TEN WALLE
Situering
Ten Walle ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels. Het gebied werd in de jaren zestig verkaveld. De straat is een doodlopende zijstraat van de Wagenbruggelaan, met een verbreding aan het eind, die is ingericht als woonerf. De betonnen toegangsweg is 5 meter breed. Halverwege de straat is er een haakse bocht, met weerszijden een brede groene parkeerstrook.
Het woningenbestand bestaat uit 15 vrijstaande eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin.
De straat is vernoemd naar de pachthoeve naast kasteel Leiselebeke, waarvan het (gerenoveerde) woonhuis nog bestaat en in de volksmond ’t Walletje werd genoemd. De hofstede is te zien op de eerste Franse kadasterkaart van 1809 en op het primitief kadasterplan (circa 1835). Hierop wordt ze weergegeven met enkele losstaande bijgebouwen in U-vorm rondom een erf. Het huidige woonhuis werd later in zuidelijke richting uitgebreid met een bakhuis. Het langwerpige huis, gebouwd in beschilderde baksteen onder een pannen zadeldak, heeft twee karakteristieke dakvensters onder lessenaarsdak. De woning is opgenomen in de inventaris bouwkundig erfgoed van de Stad Brugge.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijk landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag de pachthoeve ten Walle in het westelijke, blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke, dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 verkocht werd aan Henri Sion.
Henri Sion, een aannemer uit Gent die in de Wijnzakstraat in Brugge woonde. was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels, kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat.
Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en landerijen in het Leiselegebied over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint,“propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “. Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919), die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.
Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
.Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Het was in de tijd dat de pachthoeve ’t Walletje werd uitgebaat door de familie Van Damme. Hoe lang de familie al pachter was moet nog uitgezocht worden. Toen de hofstede in 1963 door de familie Van Wint werd verkocht, vertrok de familie naar een hofstede ten noorden van Brugge. Getuige een laatste foto van Jozef Van Damme op het deels gesloopte erf. Het naastgelegen kasteel Leiselebeke was toen eigendom van en bewoond door de Congregatie van de Zusters Missionarissen van O.L.Vrouw van Afrika, kortweg aangeduid als Witte Zusters.
Het ongeveer 1,5 ha grote erf van de hofstede werd verkaveld in een 20-tal kavels en door mandataris-bouwpromotor Ballegeer uit de hand verkocht aan individuele eigenaars. Het verkavelingsproces is terug te vinden in enkele kadastermutatieschetsen die zijn toegevoegd. De boomgaard, schuur, stallen en het bakhuis werden gesloopt. Vanuit de Wagenbruggelaan werd een gebetonneerde, haakse, doodlopende pijpekop aangelegd die toegang geeft tot 15 vrijstaande eengezinswoningen. Het woonhuis bleef bewaard en werd gerenoveerd. De nieuwe woningen, waarvan 5 gedomicilieerd zijn in de Wagenbruggelaan, dateren van de periode 1966-68.





