KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KRANENBURG

Situering

Kranenburg is gelegen in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De korte straat verbindt de Weinebruggelaan met de Wagenbruggelaan (zie kaart). De 5 meter brede betonweg is ongeveer 145 m lang met voetpad aan beide zijden, een met bomen beplante groenstrook aan de noordkant, een parkeerstrook aan de zuidkant en voetpad aan beide zijden. Het woningenbestand bestaat uit een 10-tal vrijstaande eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin. De grootte van de bouwpercelen varieert tussen de 500 en 850 m2.

In de Leiselewijk benoemde het schepencollege van Sint-Michiels een viertal straten naar oude hofsteden op het grondgebied van Sint-Michiels. Een lovenswaardig initiatief, ware het niet dat de betreffende straten behoorlijk ver verwijderd zijn van de werkelijke locatie van die hofsteden. Dat geldt o.a. voor de Kranenburg-straat die genoemd is naar de hofstede Cra(e)nenburg, een omwalde hoeve ten zuiden van de omwalling van de stad Brugge, die in vogelvlucht ruim anderhalve kilometer verderop lag. Mocht er iemand zijn die een afbeelding of tekening van de hoeve heeft, dan hoor ik dat graag.

Het bestaan van de Cra(e)nenburgh-hofstede wordt al in akten van het jaar 1488 vermeld. In het Woordenboek der Toponymie in Westelijk Vlaanderen, meesterwerk van Karel De Flou, zijn nog een twintigtal referenties naar kaarten en documenten te vinden die wijzen op het bestaan van de hofstede. Ook in de Omlopers van Sint-Michiels van 1714 en 1715 wordt het bestaan van een “huis van plaisance” vermeld in de buurt van de Boeveriepoort. Zoals verder beschreven in een aparte bijdrage (kasteel Kranenburg), evolueerde de hofstede tot een kasteelgoed dat in 1864 werd aangekocht door het bisdom Brugge. Vanaf die tijd stond het kasteel in de volksmond bekend als het “Bisschopskasteel” tot het in 1963 werd gesloopt. Na enige tijd gediend te hebben als jeugd- en ontspanningsterrein. groeide het kasteeldomein later omgevormd tot de indrukwekkende opleidings- en scholencampus van het vrij onderwijs “ter Groene Poorte”.

Historiek

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van Kranenburg in het westelijke, blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke, dat door de toenmalige eigenaars, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 verkocht werd aan Henri Sion.

De uit Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion woonde in de Wijnzakstraat in Brugge. Hij was ook eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat. Hij overleed in 1870, waarna kasteel en landerijen in het Leiselegebied, overgingen naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of het een kind uit de familie was of niet. Clemence trouwde in 1856 met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “ Ze hadden 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.

Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op nog geen 20-jarige leeftijd. De hele erfenis ging over naar Victors broer Leon. Leon Van Wint (1858-1919) was getrouwd met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed vroegtijdig in 1919, maar zijn weduwe bleef het kasteel Bloemenoord tot WO II bewonen. Ze overleed in 1949 op 89-jarige leeftijd en haar twee dochters, Agnes en Suzanne, erfden de landerijen in het Leiselegebied.

Burgemeester Michel Van Maele had ondertussen goede banden met de familie Van Wint, van wie hij na WO II al het kasteel Bloemenoord had gekocht (en ingericht als gemeentehuis). Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de op zichzelf weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.

Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, besprak de verkoopmodaliteiten met de gemeente Sint-Michiels. Bouwpromoter Maurice Ballegeer kreeg het mandaat van de eigenaressen om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord stipuleerde verder dat de verkopende grondeigenaar op eigen kosten het basiswegennetwerk en de riolering zou aanleggen en, na voktooing kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr 13. opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, eplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

De naamgeving van de straat werd in de gemeenteraad van 29 augustus 1961 officieel goedgekeurd, toen de aanleg van het basiswege netwerk van 5 meter brede betonbanen in volle gang was. In de loop van 1962 werden de eerste bouwvergunningen verleend in de verwachting dat de basisvoorzieningen, zoals riolering en beplanting, snel zouden worden gerealiseerd. De tien bouwpercelen van de straat werden in 1960 uit de hand verkocht aan individuele eigenaren. De eerste woningen (nrs. 4 en 8) dateren van 1962-63 .

Pas nadat de eerste woningen waren gebouwd werd op het gemeentehuis duidelijk hoe riskant het was om overhaast te bouwen in de winterbedding van een rivier (of beek). De aanbesteding en aanleg van de riolering liepen aanzienlijke vertraging op. In de winterperiode van 1965 en 1966 kreeg het noordelijk deel van de verkaveling te maken met ernstige wateroverlast die, o.a. Krannenburg onder water zette. Dit trok de aandacht van de media en veroorzaakte veel opschudding. De overlast werd uiteindelijk opgelost door de bouw van een nieuw pompstation bij de Brugse stadsring. Tegen het einde van 1967 kon de inrichting van de straat en het omliggend gebied worden afgerond. De straat werd vervolgens geleidelijk volgebouwd.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken