KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KAPELWEG

Situering

De Kapelweg is een rustige woonstraat in het westen van Sint-Michiels in het gebied dat bekendstaat als het Zevenbergenkwartier, tussen de Diksmuidse Heirweg en de Torhoutse Steenweg. Ze verbindt de Diksmuidse Heirweg met Fort Zevenbergen en sluit, met een haakse bocht, aan op de Keurvorst Karel Theodoorstraat. Ongeveer halfweg is nog een smalle voet- en fietsverbinding met de Koning Leopold III-laan.

De geasfalteerde straat is ongeveer 230 m lang met een rijweg van 6 m en opvallend brede, met bomen beplante, voetpaden. De weg telt een twintigtal vrijstaande eengezinswoningen op bouwkavels van gemiddeld 600 m2 met een kleine voor- en achtertuin.

De Kapelweg is meer dan een gewone straatnaam. De naam verwijst naar een kleine veldkapel die in de volksmond bekendstond als het ‘kapelletje van Coppieters’ of de Coppieterskapel. Het kapelletje, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de Onbevlekte Ontvangenis, was daar niet ver vandaan in 1880 gebouwd op een beboste hoogte langs de Diksmuidse Heirweg. Volgens de overlevering werd het Mariabeeldje in september 1904 stukgeslagen, waarna een nieuw beeld werd geplaatst. In 1966 ondernam het gemeentebestuur van Sint-Andries verschillende pogingen om de heuvel en de kapel in eigendom te verwerven, met de bedoeling het geheel te restaureren en te onderhouden. Die pogingen mislukten. Tegen 1977 was de kapel vanwege vandalisme zo sterk vervallen dat het stadsbestuur van Brugge besliste de kapel te slopen. Een foto van het verwaarloosde kappelletje is nog bewaard in de Beeldbank van het Brugse stadsarchief (collectie J. Rau).

Volgens de overlevering werd later in de buurt van de gesloopte kapel een uit één stuk hout gesneden Mariabeeldje geplaatst, gemaakt door een zekere A. Lameire uit Mariakerke bij Oostende. Het boomkapelletje zou het werk zijn geweest van Ivo Devisscher, parochiaan van de naburige Sint-Willibrord parochie. Het bestaan van het boomkapelletje wordt in een aantal bronnen vermeld, maar een zoektocht naar de locatie ervan heeft tot nu toe niets opgeleverd.

De plek had al langer een bijzondere betekenis. In dezelfde omgeving bevond zich het zogenaamde Galgestick of Galgebos, een plaats waar het Brugse stadsbestuur veroordeelde misdadigers liet terechtstellen. De galg bevond zich daar al vóór 1261. Volgens historisch onderzoek werd ze nog tot 1795 gebruikt. Daar stond ook een oudere Galgekapel, waardoor de Coppieterskapel in de volksmond ook wel eens als Galgekapel wordt aangeduid.

Historiek

Ten zuiden van Brugge bevindt zich een groene gordel die vandaag bekendstaat als de Kasteelbossen. De bossen ontstonden rond kastelen en landgoederen die aangelegd werden door adellijke families of gegoede burgers voor houtproductie, jacht en landschappelijke inrichting.

Dwars door het bosrijke gebied liep (en loopt nog steeds) de Diksmuidse Heirwerg, een eeuwenoude verbindingsweg waarvan de oorsprong teruggaat tot de Romeinse tijd. De weg vormde een belangrijke verbinding tussen Kassel in Noord-Frankrijk en Brugge, via Poperinge, Woumen en Aartrijke. In Brugge sloot hij aan op andere oude wegen richting de kust en Aardenburg. Vanaf de 18e eeuw verloor de oude heirweg zijn belang door de aanleg van bredere en beter berijdbare steenwegen, zoals de Gistelse en Torhoutse Steenweg.

Het was langs deze oude weg dat Albert Coppieters (1741–1832) in 1772 een kasteel liet bouwen dat hij de naam Mon Plaisir gaf. Rond het kasteel ontstond geleidelijk een uitgestrekt landgoed van ongeveer 40 ha, met tuinen, dreven en landbouwgronden.

Albert Coppieters behoorde tot een van oorsprong Kortrijkse familie, die in de loop van de 18e eeuw uitgroeide tot een invloedrijke burgerlijke familie die actief was in handel, rechtspraak en bestuur van stad en gewest. Hij studeerde rechten in Leuven en werd burgemeester van het Brugse Vrije tijdens de woelige overgang van de Oostenrijkse naar de Franse periode.

Toen de Fransen in 1794 Brugge definitief in handen kregen, vluchtte Albert Coppieters naar Antwerpen. Zijn eigendommen werden geplunderd en ook kasteel Mon Plaisir bleef niet gespaard. Het domein bleef bijna een eeuw lang in handen van de Burgerlijke Godshuizen (de latere OCMW) van de stad Brugge tot het in 1885, in totaal verloederde staat, terug in handen kwam van de familie Coppieters. Hoe de eigendomsoverdracht precies tot stand kwam, moet nog uitgezocht worden. In tussentijd verbleef de familie op het Vijverkasteel in Loppem.

De terugkeer van het domein naar de familie luidde een nieuw hoofdstuk in. Paul Coppieters (1862-1938), een kleinzoon van Albert, liet het vervallen kasteel slopen en bouwde er, na zijn huwelijk met Marie-Aimee de Madre de Mauville (1864-1947), een nieuw kasteel dat de naam Zevenbergen kreeg. Voor de naamgeving wordt verwezen naar de bijgevoegde nota.

Het nieuwe kasteel Zevenbergen lag verscholen in het groen en was bereikbaar via een 800 m lange dreef die vanaf de Gistelse Steenweg in Sint-Andries naar het domein liep. De dreef kreeg later de naam Schoolstraat. Paul Coppieters had destijds het plan om de kasteeldreef door te trekken naar de Torhoutse Steenweg, maar die plannen werden nooit uitgevoerd.

De zoon van Paul, Fernand Coppieters (1894-1961) was de laatste bewoner en beheerder van kasteeldomein Zevenbergen. Hij was net als zijn vader politiek actief in Sint-Andries als gemeenteraadslid, schepen van openbare werken en, van april 1952 tot 1958, burgemeester van Sint-Andries. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1958 verloor zijn partij Gemeentebelangen de meerderheid, waarna hij nog twee jaar zetelde in de gemeenteraad tot aan zijn dood in 1961. Na de dood van haar echtgenoot, verliet de weduwe Antonia de Moreau (zijn derde vrouw) het kasteel en trok zich terug op een appartement in het nabijgelegen Sint-Baafs. Intussen had de familie Coppieters al plannen aangekondigd om het kasteel te verkopen en het grotendeels beboste domein te verkavelen en te verkopen.

Centraal in het verkavelingsplan stond de aanleg van de Koning Leopold III-laan, die dwars door het domein Zevenbergen werd aangelegd. De laan, gerealiseerd in 1959, vormde niet alleen een belangrijke verkeersverbinding tussen Sint-Michiels en Sint-Andries, maar maakte ook de verdere ontsluiting en ontwikkeling van het gebied mogelijk. De aanleg van de laan wordt uitvoeriger besproken in een aparte bijdrage (zie Straten – Koning Leopold III-laan). In deze bijdrage wordt alleen het verdere verkoop- en verkavelingsproces besproken dat tot het grondgebied Sint-Michiels behoort.

De aanleg van de Koning Leopold III-laan in 1959 betekende een keerpunt voor het domein Zevenbergen. Waar het gebied voordien nog sterk verbonden was met het kasteel en zijn uitgestrekte gronden, bracht de nieuwe laan een eerste duidelijke breuk met het verleden.

De veranderingen voltrokken zich niet alleen op het terrein. Ook binnen de familie die het domein generaties lang had beheerd, brak een nieuwe periode aan. Ongeveer drie jaar nadat het verkavelingsproces was begonnen, overleed kasteelheer Fernand Coppieters en kwamen kasteel en gronden in handen van zijn drie kinderen Regine, Solange en Antoine Coppieters.

De gronden ten noorden van de Koning Leopold III-laan werden toebedeeld aan zijn dochter Solange en zoon Antoine Coppieters. Het proces nam enige tijd in beslag. De definitieve versie van verkavelingsplan VK 6220 werd op 25 september 1962 door het schepencollege van Sint-Michiels goedgekeurd. Het voorzag in de aanleg van een nieuwe straat, de Kapelweg en de verlenging van de eerder op grondgebied Sint-Andries aangelegde Fort Zevenbergen en Keurvorst Karel Theodoorstraat.

De verkoop van de 20 bouwkavels langs de nieuwe Kapelweg begon in de loop van 1963. De oppervlakte van de kavels varieerde tussen de 500 en 700 m2, met ruimte voor vrijstaande eengezinswoningen en een bescheiden voor- en achtertuin. De oudste woningen (nrs 21 en 26) dateren van 1963. Een drietal kavels bleef nog tot de jaren negentig onbebouwd.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken