HET BREMBOS
Situering
Het Brembos ligt in de Leiselewijk, de nieuwbouwwijk die in de jaren zestig van de vorige eeuw is ingericht op bouw- en weilanden van het kasteeldomein Leiselebeke. De straat loopt parallel met de Heidelbergstaat en verbindt de Rietlaan met de Wagenbruggelaan, twee van de vier belangrijke noord-zuid doorgangswegen van de wijk. De licht gebogen straat is ongeveer 145 m lang en heeft een 6 m brede beton rijweg met voetpaden en een smalle met bomen beplante groenstrook aan beide zijden.
Het woningenbestand bestaat uit 5 vrijstaande en 8 gekoppelde ééngezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin. De perceelgrootte varieert tussen de 450 en 540 m2 met uitzondering van 1 perceel (nr 1) van iets meer dan 1,000 m2.
De naam van de straat verwijst naar de natuurlijke oorsprong van het Leiselegebied. Vroeger was dit een nat terrein – een moerassig gebied met zanderige, droge ruggen begroeid met heide en brem, typische planten van schrale, voedselarme bodems. Voor wie het niet mocht weten, de brem (Cytisus scoparius) is een struik uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae) die een hoogte van 2 m kan bereiken. De trosvormige bloemen zijn goudgeel en ongeveer 2 cm lang. Van de twijgen werden vroeger bezems gemaakt en in tijden van schaarste werden ze gebruikt als vervanger van jute. Typisch voor de meeste bremsoorten is dat hun twijgen groen blijven in de winter.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuid-oostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave worden in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van het Brembos in het westelijke, blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke. Het domein was destijds eigendom van en bewoond door de familie Doudan-Dumortier. Het werd in 1838 opgedeeld in drie delen: het oostelijke deel bleef nog 85 jaar in handen van de familie Doudan, het centrale deel, bestaande uit het kasteel zelf en het omliggende park, werd verkocht aan de familie de la Kethule de Ryhove en het westelijke deel kwam in handen van Henri Sion.
Henri Sion, een aannemer uit Gent, woonde aan de Wijnzakstraat in Brugge. Hij was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels, dat nu dienstdoet als gemeenschapshuis van (deelgemeente) Sint-Michiels. Na zijn overlijden in 1870 ging kasteel en de landerijen in het Leiselegebied, over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “ Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.
Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
De straat kreeg haar officiële naam op 29 augustus 1961, toen de gemeenteraad de benaming goedkeurde. Datzelfde jaar werden de 13 bouwkavels uit de hand verkocht. Het duurde nog tot 1965 vooraleer de inrichting van de straat was afgerond. Een jaar later, in 1966, werden de eerste woningen gebouwd (nrs. 2, 4, 10 en 12). De straat werd de volgende jaren mondjesmaat volgebouwd.



