KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

BIEZENBOS

Situering

Biezenbos ligt in de Leiselewijk een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De straat verbindt het Kraaienhof met de Sint-Michielslaan en is ongeveer 190 m lang met een 5 m brede betonweg, voetpaden aan beide zijden en een parkeerstrook aan de zuidkant.

Het woningenbestand bestaat uit een 20-tal vrijstaande eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin.

Biezenbos is een toepasselijke naam voor zover de straat is aangelegd in de oude winterbedding van de Leisele- en Kerkebeek, een biotoop waarin de biesen gelijkaardige rietsoorten gedijen. Een echt biezenbos is het nooit geweest, want het gebied werd in de zomertijd begraasd en gedeeltelijk in cultuur gebracht. De naam mag niet verward worden met de Biezenstraat in de Brugse binnenstad.

Voor wie het niet mocht weten de bies (Schoenoplectus) is een dun tot drie meter hoog opgroeiend gewas dat zich bijzonder leent voor allerlei soorten vlechtwerk. Biezen groeien meestal op onbegroeide zandbodem in ondiep, stilstaand of getijdenwater. Voor de cultuur zijn twee soorten belangrijk: de mattenbies die in zoet water groeit en de ruwe bies, die de voorkeur geeft aan brak water. Van de gedroogde stengels van de mattenbies worden vooral vloermatten gemaakt terwijl de ruwe bies taaier is en beter geschikt voor gevlochten stoelzittingen.

Historiek

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijk landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van Biezenbos in het westelijk, blauw gearceerd deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.

Henri Sion, een aannemer uit Gent die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was op dat moment al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed als gemeenschapshuis en dat tegenwoordig leegstaat.

Na zijn overlijden in 1870 ginen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “ Ze kregen drie kinderen Victor, Leon en Clementine.

Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.

Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.

Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

Ondertussen was de aanleg van de nieuwe Biezenbosstraat al in volle gang en was de naamgeving van de straat “Biezenbos” al officieel goedgekeurd in de gemeenteraad van 29 augustus 1961.

De tien bouwpercelen aan de zuidzijde van de straat (oneven nummers) waren al in 1960 verkocht aan individuele eigenaren. Aan deze kant van de straat staan de oudste woningen (nrs 3 , 5 en 15) die in de periode 1962-63 werden gebouwd. De noordzijde (even nummers) maakte deel uit van een driehoeksperceel van ongeveer 10,000 m2 dat (ook in 1960) werd verkocht aan één eigenaar, die het in 1963 verder verkavelde in een twintigtal percelen. Het verkavelingsproces is gedocumenteerd in een paar kadastermutatieschetsen die in bijlage zijn toegevoegd.

Pas nadat de eerste woningen waren gebouwd, werd op het gemeentehuis duidelijk hoe riskant het was om overhaast te bouwen in de winterbedding van een rivier (of beek). De aanbesteding en aanleg van de riolering en andere voorzieningen liepen forse vertraging op. In de winter van 1965 en 1966 kreeg het gebied te maken met ernstige wateroverlast die grote delen, inclusief het Biezenbos, onder water zette. Dit kreeg nationale media-aandacht en veroorzaakte veel opschudding. De problemen werden uiteindelijk opgelost door de bouw van een nieuw pompstation bij de Brugse stadsring. De inrichting van de straat en omliggende gebied kon pas tegen het einde van 1967 worden afgerond. De straat werd vervolgens geleidelijk verder volgebouwd.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken