RENNERSWEG
Situering
De Rennersweg is een doodlopende zijstraat van de Velodroomstraat ten oosten van het centrum van de gemeente Sint-Michiels. De straat is ongeveer 220 m meter lang met een haakse bocht op zo’n 85 m van de toegang in de Velodroomstraat. Van het 10 m brede tracé blijft er, na aftrek van een voetpad aan beide zijden, nog een asfaltrijweg over van 6 m. De straat loopt dood op de drukke Expressweg N31 waarvan de overlast enigszins wordt verminderd door een 5 meter hoog geluidsscherm en een bomenstrook van 10 -25 m.
Kenmerkend voor de straat is de gesloten bebouwing. De noordzijde (onpare nummers) telt 10 eengezinswoningen met een gevel/kavelbreedte van gemiddeld 9 meter en een kleine voor- en achtertuin. De zuidzijde (pare nummers) telt 11 gelijkaardige woningen verdeeld over een blok van resp. 3 en 8 woningen. De twee hoekwoningen bij de ingang van de Velodroomstraat maken deel uit van de bebouwing van die straat, maar zijn gedomicilieerd in de Rennersweg. Locatie en woningenbestand van de straat zijn aangeduid op de toegevoegde kaart.
De benaming van de straat is niet bedoeld als een verheerlijking of hulde aan de Vlaamse wielrennerij maar een herinnering aan de wielerbaan die op deze locatie in de periode 1933-1956 heeft gestaan. Er is nog geen antwoord op de vraag waarom een imposant bouwwerk als een (betonnen) wielerbaan niet terug te vinden is op de kadasterkaarten van die tijd. De juiste geografische locatie van de velodroom kon bepaald worden aan de hand van een luchtfoto uit WO II en projectie op de huidige stratenkaart (met dank aan Hugo Vandekeere voor de technische expertise). Op de projectie is te zien dat de (tweede) Brugse Velodroom inderdaad pal op de huidige locatie van de Rennersweg lag.
Geschiedenis
Het terrein gelegen tussen de historische woonkern van Sint-Michiels (langs de Rijselse Heirweg) en de Torhoutse Steenweg, ten noorden van het Tillegemdomein, had tot vóór WO II een landelijk karakter en was vrijwel onbewoond. Dwars doorheen het gebied liep een zandweg die begin 19e eeuw een naam had die varieerde tussen Kaakstraat, Cackstraet, Kaecstraet of Cackaersstraete. Waar de naam vandaan komt is niet bekend. Straat is overigens een groot woord want het was niet meer dan een zanderig pad dat in de Buurtwegenatlas van 1844 beschreven staat als “Chemin de St Michel à St André passant le pavé de Thourhout à Bruges”.
In de zitting van 16 juni 1910 vond de gemeenteraad van Sint-Michiels dat de naam van de straat teveel geassocieerd werd met kakstraat en besliste om de naam te veranderen in Zandstraat. In de volksmond was ook sprake van Slijkstraat wat misschien een toepasselijker naam zou zijn geweest.
België was in rouw en treurde om de dood van de jonge koningin Astrid (29 jaar) die in 1935 om het leven was gekomen bij een auto-ongeluk in Zwitserland. Veel monumenten, gebouwen, parken, straten en pleinen werden toen naar haar vernoemd. Sint-Michiels kon niet achterblijven. In de zitting van het Schepencollege van 2 juli 1937 werd de naamgeving van de straat opnieuw gewijzigd in Koningin Astridlaan.
In de 19e eeuw was het weide- en bouwlandgebied ten noorden van de toenmalige Zandstraat en ten westen van de huidige Expressweg N31, eigendom van de familie Donny – Van Severen, die een strook van 20 ha langs de straat verkocht aan een viertal eigenaren voor woningbouw en de achterliggende weilanden (ongeveer 53 ha) aan de Brugse zakenman Otto Fourrier. De laatste wilde er de eerste Brugse velodroom realiseren en het terrein uitbouwen tot een sport- en ontspanningspark, met toegang aan de Torhoutse Steenweg. Het was de tijd dat de wielerbaansport weer populair werd na een periode van diepe crisis.
Het werkcomité onder het beheer van eigenaar Fourrier en secretaris Vercauteren ging voortvarend van start. De piste werd met een grote meeting plechtig en met “een schoon concert” feestelijk geopend op 11 april 1909. Het feest was van zeer korte duur. Vanaf 1911 is er in de Brugse pers, de enige informatiebron, geen spoor meer terug te vinden van de eerste Brugse velodroom. Er was ruzie met Maurice Herreboudt, uitgever van het Brugsch Handelsblad en sponsor van de baan maar wat er precies aan de hand was, is niet duidelijk. Wel is zeker dat eigenaar Fourrier zijn “speelweide” in 1914 verkocht aan de Samenwerkende Maatschappij Werkerswelzijn, een socialistische coöperatie waarin o.a. het onroerende goed van de pas opgerichte Belgische Werkliedenpartij was ondergebracht.
Meer tijd en moeite is nodig om uit te zoeken wat er in de Werkerswelzijnsperiode met de “speelweide” is gebeurd. Er was ook een voetbalveld aangelegd wat doet vermoeden dat er vooral gesport werd. Een luchtfoto van 1918 toont aan dat de wielerbaan nog een aantal jaren heeft bestaan maar er is geen spoor terug te vinden van enige sportieve of andersoortige activiteit. De baan was in ieder geval gesloopt op het moment dat het Werkerswelzijnbestuur, wellicht om economische redenen, in de loop van 1935 besloot het grootste deel van het terrein te verkopen aan het echtpaar Petrus Demets – Gadeyne. Het echtpaar had plannen klaar voor de verkaveling en het bouwrijp maken van het terrein middels de aanleg van een nieuwe 360 m lange straat tussen de Torhoutse Steenweg en de toenmalige Hoogstraat (thans Karel Cartonstraat), dwars door het terrein. De nieuwe straat kreeg de toepasselijke naam Velodroomstraat.
Voorafgaand aan de “grote” verkoop had de SM Werkerswelzijn in 1933 haar zegen gegeven aan enkele enthousiaste Brugse wielerliefhebbers om op een stukje van ongeveer 1 ha in de uiterste hoek van de speelweide, een nieuwe,tweede Brugse velodroom te bouwen. De Maatschappij had, voor zover bekend, geen bemoeienis met de uitbating van de nieuwe baan. Omdat ze niet kadastraal geregistreerd werd als bouwwerk is onduidelijk wie ze in eerste instantie heeft gefinancierd of wie de eigenaar ervan was. Vermoedelijk is het de heer Gaston De Craecke geweest op wiens naam het terrein 5 jaar later, in 1938 dus, officieel geregistreerd werd. De baan was aanzienlijk kleiner dan de eerste (200 m ipv 350m) en werd op 17 april 1933 onder grote belangstelling geopend. In de correspondentie met de gemeente en de plaatselijke wielerpers is vooral de eerste bestuurder van de nieuwe Brugse Velodroom, Camille Vande Casteele, aan het woord maar hij was dus geen eigenaar. Camille was beroepswielrenner in de jaren twintig en won o.a. etappes in de Ronde van Frankrijk van 1926 en 1927.
In de aparte bijdrage wordt het wel wee besproken van de tweede wielerbaan. Het was vallen en opstaan. Het wankelbaar weer was altijd een risicofactor en er werd regelmatig geklaagd over gebrekkige sanitaire en andere voorzieningen voor de renners en toeschouwers. Pijnlijk was ook het regelmatig uitvallen van de luidsprekers waardoor de rondenteller de stand niet meer kon aankondigen. Er was ook toenemende kritiek op de grote vedetten zoals Karel Kaers, Gaston Rebry en Georges Ronsse die een dikke startpremie opeisten maar er verder weinig van bakten.
De wielerbaan bleef open gedurende WO II. De bezetter had kennelijk geen bezwaren en verleende toestemming voor enkele meetings. De baan kreeg in die periode (1943) wel nieuwe eigenaars: Joseph Van Besien, Joseph Degryse en Raymond De Fruyt. Er was sprake van een “toewijs”, een gedwongen verkoop dus. Het is speculeren wat er precies aan de hand was met de vorige eigenaar Gaston De Craecke.
Persartikelen maken duidelijk hoe beginjaren vijftig de openlucht wielerbanen in Vlaanderen definitief in moeilijkheden kwamen. Ook de tweede Brugse Velodroom kreeg te maken met hoge belastingen, een groeiende populariteit en het toenemend aantal wielercriteria, de concurrentie van de voetbal en grote financiële verliezen bij tegenvallende weersomstandigheden. De Heilig Bloeddaggala van mei 1953 was de laatste grote wielermeeting die, vanwege het wankelbare weer, weinig belangstelling genoot. Het was de meeting waarin Bruggeling Hilaire Couvreur een ererondje mocht rijden na zijn eindoverwinning in de Ronde van Marokko. Ultieme pogingen van de inrichters om de Heilig Bloeddagmeetings van 1954 en 1955 op de rails te krijgen, regenden uit.
De Brugse pers moest teleurgesteld vaststellen “dat ons Brugs publiek terdege onverschillig blijft ten overstaan van de lovenswaardige pogingen die de organisatoren zich getroosten om de wielersport alhier nieuw leven en nieuwe belangstelling in te blazen”. Geconfronteerd met stijgende kosten en dalende inkomsten, konden de toenmalige eigenaars/bestuurders financieel niet meer rond komen en gooiden ze de handdoek in de ring. De wielerbaan werd in de loop van 1956 gesloopt en de site van ongeveer 1 ha werd in 1957 verkocht en verkaveld in een 20-tal bouwpercelen die via de bestaande toegang tot de wielerbaan vanuit de Velodroomstraat toegankelijk werden. De nieuwe straat kreeg de naam Rennersweg. De oudste woningen dateren van 1959-1960.
Bij het verkavelen van het terrein was al rekening gehouden met de aanleg van de Expressweg N31. De stad Brugge was al lang vragende partij om de Brugse Ring te ontlasten en vanuit het zuiden de (A 40 Brussel-Oostende) een nieuwe snelwegverbinding met het havengebied van Zeebrugge en de Oostkust te realiseren, ten westen van de stadskern. Zoals ook nog elders beschreven, had de aanleg van de snelweg heel wat voeten in de aarde. Het voorstel om de weg gedeeltelijk op palen en gedeeltelijk op een verhoogde berm aan te leggen, stuitte op veel bezwaren. Er kon ook geen consensus bereikt worden over een alternatief voorstel om de weg uit te graven. In de loop van 1973 werd de knoop doorgehakt. Er was geen geld en het werd een gelijkvloerse expressweg dwars door Sint-Michiels. De nieuwe weg werd in de loop van 1975 voor het verkeer opengesteld. Eind jaren 90 werd de weg omgevormd tot een primaire weg die moest zorgen voor een zo vlot mogelijke doorstroming van het verkeer. Het duurde nog voordat 2022 tot maatregelen werden genomen om de geluidsoverlast voor de Rennerswegbuurt lager te krijgen dan 60 dB, de grens voor geluidshinder bij nieuwe of vernieuwde wegen. Het 5 meter hoge geluidsscherm en een groenstrook van 10-25 m bieden enig soelaas maar het is de vraag of de grenswaarde in werkelijkheid gehaald wordt.
Ruim 60 meter aan de oostzijde van de nieuwe Rennersweg bleef lange tijd onbebouwd. Het terrein was eigendom van de gebroeders Victor en Tobias Heindryckx, een bekend ondernemersduo in Sint-Michiels. Ze bouwden in 1952 een dubbelwoning in de Velodroomstraat 128-130 en startten er op een terrein van ongeveer 5,000 m2 een ijzer- en schroothandel die aan de achterzijde toegang had tot de Rennersweg. Het Metaalbedrijf Heindryckx bleef onder het beheer van hun zonen Luc, Janny en Bertrand Heindryckx op de locatie gevestigd tot 2005, toen een beter toegankelijke en ruimere vestigingsplaats werd geopend langs de Pathoekeweg in het Brugse havengebied. Het bedijfsterrein aan de Rennersweg werd in 2007 verkocht aan de NV Ombregt, een aannemersbedrijf uit Hertsberge-Oostkamp met het doel de locatie te herontwikkelen voor woongebruik. Het verkavelingsdossier (met nummer VK1001) werd in januari 2010 ingediend bij de stedelijke autoriteiten. De aanvraag omvatte de bouw van 15 woningen met een (doodlopende) toegangsweg die, vanuit de Rennersweg, de naam Hilaire Couvreurstraat kreeg. De bouw van de woningen liep grote vertraging op en de laatste woningen werden pas in 2021 opgeleverd (zie Hilaire Couvreurstraat).





