naast goederenwagons produceerde het bedrijf ook diverse wagontypes en tramstellen, o.a. voor de spoorwegen in Argentinië, Hongarije en Griekenland. De Haagse Trammaatschappij (HTM) was de eerste klant die tramstellen bestelde.
Brugeoise et Nivelles (BN) (1956-1988)
In 1956 kwam een nieuwe fusie tot stand met de Ateliers Métallurgiques de Nivelles. Twintig jaar later fuseerde het bedrijf andermaal met Construction Ferroviaires du Centre en kreeg de nieuwe naam Brugeoise et Nivelles Construction Ferroviaires et Metalliques (BN). Naast de kerntaak productie van spoorwegmaterieel, vervaardigde het bedrijf ook tal van andere producten, zoals containers, kranen, liften, sluizen, gespecialiseerd ketelwerk voor de kernindustrie en suikerraffinaderijen en precisiemechaniek voor de autosector. Daartoe sloot BN samenwerkings- en licentieovereenkomsten af met diverse staalconstructiebedrijven, waarvan de Amerikaanse Clark Equipment Company de belangrijkste was. Er werkten toen een kleine 3.000 mensen.
Bombardier (1988 – 2020)
In de jaren tachtig kwam BN in zwaar weer terecht. De metaalconstructie- en spoorwegindustrie kreeg te kampen met overcapaciteit en toenemende buitenlandse concurrentie. Licentieovereenkomsten o.a. met Clark Equipment werden niet meer verlengd en er volgden bijna om de twee jaar pijnlijke ontslagrondes. In 1986 sprak BN-directeur Simonart – bij de introductie van een nieuw dubbeldeksvoertuig voor de NMBS – over “de jonge wolven die de oude beren zullen verdringen”. Weinigen beseften toen dat hij daarmee doelde op het Canadese Bombardier. In een wereldwijd consolidatieproces verwierf het Canadese Bombardier, nog in hetzelfde jaar, 45 procent van de aandelen van BN en vanaf 1988 werd het concern hoofdaandeelhouder. Toen was het bedrijf reeds voor een derde afgeslankt tot nog slechts een duizendtal personeelsleden. Een aantal nevenactiviteiten werd afgebouwd en de focus verschoof volledig naar spoorwegmaterieel.
Het jaar 1990 was nog een klein hoogtepunt toen de Brugse Bombardier-vestiging de opdracht kreeg de Eurostar Shuttle te bouwen van de Kanaaltunnel. Daarna volgden nog orders voor Bombardier Voyager-class treinen voor de spoorwegen van Groot-Brittannië en tramstellen voor Rotterdam, Brussel en de Dockland Railways.
In deze periode werkten er nog een 800-tal mensen in het bedrijf, maar na de levering van 210 dubbeldekstreinen aan de NMBS (in 2003) bleef het orderboek leeg en volgde een nieuwe ontslagronde. Het orderboek bleef mondjesmaat gevuld en tegen het eind van 2018 was het personeelsbestand gedaald tot ongeveer 300 mensen.
Alstom (2020-)
In september 2020 gloorde er opnieuw hoop voor de vestiging toen in de pers bekend raakte dat de transportdivisie van Bombardier werd overgenomen door het Franse Alstom, de belangrijkste concurrent op de Europese spoorwegmarkt. De overname werd aanvankelijk met voorzichtig optimisme onthaald. Het vertrouwen leek al snel gerechtvaardigd. Kort na de integratie werd de assemblage van 200 M7-dubbeldekrijtuigen voor de NMBS aan de vestiging toegewezen. Niet veel later volgde een bijkomende bestelling van 100 rijtuigen. Om deze productie te realiseren, werd een extra productielijn geopend, goed voor een investering van 6 miljoen euro en de creatie van 180 arbeidsplaatsen. De heropleving was van koerte duur. Toen in 2025 een belangrijke NMBS-bestelling aan een Spaanse concurrent werd gegund, kwam de kwetsbare positie van de Brugse Alstom-vestiging opnieuw aan het licht. Hoewel bij dergelijke aanbestedingen meerdere factoren een rol spelen, zoals prijs, kwaliteit en technische criteria, vormt de concurrentie van producenten in landen met lagere loonkosten een blijvende uitdaging. Daardoor kwam de toekomst van de vestiging opnieuw op losse schroeven te staan en groeide de onzekerheid over haar verdere activiteiten.
Herinrichting terrein
Toen duidelijk werd dat de goede oude tijden niet meer terug zouden komen, verkocht Bombardier, en later Alstom, in de loop van de jaren grote stukken van het bedrijfsterrein waar de oude BN-werkplaatsen stonden te verkommeren. Anno 2025 is ongeveer nog de helft in gebruik van de huidige eigenaar Alstom.
Een eerste opvallende transactie was de verkoop van de oude electriciteitscentrale, een immense hal, die al jaren leegstond, maar beschermd erfgoed was. Dankzij een particulier initiatief werd het gebouw omgevormd tot een evenementenhal.
Een andere belangrijke herbestemming betrof de oude montagehal van Clark Automotive, gelegen langs de spoorlijn Brugge-Gent, die in 1997 in handen kwam van de Amerikaanse multinational DANA Spicer Off-Highway Products, producent van versnellingsbakken, assen, koppelomvormers en aandrijflijnen.
In het zuiden van het terrein werd in 2008 een zone van 350 bij 150 m langs de Ten Brieleweg verkocht. De locatie maakte tot 2007 deel uit van de sportaccommodatie van de werkhuizen la Brugeoise, die al enige jaren niet meer in gebruik was. Het grootste deel van het 4 ha grote terrein (2,7 ha) werd aangekocht door Syntra-West voor de bouw van een nieuwe opleidingscampus. SYNTRA was sinds 2003 de nieuwe benaming van de Centra voor Middenstandsopleiding in Vlaanderen die opleidingen aanbieden voor zelfstandigen en kmo’s.
Het resterende stuk van ongeveer 1,3 ha werd in 2008 aangekocht door de stad Brugge voor de inrichting van een nieuw milieupark, in de volksmond beter bekend als containerpark. Het opende in juni 2010 de deuren en telde in dat jaar alleen al 80.000 bezoekers.
In het noorden van het terrein, met toegang tot het station van Brugge, werd een zone verkocht aan de vervoersmaatschappij De Lijn en het Vrij Technisch Instituut (VTI). de Lijn, het extern verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse Overheid voor het stedelijk en regionaal openbaar busvervoer, had dringend nood aan uitbreiding. De stelplaats aan het Gaston Roelandtsplein in Assebroek werd te klein om de groei van het openbaar vervoer op te vangen. Het duurde uiteindelijk nog tot 2010 vooraleer de nodige financiële middelen ter beschikking kwamen voor de bouw en inrichting van de nieuwe stelplaats. Het terrein van 6,5 ha werd in 2009 aangekocht en in 2011 nam de maatschappij zijn intrek op de nieuwe locatie.
Het Vrij Technisch Instituut (VTI) zocht al sinds de jaren negentig naar een nieuwe locatie. De verouderde gebouwen aan de Boeveriestraat voldeden niet langer aan de vereiste normen op vlak van functionaliteit, energieverbruik, brandveiligheid en logistiek. Met het oog op de toekomstige verhuis, kocht de inrichtende macht van de school (Bisdom Brugge) in 2009 een terrein van ca 2 ha aan de Vaartdijkstraat van Bombardier. Pas tien jaar later kwamen de nodige financiële middelen beschikbaar voor de nieuwbouw. Het nieuwe, indrukwekkende schoolgebouw, met een vloeroppervlakte van 17.500 m2 werd in recordtempo gerealiseerd en op 1 september 2022 officieel in gebruik genomen.
Tenslotte werd nog een terrein van ongeveer 1 ha langs het kanaal Brugge-Gent verkocht aan een projectontwikkelaar voor de bouw van het Vaartdijk Business Centre, een bedrijvenpark dat past binnen de herwaardering van het industriële kanaalgebied.