KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

WAGENBRUGGELAAN

Situering

De Wagenbruggelaan ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen, voormalig weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd het gebied verkaveld tot woongebied. De laan, ongeveer 800 meter lang, vormt samen met de Rietlaan en ’t Kloosterhof, een van de drie straten die de Sint-Michielslaan in het noorden verbinden met de Heidelbergstraat in het zuiden van de Leiseleverkaveling.  

Het straatprofiel bedraagt 15 meter, met een 5 m brede betonrijweg. Over een lengte van 660 m wordt de rijweg aan beide zijden geflankeerd door met bomen beplante groene stroken. Op het resterende traject van 140 m is die strook slechts aan één zijde aanwezig.

Het woningenbestand bestaat uit deels vrijstaande en deels gekoppelde eengezinswoningen met twee bouwlagen en een hellend dak. De 75 bouwkavels variëren in grootte tussen de 250 en 500 m2 en bieden ruimte voor een kleine voor- en achtertuin.

De herkomst van de naam Wagenbruggelaan is enigszins onduidelijk. Schepen van Openbare Werken Maurice Beerlandt, de vermoedelijke naamgever, is er helaas niet meer om tekst en uitleg te geven. Volgens ere-stadsarchivaris Albert Schoutteet en heemkundige-apotheker Gerard Franchoo verwijst de naam naar de oude plaatsnaam Wasschiggebrugge, een houten brugske over het onbevaarbare Zuidervaartje die toegang verleende tot de overzetdienst op het kanaal Brugge-Gent. Het was tevens de aanlegplaats van de nachtbargedienst Brugge-Gent, die twee- of drie keer per week, ’s avonds om 10 uur naar Gent vertrok. De naam zou mogelijk verband houden met een  “waschte” of wasplaats maar ook dat is niet zeker.

Historiek

Tot het begin van de negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijkr landgoeden Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van de Wagenbruggelaan in het westelijke blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke dat in 1838 door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, werd verkocht aan Henri Sion.

De uit Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion, die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge.woonde, was reeds eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat. Hij overleed in 1870, waarna het domein, inclusief de landerijen in het Leiselegebied, overging naar zijn echtgenote Petronella. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, van wie vooralsnog onduidelijk is of zij een aangenomen kind dan wel een familielid was. Clemence was in 1856 getrouwd met Joannes Van Wint “propriéitaire et directeur de la messagerie de Gand“.

Nog tijdens haar leven schonk weduwe Petronelle het kasteel en de landerijen aan haar ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed, twee jaar na de schenking, op nauwelijks twintigjarige leeftijd. De volledige erfenis ging over naar Victors broer Leon Van Wint, die gehuwd was met Marie-Antoinette Carton. Leon overleed vroegtijdig in 1919, maar kasteelvrouwe Marie-Antoinette bleef kasteel Bloemenoord nog tot WO II bewonen. Ze overleed in 1949, op 89-jarige leeftijd. Haar twee dochters Agnes en Suzanne erfden de landerijen in het Leiselegebied.

Burgemeester Michel Van Maele, die eerder al kasteel Bloemenoord had gekocht van de familie Van Wint, had nauwe banden met de familie Van Wint. Eind jaren vijftig overtuigde hij de zusters Van Wint om de weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.

Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat van de eigenaressen om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde verder dat de verkoper op eigen kosten het basiswegennetwerk zou aanleggen en dit kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) n. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen van de gemeente en tegen het einde van 1961 was vrijwel het gehele tracé van de laan verkaveld en verkocht in een 80-tal percelen, bestemd voor de bouw van deels vrijstaande en deels gekoppelde eengezinswoningen, variërend in grootte tussen de 250 en 450 m2. De naam Wagenbruggelaan werd op 29 augustus 1961 door het schepencollege van Sint Michiels officieel toegekend aan de nieuw aangelegde straat

Al snel bleek dat de eerste bouwvergunningen, verleend in 1962-63, te voorbarig waren en de gemeente zich te laat realiseerde hoe riskant het is om overhaast te bouwen in de winterbedding van een beek. De woningen (nr.s 25, 26, 74 en 76) werden in 1965 getroffen door ernstige wateroverlast van de naburige Kerkebeek. Daarbij kwam nog bij dat de aannemer van de drinkwater- en rioleringswerken (de firma Bollaert en Cools) pas in de loop van 1965 aan de slag kon vanwege het uitblijven van de beloofde subsidiemiddelen. De commotie haalde de lokale pers, die de gebrekkige planning en uitvoering scherp bekritiseerde en het ongenoegen van de eerste bewoners vertolkte. Pas in de loop van 1967 keerden rust en vertrouwen geleidelijk terug en kwam het bouwtraject weer op gang.

In 1992 kwam een voorstel ter sprake in de stedelijke Commissie Toponomie en Straatnamen om de straat te hernoemen tot Huib Hostelaan, ter ere van Huib Hoste (1881-1857), een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Belgische moderne  architectuur die een tijd in Sint-Michiels woonde. Zijn naam was niet onomstreden en het voorstel stuitte op verzet binnen de Commissie. In 1926 was hij als architect verantwoordelijk gesteld voor een dodelijk ongeval bij de instorting van een door hem ontworpen schoolgebouw van de zusters Jozefienen in de Zilverstraat. Een verwant van het slachtoffer diende bezwaar in tegen de naamsverandering, waarop de Commissie het voorstel verwierp.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken