VELDHOENDREEF
Situering
De Veldhoendreef is gelegen in de dicht beboste, zuidwestelijke helft van deelgemeente Sint-Michiels. In oorsprong was het gebied één van de heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers voorkwamen die pas in de loop van de 18e eeuw door de Heren van kasteeldomein Tillegem werden drooggelegd en bebost.
De dreef, ongeveer 230 meter lang en 3 m breed, verbindt de noord-zuid lopende Kooidreef en Sint-Andriesdreef. Het is niet veel meer dan een met grind verharde boswegel zonder verdere infrastructurele voorzieningen. De dreef is opgenomen in het stratenregister van de stad Brugge maar is geen openbaar domein. Aanleg- en onderhoudskosten zijn in principe ten laste van de belendende eigenaars.
Van de 10 aangrenzende bouwpercelen hebben er 7 toegang tot de dreef; de overige hebben hun toegang aan de Kooidreef (1) en de Sint-Andriesdreef (2). In alle gevallen gaat het om vrijstaande eengezinsresidentiële villa’s op bospercelen die variëren tussen de 1.500 en 2.800 m2. Een kaart met de ligging van de dreef en het woningenbestand is toegevoegd in bijlage.
De dreef is genoemd naar de veldhoen of patrijs (Perdix perdix), een bekende akkervogel uit de familie van de fazanten (Phasianidae) met een verspreidingsgebied dat zich over grote delen van het Europese continent uitstrekt. De naam refereert aan het verleden van het Tillegemdomein als jachtgebied.
Historiek
De historiek van het Tillegemdomein gaat terug tot de 11e eeuw en wordt besproken in een apart hoofdstuk. In oorsprong behoorde het zuidelijke deel van Sint-Michiels tot een van de heidevelden waarin talrijke moerassige vennen en vijvers voorkwamen. Pas in de loop van de 18e eeuw werd begonnen met de drooglegging en bebossing ervan. In de jonge bossen werden door de toenmalige eigenaars dreven aangelegd.
Bij de eerste opmeting van het kadaster in 1835 was het kasteeldomein ongeveer 80 ha groot. Kasteelheer Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) was toen net gestorven. Het werd een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem (1822-1877). Hij was gehuwd met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarige nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrétien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel werd in 1879 voor het grootste deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896) bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was toendertijd grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef) was grondgebied Loppem.
Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen (1889-1989) het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos. Bij het passeren van de erfenisakte in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied ten zuiden van de toegangsdreef tot kasteel Tillegem te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) felbegeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden (en nog bieden). In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noord-zuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een viertal oost-westverbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef en Abelendreef). Het voorgestelde wegennetwerk is ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.
Het verkavelingsplan verdween vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebiedm werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering van 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.
Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr.6 Sint-Andriesdreef dat in bijlage is toegevoegd. Het werd in opdracht van de gemeente uitgewerkt door Lucien Coppé, een bekende architect-urbanist van die tijd. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien, een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non-aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuinstroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden, 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2,, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper c.q. kopers.
Een meer gedetailleerde uitwerking van het verkavelingsplan is terug te vinden op de kadastermutatieschets 1956-61 die in bijlage is toegevoegd. Het document werd door de Sint-Michielse gemeenteraad formeel goedgekeurd in de zitting van 8 december 1956. Het verkavelingsproces is weergegeven in een drietal mutatieschetsen die in bijlage zijn toegevoegd.
Zoals ook nog elders opgemerkt, was het toezicht op de naleving van de bouwvoorschriften in het begin gebrekkig. Wellicht speelde ook de status van de verkoper, een prestigieuze adellijke familie, enige rol in de losse gang van zaken. De afgesproken betonverharding is er nooit gekomen. Noch de verkopende familie van Caloen noch de kopers van de grond hadden daar kennelijk behoefte aan. Het tracé van de dreef is ook nooit overgenomen door de gemeentelijke overheid en de primitieve voorzieningen zijn op kosten van de kopers aangelegd. Alhoewel de dreef het karakter van een openbare weg heeft, is ze in principe privaat bezit.
Ondertussen was alle grond aan het toekomstige tracé van de nieuwe (Veldhoen) dreef begin jaren vijftig al verkocht. De eerste volwaardige woning verschijnt op de kadasterkaarten van 1958 en 1959. De eigenaren van de overige 6 kavels waren minder haastig met bouwen. In die jaren was er geen bouwverplichting en hadden, zoals ook elders in het Tillegembos, veel bouwkavels lange tijd een recreatieve functie, vaak bebouwd met weekendhuisjes. Het huis naast de oudste woning (nr. 4) bv. dateert van 2011.
De dreef kreeg in eerste instantie de naam Patrijsdreef toebedeeld. Om spraakverwarring met de gelijknamige Patrijzenweg in Sint-Andries te vermijden werd de naamgeving, ter gelegenheid van de fusie van Groot-Brugge, in 1970 gewijzigd in Veldhoendreef. Patrijs en veldhoen zijn twee verschillende namen voor dezelfde vogel.





