KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

WITTE MERELDREEF

Situering

De Witte Mereldreef ligt in een residentiële wijk in het westen van deelgemeente Sint-Michiels, ten noorden van het Tillegembos. De dreef verbindt, in een ruime bocht, de Graaf Pierre de Brieylaan met de Wittemolenstraat. Ze bestaat uit drie stukken, gescheiden door de kruispunten met Nachtegalendreef en de Vogelzangdreef, de voormalige toegangsdreef van kasteeldomein Vogelzang.

De dreef is ongeveer 460 m lang en heeft een 5,5 m brede geasfalteerde rijweg, zonder voetpaden, maar met een 1 m smalle groene bermstrook. Ze is ongeveer halverwege, ter hoogte van de kruising met de Vogelzangdreef, over een afstand van ongeveer 60 m onderbroken; een ongewone situatie die ontstaan is door de weigering van een grondeigenaar om voldoende grond af te staan voor de volledige doortrekking van de dreef tot aan de Witte Molenstraat (zie verder). Er is alleen een doorgang voor fietsen en voetgangers.

De dreef telt in totaal een 16-tal vrijstaande eengezinswoningen op bouwpercelen, variërend in grootte tussen  900 en 1,500 m2. Het woningenbestand is ingetekend op bijgevoegde kadasterkaart.

De naamkeuze van de dreef sluit aan bij die van nabijgelegen straten die naar vogelsoorten verwijzen: de Vogelzangdreef en de Nachtegalendreef. Voor wie het niet mocht weten, de merel (Turdus merula) is een vogel uit de familie van de lijsters (Turdidae). De naam komt van het Latijnse woord voor merel, merula. De merel is een van de bekendste soorten van deze lijsterfamilie. Soms komen bij merels witte exemplaren voor. Volledig witte vogels met rode ogen zijn albinos. Daarnaast bestaat er bij merels ook een afwijking die leucisme heet (Grieks leukos = wit). Bij leucisme gaat er bij de ontwikkeling van het vogelembryo iets mis bij de vorming van de pigmentcellen. Dergelijke vogels vallen door hun afwijkende kleur sterker op voor roofvogels en slagen er zelden in om een territorium te veroveren of jongen groot te brengen.

Historiek

Begin 18e eeuw was het gebied dat vandaag afgebakend wordt door de huidige Torhoutse Steenweg, Koningin Astridlaan, Xaverianenstraat en Tillegemdomein (ongeveer 100 ha) in het bezit van de familie de Heere. Het was toen een vrijwel onbewoond en grotendeels bebost landelijk gebied.

De stamvader Bruno-Maximilien de Heere (1751-1815), baron van Heere en Beauvoorde, was de laatste schout van de stad Brugge onder het Oostenrijks bewind. Hij was een vermogend man met talrijke eigendommen in het gebied van het Brugse Vrije. Hij was gehuwd met Jeanne Papeians de Morchoven (dit van der Strepen) met wie hij zes kinderen had. Het gezin woonde in een groot herenhuis op de Markt van Brugge. Enkele jaren vóór zijn overlijden schonk de stamvader het gebied aan van zijn kinderen. Eugénie kreeg het westelijke deel van het gebied langs de Torhoutse Steenweg (het latere Vogelzangdomein). Haar 4 jaar jongere zuster Rosalie kreeg het grotere deel tussen de huidige Graaf Pierre de Brieylaan en de Xaverianenstraat (het latere domein ter Linden).

Op de eerste Belgische kadasterkaart van 1835 staat het westelijk deel van het gebied geregistreerd op naam van Eugénie de Heere de Beauvoorde (1784-1873). Ze was in 1802 gehuwd met Joseph-Guillaume (Willem) Kervyn (1767-1837), telg uit een Oost-Vlaamse familie die al sinds de 15de eeuw belangrijke ambten bekleedde in Eeklo en Gent en in 1766 in de adelstand werd verheven. Het echtpaar bouwde er in 1813 het kasteel Vogelzang. Een paar foto’s van het oude kasteel zijn in bijlage toegevoegd,

Het Vogelzangdomein was toen niet zo groot (zie op de kaart rood gearceerd gebied). Kasteel en omgevend park waren bereikbaar via een ongeveer 600 meter lange dreef vanaf de Torhoutse Steenweg, op de Buurtwegenkaart van 1844 aangeduid als “chemin privé”. Later zou de dreef de toepasselijke naam Vogelzangdreef krijgen..  

Het kasteel bleef bijna een eeuw in het bezit van de familie Kervyn. Meer details over zijn bewoners zijn terug te vinden in een aparte bijdrage (zie Kastelen – kasteel Vogelzang). Henri Kervyn (1856-1928) was de laatste adellijke bewoner. Een korte synopsis van zijn leven is hierbij toegevoegd. Na zijn overlijden in 1928 verkochten zijn erfgenamen – de weduwe en een nicht – het kasteel en bijhorende landerijen, waarna het domein werd verkaveld.

Het kasteel en omliggend park van ongeveer 3 ha werd in 1931 verkocht aan de Brugse sociale huisvestingmaatschappij Eigen Huis. De overige landerijen, bestaande uit een 35-tal onbewoonde en grotendeels beboste percelen, werden voor ongeveer de helft verkocht aan grootgrondbezitters en Brugse nijveraars Remi Hermans en Charles vander Cruyssen en de andere helft aan de Brusselse vastgoedvennootschap Société Immobilière Bernheim.

In onderling overleg stelden de nieuwe eigenaars een verkavelingsplan op dat ruimte voorzag voor vrijstaande residentiële woningbouw. In die tijd was er nog geen sprake van overheids- laat staan gemeentelijke ruimtelijk beleid of bouwkundige voorschriften.

De betrokkenheid van de gemeente kwam er pas na WO II toen het hoofdbestuur Stedebouw van het Ministerie van Openbare Werken een schrijven richtte aan alle gemeentebesturen waarin ze aangemaand werden het grondgebied systematischer te ordenen en een proces op te starten om de leefruimte planmatiger te benutten en in te richten. Gemeente-ingenieur Dinneweth werd in februari 1946 aangesteld als “urbanist”. Voorstellen of aanvragen voor de aanleg van nieuwe straten of herinrichting van het gemeentelijk grondgebied (of delen daarvan) zouden door de gemeente voortaan getoetst worden aan een BPA (Bijzonder Plan van Aanleg) dat informatie verschaft over de bestemming en inrichting van open of bebouwde ruimtes. Het duurde nog wel enige tijd vooraleer de planningsprocedure effectief in werkelijkheid op gang kwam.

Voor het zuidelijke deel van de Vogelzangverkaveling werd geen BPA opgemaakt. De Brusselse urbanist-architect Huyghebaert kreeg wel opdracht van de gemeente een globaal urbanisatieplan voor het Tillegemwijkgebied te formuleren, waarvan een kopie hierbij is toegevoegd.

Op basis van dit basisplan werkte gemeenteingenieur Amand Jonckheere het Verkavelingsplan Tillegemwijk (VK 6541) uit, dat in de loop van 1965 goedgekeurd werd door de gemeenteraad van Sint-Michiels. Voornaamste elementen van het plan waren: verlenging van de (Witte) Molenstraat tot aan de Torhoutse Steenweg, verlenging van de Graaf Pierre de Brieylaan, Dianadreef, Vogelzangdreef en en Nachtegalendreef en de aanleg van een nieuwe dreef, de latere Wittemereldreef.

Het grootste deel van de gronden op het tracé van de nieuw aan te leggen Wittemereldreef was in de jaren dertig aangekocht door vastgoedmaatschappij Société Immobilière Bernheim. Hoe de Société in Sint-Michiels terecht was gekomen is een vraag die nog beantwoord moet worden. Wellicht was sprake van een relatie met de verkoper, de familie Kervyn, maar dat is speculeren. De belendende percelen bleven nog tot begin jaren zestig in het bezit van de Société toen ze, na de goedkeuring van de eerder vermelde urbanisatie- en verkavelingsplannen, verkaveld en doorverkocht werden aan particuliere eigenaars.

In die tijd waren de bouwvoorschriften nog niet zeer gedetailleerd. Voornaamste voorschrift was dat, in beide gevallen, het verkaveld gebied uitsluitend een woonbestemming zou krijgen voor alleenstaande eengezinswoningen met een bouwvrije strook van minstens 3 m tussen woonhuis en de laterale perceelgrens.

De aanleg van de dreef begon in 1968 met de asfaltering van een eerste strook van 230 m tussen Graaf Pierre de Brieylaan en de Vogelzangdreef. Op 8 april 1969 besliste het schepencollege van Sint-Michiels de nieuw aangelegde straat de naam Mereldreef te geven, verwijzend naar de nabijgelegen straten met  vogelnamen. In dit eerste stuk van de dreef staan de oudste woningen (nrs. 13 en 15) die dateren van 1969 en 1970.

De doortrekking van de dreef tot aan de Witte Molenstraat verliep echter moeizaam. Op de kruising met de Vogelzangdreef weigerde een van de grondeigenaars de nodige grond af te staan voor de aanleg van de weg. Uiteindelijk stemde hij enkel in met een doorgang voor fietsers en voetgangers over een traject van ongeveer 60 m m. Hiermee bleef de dreef gedeeltelijk onderbroken, een situatie die vandaag nog steeds bestaat. De oudste woning in dit tweede deel van de dreef (nr. 23) dateert uit 1973.

Ondertussen was de naam van de dreef gewijzigd. De fusie met de stad Brugge, in 1971, bracht verschillende problemen met zich mee op administratief, organisatorisch of fiscaalvlak. Een praktisch probleem was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende deelgemeenten. In Sint-Michiels moesten een dertigtal straatnamen gewijzigd worden. Om verwarring met de Merelstraat in de Sint-Jozefwijk in Brugge te vermijden, besliste de stedelijke Commissie voor Toponymie en Straatnamen om de straat in Sint-Michiels een nieuwe naam te geven: Witte Mereldreef. De Brugse Merelstraat mocht haar naam behouden.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken