KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

LEISELESTRAAT

Situering

De Leiselestraat is gelegen in het hart van deelgemeente Sint-Michiels. Ter hoogte van het kerkhof splitst de straat zich in noord-oostelijke richting af van de Dorpsstraat en loopt door tot aan de spoorlijn Brugge-Gent, waar een tunnel doorgang verleent tot de industriële/KMO zone ten Briele. Het is een 500 m lange, kaarsrechte straat waarvan het tracé 14,5 m breed is en ruimte biedt voor een 4,5 m brede betonrijweg, een autoparkeerstrook (wisselend van kant) en een fiets- en voetpad aan beide zijden.

Om de beschikbare ruimte efficiënt te gebruiken, werd gekozen voor een overwegend gesloten bebouwing met een perceelbreedte van 8-9 meter. Zes woningen (nrs. 24, 27, 30, 52, 56 en 58) zijn opgenomen in de inventaris van het bouwkundig onroerend erfgoed van de stad Brugge. Het zijn woningen die dateren van de jaren dertig van de vorige eeuw, waarvan de karakteristieke interbellumarchitectuur nog enigszins bewaard is gebleven met behoud van authentieke materialen en vormen zoals baksteenparement, erkers, art-decogetinte elementen, en bewaard schrijnwerk. Foto’s van de betreffende woningen toegevoegd in bijlage.

De Leiselestraat was oorspronkelijk een met lindebomen beplante toegangsdreef die rechtstreeks leidde naar kasteel Leisele. Het kasteel was in oorsprong een oude nederzetting, waarvan het bestaan reeds in 1278 in historische bronnen wordt vermeld. Vanuit deze middeleeuwse kern groeide een kasteeldomein dat een belangrijke rol speelde in de lokale geschiedenis. De huidige Leiselestraat bewaart in haar tracé en naam de herinnering aan deze historische oorsprong.

Historiek

Tot het begin van de negentiende eeuw was het gebied ten zuidoosten van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Bij het opstellen van het primitief kadasterplan van 1835 was het, op de woonkern Steenbrugge na, in handen van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijk landgoeden Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave worden in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen c.q. buitenverblijven zijn aangeduid op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, bevond het huidige tracé van de Leiselestraat zich binnen de grenzen van kasteeldomein Leisele. Dit domein ontstond als een van de oudste nederzettingen van de fiscus Weinebrugge en is op oude kaarten terug te vinden onder benamingen als Lensele, Leynsele, Leyzele, Linceele. De geschiedenis van deze nederzetting, die uitgroeide tot het kasteeldomein Leisele, wordt in een aparte bijdrage besproken (zie kastelen – kasteel Leisele).

Bij de opmaak van het kadasterregister in 1835 was het domein eigendom van Johannes Jacobus van Zuylen van Nyevelt (1752-1846) en besloeg het ongeveer 150 ha. Het bleef in familiebezit tot 1887, toen het verkocht werd aan grootgrondbezitter Oscar Hanneuse en echtgenote Hortensia Oppenheim. Het moet een nogal excentriek echtpaar geweest zijn: hun huwelijk eindigde in 1896 in een echtscheiding, waarna Hortensia alleen eigenaar bleef. Na haar overlijden in 1925 werd het hele domein in zes loten verkocht. 

Het kasteel zelf kwam in handen van Frederic Coppieters ’t Wallant. De pachthoeve Blijdenburg werd aangekocht door Henri Schoutteet. Het grootste deel van de overige landerijen kwam in handen van Richard Brutsaert en Urbain Bossuyt. De eerste was een bekende Brugs handelaar met een handelshuis op de Mallebergplaats in Brugge. Urbain Bossuyt was ook handelaar en grootgrondbezitter, eigenaar-bewoner van kasteeldomein Zevecote in Assebroek. Beide heren moeten elkaar goed gekend hebben en werkten in onderling overleg de plannen uit voor de verkaveling en het bouwrijp maken van kasteelpark en landerijen tussen de Dorpsstraat en het kasteelpark.

In de gemeentearchieven is geen spoor te vinden van enige betrokkenheid van de gemeentelijke overheid bij deze verkaveling. In die periode waren er nog geen stedebouwkundige voorschriften en beslisten de grondeigenaren zelf over de inrichting van hun eigendommen. Het verkavelingsplan voorzag in een netwerk van woonstraten, ingetekend op het bijgevoegde oude kadasterplan, waarop de huidige straatnamen zijn vermeld.

De landerijen langs de 500 m lange Dreef van Mevr. Hanneuse kwamen in 1926 over vrijwel de volledige lengte in handen van Richard Brutsaert, die de eerste bouwpercelen al meteen doorverkocht aan particuliere kopers. Vier van deze kavels (nrs. 52, 56/58 en 70) werden in 1928 bebouwd en vormen de oudste woningen van de straat. De dreef kreeg daarmee het statuut van openbare weg die de logische naam Leiseledreef kreeg.

De woningbouw kwam pas echt op gang in de periode 1936-38. Veel van deze oudere woningen werden later gerenoveerd, maar hun oorspronkelijke architecturale kenmerken bleven grotendeels bewaard: strakke horizontale lijnen, verfijnd gevelmetselwerk en bijzondere raam- en deuromlijstingen.

Nadat de toenmalige Zandstraat (huidige Koningin Astridlaan) en de Dorpsstraat (tot aan het kerkhof) in 1937 een betonverharding hadden gekregen, duurde het nog tot 1949 vooraleer ook de dreef en het verlengde van de Dorpsstraat werden opgewaardeerd tot “weg van groot verkeer”. Het ontwerp voor de wegeniswerken en riolering, opgesteld door gemeente-ingenieur Dinneweth, werd goedgekeurd in de openbare zitting van de gemeenteraad van 22 september 1949. Het plan voorzag in de aanleg van een betonrijweg van 8,5 m breed, met aan beide zijden brede voetpaden. De noodzakelijke onteigeningen konden grotendeels minnelijk worden geregeld, met uitzondering van de familie Demoen, die niet bereid was extra ruimte af te staan bij de ingang van de dreef, op de splitsing met de Dorpsstraat.

De werken gingen van start op 4 mei 1950 en werden toevertrouwd aan aannemer Alfons Claeyssens van Oostende voor de som van BF 4,2 miljoen, exclusief de vernieuwing van de brug over de Kerkebeek (in de Dorpstraat). Die brug werd afzonderlijk aanbesteed en gegund aan aannemer J. Coppens uit Gistel voor BF 58.000.

Het was (begrijpelijk) groot feest op kermiszondag 30 september 1951, toen de geestelijke en burgerlijke overheid, na ontvangst op het gemeentehuis, zich voor de inhuldiging van de nieuwe straat stoetsgewijs naar de nieuwe brug begaf, onder begeleiding van het muziekkorps van Steenbrugge en de “Heistse Klakkertjes”. De Leiseledreef werd hiermee een volwaardige straat en kreeg haar nieuwe naam Leiselestraat.

De metamorfose die de nieuwe Dorpsstraat en Leiselestraat ondergingen, is vastgelegd in een fotogalerij die hierbij is toegevoegd. De heraanleg verbeterde de toegankelijkheid van het oostelijke deel van de gemeente aanzienlijk, maar had ook een schaduwzijde. Om plaats te maken voor de brede rijweg, voetpaden en riolering moesten alle lindebomen van de dreef worden gekapt. Ook de twee zware arduinen zuilen bij de ingang van de dreef, waarin een H van Hanneuse was gekapt, verdwenen. De smeekbede van apotheker-heemkundige Franchoo om ze te behouden, mocht niet baten. Wat er met de zuilen is gebeurd, is niet bekend.

De realisatie van een tunneldoorgang onder Spoorlijn 50 Brugge-Gent was de laatste grote ingreep in de straat. De industriële zone aan de “overkant” van de spoorlijn beschikte wel over een goede aansluiting op spoor- en water, maar was slecht bereikbaar via de weg. Ze was enkel toegankelijk via de Vaartdijkstraat, een smalle weg langs het kanaal Brugge-Gent, waarvan de verbreding en verdere uitrusting problematisch was.

Al in 1960 werd binnen het schepencollege gesproken over een tunnelverbinding, maar pas begin 1963 startte de gemeente Sint-Michiels de eerste  gesprekken startte met de NMBS, eigenaar van het spoor. De onderhandelingen verliepen vlot, ook al omdat de gemeente bereid was alle kosten te dragen. De aanbesteding volgde later dat jaar en werd gewonnen door aannemer Marcel Verhaeghe uit Loppem, voor BF 9,2 miljoen. In dat bedrag waren ook de betonverharding van de weg tot aan het kanaal Brugge-Gent en een nieuwe brug over het Zuidervaartje – dat naast het kanaal liep (en nog loopt) – inbegrepen. De aannemer trok zich om onduidelijke redenen terug. De tweede inschrijver, de Gebroeders De Waele uit Eernegem, was bereid het werk tegen dezelfde prijs aan te nemen, geen zakelijk maar een hoffelijk gebaar van goede wil.

Omdat het talud ter hoogte van de straat slechts 3 meter hoog was, moest de tunnel gedeeltelijk worden uitgegraven. Dat zorgde meteen na de oplevering in augustus 1964 voor problemen: bij hevige regenval liep de tunnel regelmatig onder water. Werknemers van la Brugeoise op weg naar hun werk, beklommen het talud en liepen over het spoor. Om dit te voorkomen werden smalle voetpaden aan beide kanten van de tunnel op 1,5 m hoogte.

Ter gelegenheid van de werken werd ook het verkeersplein bij de ingang van de tunnel heraangelegd (later omgevormd tot een rotonde). In mei 1965 kreeg de nieuw aangelegde straat, van de tunnel tot aan de Vaartdijkbrug, de naam Prins Albert Poort, maar twee maanden later werd de herinneringsplaquette bij de ingang van de tunnel verwijderd en werd de straat herdoopt in Nijverheidslaan. Mocht iemand weten wat hier heeft gespeeld dan hoor ik het graag. De straatnaam werd in 1972 opnieuw gewijzigd in het huidige ten Briele ter gelegenheid van de fusie met de stad Brugge (zie ook Straten – ten Briele).

In 1998 vond de Brugse burgemeester Patrick Moenaert het gepast om de in 1993 gekroonde Koning Albert II te gedenken en de spoortunnel van de Leiselestraat de naam Koning Albert Poort te geven. De Commissie Toponymie en Straatnamen ging daar echter niet in mee: in Brugge was het niet gebruikelijk bruggen of tunnels een naam te geven en van die regel wilde men niet afwijken.

Pages ( 1 of 4 ): 1 234Next »
Zoeken