INDUSTRIE
Tot het begin van de 20ste eeuw bevond het commercieel en industrieel hart van de gemeente Sint-Michiels zich in de wijk Steenbrugge, langs de Gentse Vaart die, tot het aanleggen van de spoorweg Oostende-Brugge-Gent in 1838, een van de grote verkeersaders was van het graafschap Vlaanderen.
Langs de Gentse vaart lagen enkele kleine loskaaien in privébezit. Begin 19e eeuw kreeg ondernemer Van Acker toestemming om er een door paarden aangedreven oliemolen op te richten. In de periode 1830-1840 is sprake van een stijfselfabriek en een azijnstokerij. In 1851 kreeg de ondernemersfamilie Baert-Van Neste de toelating om een stoommachine te plaatsen voor een imposante olieslagerij, die ook gebruikt zou worden voor het malen van graan. Het was de eerste stoommachine op de gemeente. De kleine industriële kern zou de volgende jaren niet veel meer groeien en na WO II volledig uitgefaseerd worden.
De eerste grote industriële vestigingen in Sint-Michiels verschenen pas begin 20e eeuw in het iets noordelijker gelegen gebied tussen de Gentse Vaart en de spoorweg Brugge – Gent. Het laaggelegen, enigszins moerassige terrein van ongeveer 100 ha was vrijwel onbewoond en begroeid met kreupelhout, doornstruiken en ander struikgewas. Met directe toegang tot water en spoor was het de ideale locatie voor de vestiging van het metaalconstructiebedrijf S.A. La Brugeoise en de Fabrique Nationale d’Armes de Guerre de Herstal (FN), de bekende Luikse producent van munitie en vuurwapens. De verdere geschiedenis van beide bedrijven wordt in de volgende bijdragen besproken onder de rubrieken Ten Briele Noord en Ten Briele Zuid, verwijzend naar de ligging ten opzichte van de (huidige) Ten Briele weg.
In de jaren zestig zette de ambitieuze burgemeester Michel Van Maele zich actief in om nog meer grotere bedrijven naar Sint-Michiels te halen. Onroerendgoedmakelaar Maurice Ballegeer werkte, in samenspraak met en in opdracht van de gemeente, verkavelingsplannen uit voor nieuwe woonwijken ten zuiden (Leiselewijk) en ten westen (ter Linden) van de dorpskern van Sint-Michiels. Daarin werd (beperkte) ruimte voorzien voor de vestiging van industriële bedrijvigheid die de werkgelegenheid ten goede moest komen.
Met financiële steun van de gemeente vestigden zich uiteindelijk twee middelgrote industriële bedrijven in de gemeente die met veel tamtam werden onthaald: het Assebroekse familiebedrijf Mechanische Constructie Watteeuw en de Amerikaanse autobussenbouwer Bus & Car Company. Het liep in beide gevallen niet goed af. Anno 2025 herinnert enkel nog een straatnaam aan het Watteeuw-bedrijf dat in de Leiselewijk te kampen kreeg met ruimte- en toegankelijkheidsproblemen.
De Texaanse bussenbouwer aan de Koningin Astridlaan kwam al na zes jaar in de problemen. Het bedrijf overleefde nog een twintigtal jaren onder andere eigenaren, maar sloot in 1988 definitief de deuren. Vandaag blijft alleen het skelet van de kantoor- en productiehallen die onderdak bieden aan een 30-tal KMO’s.
Wat er zich allemaal afspeelde is samengevat in de volgende flashback die ons meeneemt naar de sixties, een periode die oudere Sint-Michielsnaren zich nog levendig herinneren.




