BASISSCHOOL RIJSELSTRAAT
Situering
De basisschool Rijselstraat is gevestigd aan de Rijselstraat nr 71 in het dorpscentrum van Sint-Michiels. Samen met de afdeling B in de Sint-Michielslaan vormt ze de stedelijke basisschool Sint-Michiels. Het schoolcomplex bestaat uit 4 vrijstaande gebouwen op een terrein van ongeveer 1 ha dat eertijds aangekocht is door de toenmalige gemeente Sint-Michiels van de familie Coppieters.
De school is een van de vier stedelijke basisscholen in de Brugse agglomeratie onder het beheer van de stad Brugge. Ze voldoet aan de inrichtingsvoorwaarden van de Vlaamse Gemeenschap die toegang geven tot personeels- en werkingskostensubsidies van de Vlaamse Overheid. Aldus maakt ze deel uit van het officieel gesubsidieerd onderwijsnetwerk.
Het modernistisch hoofdgebouw dateert van 1936. Het is zowel qua interieur als exterieur een representatief voorbeeld in het oeuvre van de architect Huib Hoste, die een pioniersrol speelde in de doorbraak van de moderne en functionele architectuur in Vlaanderen. De directeurswoning bevindt zich aan de straatkant. Dwars daarop, in de oksel verbonden door het trappenhuis, staat het twee bouwlagen hoge schoolgebouw dat in de beginjaren onderdak bood aan 2 x 3 klassen en een kleine feestzaal. Het trappenhuis is opvallend uitgewerkt met ‘kubistische’ vensters en een fraaie raaminvulling. Het originele schrijnwerk is in de loop der tijd gedeeltelijk vervangen. In het interieur zijn nog veel originele elementen te ontdekken, zoals de grote klaslokalen, grenzend aan de gang met glaspartijen aan beide kanten. Ook originele tegelvloeren in zwart, grijs en rood zijn in sommige klassen bewaard.
Zoals wettelijk voorgeschreven bestaat de school uit een kleuter- en een lager onderwijsafdeling. Het kleuteronderwijs is bedoeld voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar. De kleuters leren in de klas sociale vaardigheden, raken er vertrouwd met taal en met practische vaardigheden. Het daaropvolgende lager onderwijs omvat 6 aaneensluitende leerjaren voor kinderen van 6 tot 12 jaar. Gedurende deze zes leerjaren leren de kinderen de basisvaardigheden: lezen, schrijven, rekenen. Naast het veralgemeend vak lichamelijke opvoeding komen daar in het vijfde leerjaar “zaakvakken” bij zoals aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, verkeersopvoeding en franse taal.
De laatste jaren schommelt het aantal leerlingen tussen de 230 en 250, verdeeld over 6 kleuterklassen en 6-7 lagere schoolklassen.
Historiek
De geschiedenis van de school gaat terug tot 1836 toen het onderwijs in de Vlaamse contreien grotendeels in klerikale handen was. In de kerkanalen van het jaar 1800 is in Sint-Michiels sprake van een bijgebouw bij het kosterhuis, dienende voor school, dat de koster Johannes Verbiest zegt gebouwd te zijn door zijn vader Joannes Verbiest die koster was van 1757 tot 1798. De kosterschool stond bij de huidige ingang van het kerkhof.en telde toen een twintigtal leerlingen. In de Franse tijd greep de centrale overheid in maar de onderwijsvernieuwing drong in Vlaanderen slechts mondjesmaat door. In het landelijke gebied, zoals dat van Sint-Michiels, was op lager onderwijsniveau nog weinig of niets te merken van de Verlichting. Onder het Nederlandse bewind volgde een nieuwe poging tot de oprichting van een openbaar onderwijssysteem maar daar kwam weer niets van terecht. Het kosterschooltje telde toen maar een tiental leerlingen die hun schoolgerief – een lei en een griffel – zelf moesten bekostigen.
In 1830 werd België onafhankelijk en werd meteen een einde gemaakt aan de Nederlandse overheidsbemoeienis in het onderwijs. Veel gelukzoekers zagen de kans schoon om met schoolhouden te beginnen. In Sint-Michiels ging het ook mis met de kosterschool. De ontevredenheid over het functioneren van de school was zo groot dat het schepencollege, op basis van de nieuwe gemeentewet, besloot in te grijpen en een eigen kandidaat koster-onderwijzer voor te dragen, de 23-jarige Julien Vernieuwe uit Blankenberge. De ingreep van de gemeente schoot in het verkeerde keelgat van pastoor Lefebure. De pastoor kon zich niet vinden in de door de gemeente aangestelde onderwijzer en het eerste schoolconflict was geboren. In een heilige koleire stichtte de pastoor een eigen schooltje op. De gemeenteschool en pastoorschool zouden nog 10 jaar naast elkaar blijven bestaan tot de strijdbijl in 1847 werd begraven en de pastoor zijn schooltje sloot.
Een nieuwe gemeenteschool
Toen het aantal leerlingen steeg tot rond de 120 besloot het gemeentebestuur in 1848 de oude kosterschool bij de ingang van het kerkhof te sluiten. De gemeenteraad besloot een nieuwe school te bouwen naast de nieuwe pastorie in de Rijselstraat, de locatie waar anno 2026 ze nog steeds gevestigd is. De strook grond langs de Rijselstraat was eigendom van Eugenia Coppieters, jongste dochter van Albert Coppieters, heer van kasteel Zevenbergen aan de Diksmuidse Heirweg. Eugenia woonde in het Begijnhof in Brugge.
De bouw werd op 5 mei 1867 toegewezen aan metser Constant Bogaert uit Brugge. Het schoolhoofd Leo Lams nam in de loop van 1869 zijn intrek in de woning die aan de straatkant lag. Achter de woning bood het schoolgebouw onderdak aan twee klassen (een hoogste en een laagste klas) met aparte speelplaatsen voor jongens en meisjes, aan weerszijden van het schoolgebouw. De kadastermutatieschets is in annex toegevoegd.
De strijd tussen de liberale en katholieke visie op de inrichting van het Belgische onderwijs laaide weer op in 1878. Een fel antiklerikaal liberaal blok haalde het bij de nationale verkiezingen van 11 juni 1878 en stemde op 21 januari 1879 de tweede organieke onderwijswet – ook bekend als de wet Van Humbeek – die de onderwijswereld en het land in rep en roer zette. De hoofdbepalingen van de wet waren dat het schoolgeld werd afgeschaft; iedere gemeente minstens één officiële school moest onderhouden toegankelijk voor zowel jongens als meisjes; de gemeenten geen vrije school meer mochten aannemen; de aangenomen scholen werden afgeschaft, de onderwijzers in de gemeentescholen een diploma van een rijksnormaalschool moesten bezitten; godsdienstonderricht uitsluitend buiten de lesuren kon gegeven worden en alleen op uitdrukkelijk verzoek van de ouders worden ingericht.
De eerste grote schoolstrijd van België was losgebarsten, zo ook in Sint-Michiels. Stante pede gaf pastoor Charles Dewulf in 1879 gehoor aan de oproep van zijn bisschop om opnieuw een eigen vrije lagere school op te richten. Hij deed daarbij een beroep op de zusters van de Heilige Vincentius uit Merkem die een huis huurden in de Kaakstraat (de huidige locatie van het Immaculata Instituut in de Koningin Astridlaan) en er een gemengd schooltje begonnen. De grond was eigendom van Mevr. van Wint, bewoonster van het naburige kasteel Bloemenoord (nu gemeentehuis). De pastoor was overigens niet de enige die beroep deed op religieuze ordes om eigen kleuter- en lagere scholen op te richten. In deze periode werden in Vlaanderen honderden door religieuzen bestuurde vrije scholen opgericht.
Een groot deel van de katholieke bevolking in Vlaanderen stuurde hun kinderen naar de vrije scholen en de gemeentescholen liepen massaal leeg. De leegloop trof ook de gemeenteschool van Sint-Michiels maar viel nog relatief mee. In het schooljaar 1882-1883 bvb was de verdeling gemeente- en de pastoorschool ongeveer fifty-fifty.
De tweede schoolstrijd duurde uiteindelijk maar een zestal jaren, de duur van de liberale regeringsperiode. In Sint-Michiels werd, in overleg tussen het gemeentebestuur (onder leiding van burgemeester Baron Jules de Serret) en het vrije schoolbestuur (lees pastoor Charles Dewulf), een compromis gesloten. De gemeenteschool werd een jongensschool en de vrije zusterschool een meisjesschool. De clerus was al lang geen voorstander van een gemengde school. Ze vond dat meisjes best door kloosterzusters moesten worden opgevoed.
Rond de eeuwwisseling bleef het aantal leerlingen schommelen tussen de 120 en 140. Het schoolgebouw, daterend van 1868, werd in toenemende mate aangetast door de tand des tijds. In 1902 concludeerde het gemeentebestuur dat “de gemakken der leerlingen in het geheel niet meer voldeden aan de vereischten van de gezondheidsleer” en het gebouw dringend aan renovatie toe was. Aannemer Louis Dhondt kreeg de opdracht om het gebouw grondig op te knappen en uit te breiden. De schoolruimte werd in drieën herverdeeld, nieuwe banken werden aangekocht, alle lesmateriaal werd vernieuwd en er werd een overdekte speelplaats gebouwd.
Hoe de gemeenteschool de Eerste Wereldoorlog is doorgekomen is niet goed bekend. Uit de gemeenterekeningen blijkt dat schoolhoofd en hulponderwijzers de hele oorlogsperiode werden doorbetaald. Dat zou er kunnen op wijzen dat de school open is gebleven..Het naastgelegen gemeentehuis, de pastorie en de kerk werden flink beschadigd door beschietingen. Uit de inventaris van oorlogsschade aan de openbare gebouwen blijkt dat de gemeenteschool ook schade opliep maar niet ernstig. Na de bevrijding in oktober 1918 zorgde de Spaanse griep nog voor heel wat zieken en doden en bleef de school voor een langere periode gesloten.
Uit een ongedateerd schoolverslag van de jaren twintig blijkt dat de toestand van het in 1868 gebouwde en 1902 verbouwde schoolgebouw danig achteruit was gegaan. Het dak was zo slecht dat “wanneer het regent de banken moesten verzet worden om eene drooge plaats te vinden“. Een paar klassen moesten ondergebracht worden in de achterkeuken van het Gemeentehuis verderop in de Rijselstraat.
Burgemeester Louis De Mey nam architect Hubert (Huib) Hoste (1881-1957) onder de arm met de opdracht om een geheel nieuwe gemeenteschool met directeurswoning te ontwerpen. Schepen van Openbare Werken De Baecke vond de plannen van de burgemeester en zijn vriend Hoste veel te ambitieus. Hij werd daarin gesteund door een meerderheid in de gemeenteraad. Er kwamen alternatieve voorstellen op tafel. In totaal werden in de periode 1926-27 een tiental gemeenteraden gewijd aan het onderwerp waarbij de rapporteur (gemeentesecretaris Georges Depover) steevast notuleerde dat de besprekingen zodanig verward waren “dat het niet meer mogelijk was de sprekers uit elkaar te verstaan“.
Uiteindelijk keurde de gemeenteraad in oktober 1927 de aangepaste nieuwbouwplannen goed. De bouw liep grote vertraging op en het duurde nog tot 1934 vooraleer de 6 schoollokalen volledig ingericht waren. Het nog steeds bestaande modernistisch schoolgebouw vertoont zowel qua interieur als exterieur typische kenmerken. Het is een representatief voorbeeld van het oeuvre van Hoste, die een pioniersrol speelde in de doorbraak van de moderne en functionele architectuur in Vlaanderen. Het onderwijzerskorps bestond toen uit schoolhoofd Florent Dhoedt, Germain Sanders, Maurits Mostrey, Maurits Janssens en Godfried Lingier.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de gemeenteschool onder moeilijke omstandigheden functioneren. De school moest kinderen opvangen van gezinnen uit Zeebrugge, Zwankendamme en Antwerpen die op de vlucht waren voor het oorlogsgeweld. In het begin van de oorlog werd door het Commissariaat-Generaal voor de Passieve Luchtbescherming op de speelplaats van de school een schuilkeldercomplex gebouwd van drie “onderstanden” bestaande uit “betonnen bogen gedekt met aarde en graszoden welke veel plaats innemen en de vrije bewegingen en het spelen in open lucht der schooljongens grootendeels verhinderen”. De school kwam min of meer ongeschonden uit het bombardement van Pinksteren 1944 dat een groot deel van de dorpskern van Sint-Michiels in puin legde. Voor de bevolking moeten het moeilijke tijden geweest zijn met weinig eten en veel kou in de strenge winters van 1942, 43 en 44.
Na het trauma van het bombardement trokken onmiddellijk na de bevrijding donkere wolken boven de gemeenteschool van Sint-Michiels. Twee gewaardeerde onderwijzers Maurits Mostrey en Germain Sanders werden op 14 oktober 1944 aangehouden op verdenking van collaboratie met de bezetter. Een donkere bladzijde in de geschiedenis van de school die hier niet verder besproken wordt.
De school groeit – tweede schoolstrijd
Voor het eerst in de geschiedenis werd in 1952 de 8-jarige cyclus van het lager onderwijs. Het schoolgebouw werd heringericht om ruimte maken voor 8 volwaardige klassen maar toen in 1958 het aantal leerlingen gestegen was tot 260 werd het schoolgebouw te klein. Gemeente-ingenieur Amand Jonckheere kreeg de opdracht een nieuw losstaand klassenblok te ontwerpen. Het nieuwe gebouw moest onderdak bieden aan een inkomsthall, 3 klassen (van 8 x 8 meter), toiletten, een bureau met bibliotheek en een turnzaal van 24 x 11 x 6 meter. De bouwopdracht werd verleend aan aannemer André Himpe van Sint-Michiels die het gebouw begin 1960 opleverde. In de daaropvolgende jaren 1961 en 1962 werden een nieuwe galerij gebouwd voor de stalling van 120 fietsen en een tweede overdekte galerij die beschutting moest brengen tegen het ongure weer.
Ondertussen was Gabriël Alloo per 1 januari 1957 tot hoofdonderwijzer en opvolger van meester Dhoedt benoemd. Hij zou zijn functie als hoofdonderwijzer nog een vijftal jaren combineren met het onderwijzerschap (van de 5e klas) waarna hij tot zijn pensionering werd vrijgesteld.
Begin zestiger jaren brandde de schoolstrijd toch weer los in het relatief rustige Sint-Michiels. Zeer tegen de zin van de burgemeester Michel Van Maele en zijn CVP raadsmeerderheid, stuurde de rijksoverheid aan op de inplanting van een nieuwe rijkslagere school in de gemeente. Het plan van de toenmalige socialistische minister van Nationale Opvoeding en Cultuur Victor Larock (overigens gesteund door de CVP regeringspartner), gaf aanleiding tot heftige discussies in de Sint-Michielse gemeenteraad. In een paginalange, vlammende brief aan de minister protesteerde de burgemeester tegen de inplanting. De socialistische oppositieleden, die niet geheel onterecht vonden dat het gemeenteonderwijs niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk te dicht aanleunde bij de Kerk, steunden het initiatief van de minister. Ze werden beschuldigd van hoogverraad aan het gemeenteonderwijs
De protestbrieven en nieuwbouwplannen van het gemeentebestuur konden de rijksoverheid ondertussen niet tot andere gedachten brengen. De minister zette zijn plannen door. Op honderd meter van de gemeenteschool-annex-Sint-Michielsinstituut werd een stuk weiland in de toenmalige Guido Gezellestraat (later omgedoopt tot Vijverhoflaan) onteigend en in recordtempo opende de rijksschool haar deuren op 1 september 1963. Nog voor de deuren waren geopend was al een nieuw Koninklijk Besluit gepubliceerd waarin werd aangekondigd dat met ingang van dezelfde 1 september 1963 ook een gemengde rijksmiddelbare school zou opgericht worden waaraan de lagere school als voorbereidende afdeling zou toegevoegd worden. Het Atheneum Sint-Michiels was een feit.
Het Sint-Michielsinstituut
Met het vooruitzicht op de komst van een nieuwe rijksschool gingen het schepencollege en de nieuw opgerichte Vriendenkring van de Gemeenteschool in de tegenaanval. Ze lanceerden in mei 1962 een plan voor een verruiming van het gemeentelijk onderwijsaanbod met volwaardig middelbaar onderwijs. In de nota “Onderzoek naar de plaatselijke onderwijstoestand” werd een voorstel uitgewerkt om de lagere gemeenteschool uit te breiden met een lager middelbare afdeling (met moderne en oude humaniora) en, eventueel later, een hoger middelbare afdeling. Het geheel zou een pedagogische eenheid vormen die de naam Sint-Michielsinstituut zou krijgen.
In de daaropvolgende maand juni 1962 sloot burgemeester Van Maele een convenant met het Bisdom Brugge c.q. het Brugse bisschoppelijke Sint-Lodewijkscollege. De gemeente verkocht eind 1962 de 2 stukken bij de school braakliggende grond, die voor dat doel bestemd waren, aan het Bisdom. Het nieuwe schoolgebouw, bestaande uit 2×6 klassen en een dienstruimte, werd in juni 1964 in gebruik genomen.
Het instituut groeide onder de leiding van EH Martin Rebry uit tot een bloeiende lager middelbare school. Er kwam geen uitbreiding meer naar een hoger middelbare afdeling. In 1972 werd de hele afdeling overgeheveld naar de naburige nieuwe campus van het Sint-Lodewijkscollege in de Magdalenastraat te Sint-Andries. Het vrijgekomen gebouw werd door het Bisdom Brugge voor 10 miljoen BF weer verkocht aan de gemeenteschool. Hiermee was het nijpende tekort aan klasruimte opgelost.
Een nieuwe afdeling Sint-Michielslaan
Met het geld van de grondverkoop aan het Bisdom, kocht de gemeente 2 loten grond van de landbouwers- en hoveniersfamilie Van Belleghem voor de uitbreiding van de lagere gemeenteschool op een nieuwe locatie in de Sint-Michielslaan. Zoals verder besproken in een aparte bijdrage (Basisschool Sint-Michielslaan) ging het met de nieuwbouwplannen niet zo goed. Na een bijna 7 jaar durende lijdensweg werd de nieuwe wijkschool in de loop van 1969 in gebruik genomen
Het Bijzonder Lager Onderwijs (BLO) experiment
In 1968 werd op initiatief van schooldirecteur Gabriel Alloo gestart met een eerste Bijzonder Lager Onderwijs (BLO) klas. In zijn toespraak op de prijsuitreiking van het schooljaar 1962-63 pleitte de meester al voor de inrichting van een BLO-klas maar het pleidooi viel in dovemansoren. De inrichtende macht, lees burgemeester Van Maele, schoot het idee in eerste instantie af met de verklaring dat hij geen “domme klassen” in de school wilde. Uiteindelijk kon meester Alloo het gemeentebestuur toch overtuigen van nut en noodzaak van meer aangepast onderwijs voor minderbegaafde leerlingen. De eerste BLO-klas startte in september 1968 en had 12 leerlingen met Elmar Van Lantschoot als eerste leerkracht..Opmerkenswaardig was het feit dat met ingang van het schooljaar 1970-71, gemengd onderwijs werd ingevoerd in de BLO klas terwijl dat in de rest van de school pas 6 jaar later zou gebeuren. In 1976 deden allerlei geruchten de ronde dat de verantwoordelijke inrichtende macht (stad Brugge) van plan was zich terug te trekken uit het BLO en de BLO scholen van Sint-Michiels en de Ganzenstraat in Brugge over te hevelen naar de vrije onderwijssector. De BLO-afdeling van Sint- Michiels was toen uitgegroeid tot 7 klassen die in het oude schoolgebouw gevestigd waren. In de zitting van 13 augustus 1976 besloot de Brugse gemeenteraad de BLO activiteit voor de stad toch te behouden maar te concentreren in de Ganzenstraat. Dat was het einde van het 8-jarig BLO experiment in Sint-Michiels. De gevolgen vielen mee. De betrokken leerkrachten verhuisden mee naar de iets verder afgelegen Ganzenstraat en er werd gratis busvervoer geregeld voor de leerlingen uit Sint-Michiels. Met het vertrek van de BLO school en het vrijkomen van het Sint-Michielsinstituut kwam er een zee van ruimte beschikbaar in de vestiging aan de Rijselstraat.
Gemeentelijke fusie
Ondertussen bestond de gemeente Sint-Michiels niet meer. Op 28 december 1970 vergaderde de Sint-Michielse gemeenteraad voor de laatste keer en per 1 januari 1971 kwam officieel een eind aan de onafhankelijkheid van de gemeente Sint-Michiels. Alle gemeentelijke taken, inclusief het gemeentelijk onderwijs, werden overgeheveld naar de nieuwe stadsadministratie. In tegenstelling tot veel Vlaamse steden en gemeenten die in de loop der jaren kozen voor sluiting van de lagere gemeentescholen, koos het nieuwe Brugse gemeentebestuur voor continuïteit..Samen met Sint-Michiels werden de bestaande gemeentelijke lagere scholen van Sint- Andries, Dudzele en Lissewege gehandhaafd en onder de verantwoordelijkheid van de nieuwe inrichtende macht van de stad gebracht met als eerstverantwoordelijke, schepen voor Onderwijs Mevr. Nelly Maes-Van Robaeys. Het bestaande onderwijzerskorps werd door de nieuw gekozen Brugse gemeenteraad op 16 juli 1971 formeel herbenoemd. De toen nog lagere (jongens)school telde 480 leerlingen (20 klassen,12 in de Rijselstraat (exclusief 2 BLO klassen) en 8 in de Sint-Michielslaan. Ze behoorde toen tot de top 5 van gemeentescholen in de Provincie West Vlaanderen.
Gemengd onderwijs – fusie – crisis
Het jaar 1976 was een belangrijk jaar in de geschiedenis van de gemeenteschool. Vooreerst kondigde de verantwoordelijke schepen van Onderwijs, Mevr. Maes-Van Robaeys, aan dat, te rekenen vanaf het schooljaar 1976-77, gemengd onderwijs verplicht gesteld zou worden in alle stadslagerescholen. Een aantal gemeentelijke jongensscholen waren al eerder vrijwillig op gemengd onderwijs overgestapt maar in Sint-Michiels had schoolhoofd Gabriel Alloo tot die tijd “het been stijf gehouden” en zich verzet tegen de invoering van gemengd onderwijs in zijn school.
Nog in hetzelfde jaar 1976 besloot het stadsbestuur in het kader van een algehele herstructurering van het gemeentelijk onderwijs tot een fusie met de gemeentelijke lagere school van Sint-Andries. De school aan de Diksmuidse Heirweg had te kampen met een afnemend leerlingenaantal. Gedacht werd dat onder de bezielende leiding van Gabriel Alloo het gemeentelijk onderwijs weer nieuw leven zou ingeblazen worden en kosten zouden kunnen bespaard worden
De fusie met de gemeenteschool van Sint-Andries loste de verwachtingen niet in. Wat schoolhoofd Alloo al eerder vreesde werd bewaarheid. Met de invoering van het gemengd onderwijs kozen veel jonge gezinnen voor de naburige vrije Immaculata- of de Sint-Jozefschool. Beide scholen hadden, terecht of ten onrechte, een sterk imago op onderwijs-inhoudelijke aspecten, sfeer en discipline. De gevolgen waren dramatisch. In de gemeenteschool halveerde het aantal leerlingen in de periode 1976-83 van 480 (jongens) naar 215 (gemengd) en het aantal klassen van 12 naar 7. Om het tij te keren pleitte schooldirecteur Alloo voor de oprichting van een (gemengde) kleuterschool om de ontstane concurrentie met de twee vrije lagere scholen en de rijksschool (Atheneum) beter aan te gaan en directe doorstroming van de kleuters naar de eigen school mogelijk te maken.
Kleuteronderwijs en herstel
De inrichtende macht (stad Brugge) kon de oprichting van een kleuterafeling in eerste instantie niet door de Brusselse ambtelijke molen krijgen. De afdeling kwam er toch via een achterpoortje. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de bestaande kleuterafdeling van Sint- Andries van 2 klassen te splitsen en een klas onder te brengen in Sint-Michiels. Er was dus geen sprake van een “nieuwe” kleuterklas. De splitsing werd op 13 september 1976 door de Brugse gemeenteraad goedgekeurd. De eerste (gemengde) kleuterklas ging in Sint-Michiels van start in het schooljaar 1976-77. Het was een succes en verzachtte enigszins de pijn van de leegloop in de lagere afdeling.
De inrichting van het kleuteronderwijs was een noodzakelijke maar op zichzelf nog onvoldoende stap om de toekomst van de gemeenteschool veilig te stellen. Het zou de volgende jaren nog veel moeite en inspanning vragen van het onderwijzerskorps en de Vriendenkring om jonge gezinnen persoonlijk te benaderen en te overtuigen hun kinderen naar de gemeenteschool te sturen.
Het waren zware tijden voor schooldirecteur Alloo die in het schooljaar 1982-83 zijn directeursfunctie wegens gezondheidsproblemen moest neerleggen. De voorafgaande 10 jaren waren “tropenjaren” geweest: de fusie met Sint-Andries, de invoering van het BLO en het gemengd onderwijs, de leegloop van “zijn” school en de oprichting van de kleuterafdeling hadden veel krachten geëist. Guido Van Eenoo, oud-hoofd-onderwijzer van de gefuseerde school van Sint-Andries, nam de functie tijdelijk over. Ook voor hem was het beheer van de gefuseerde school, met in totaal 37 klassen, een zware dobber. In de openbare zitting van 30 juni 1987 besloot de Brugse gemeenteraad dat “te rekenen met 1 september 1987 de gemeentelijke basisschool Rijselstraat 71 wordt opgericht terwijl de gemeentelijke basisschool Diksmuidse Heirweg als bestaande school behouden blijft“. Meester Van Eenoo keerde terug naar Sint-Andries en de “nieuwe” gemeenteschool van Sint-Michiels moest op zoek naar een nieuw schoolhoofd. Na een korte interim van de nestor van het onderwijzerskorps, Guido Janssens, werd Eduard Verhaeghe per 1 november 1987 benoemd tot nieuwe directeur. De rust in onderwijsland keerde terug en in de periode 1987-1992 steeg het aantal leerlingen weer naar 280.
Consolidatie
Bij een vrijwel gelijkblijvend aantal inwoners (116.000) daalde de basisschool-bevolking in de Brugse agglomeratie in de periode 1990-2023 van ongeveer 13.000 naar 11.000.. De goede oude tijden kwamen niet meer terug. De inkrimping vond plaats in vrijwel alle basisscholen van de stad Brugge inclusief de stedelijke basisschool Sint-Michiels waar het totaal aantal leerlingen, inclusief kleuters, daalde, het gevolg van de vergrijzing van de stedelijke bevolking. Omdat de gemiddelde klasgrootte daalde bleef het totaal aantal klassen ongeveer gelijk, variërend tussen de 25 en 27.
Met een krimpend aantal leerlingen en gelijkblijvend aantal klassen veranderde er op het vlak van de schoolinfrastructuur de laatste 30 jaar niet zoveel meer. De drie schoolblokken werden in de loop der jaren gerenoveerd en gemoderniseerd. Het voornaamste project was de verbouwing van de oude turn-feestzaal tot 2 leslokalen en de bouw van een nieuwe modern uitgeruste turnzaal die in de loop van 2005 in gebruik werd genomen.
De onderwijswereld is altijd in beweging en op onderwijskundig gebied gebeurde er de afgelopen 25 jaar het nodige. Het Vlaamse decreet Basisonderwijs van februari 1997 was een nieuwe mijlpaal in de geschiedenis van het lager onderwijs in Vlaanderen. De Vlaamse overheid voelde de noodzaak om meer aandacht te besteden aan de uitwerking van een kwaliteitsbevorderende dienstverlening. Voor elk leergebieden werden “eindtermen” geformuleerd dwz concrete doelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht dwz een minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden die alle leerlingen van de leerlingengroep verwerven tijdens het leerproces.
Onder minister van Onderwijs en Vorming, Marleen Vanderpoorten, werden er scholengemeenschappen opgericht in het basisonderwijs..De nieuwe vorm van samenwerking werd per 1 september 2005 in geldende wetgeving verankerd. Per 1 december 2005 maakte de gemeenteschool van Sint-Michiels deel uit van de scholengemeenschap O2 (Zuurstof voor de samenleving) van het Stedelijk Onderwijs Brugge waarvan verder nog de drie functionerende stedelijke basisscholen deel uitmaken, zijnde: de stedelijke basisschool Sint-Andries “De Triangel” met een kleuter- en lagere afdeling gevestigd in de Diksmuidse Heirweg; de stedelijke basisschool Dudzele-Lissewege met een kleuterafdeling “Onze Bijenkorf” gevestigd in de Damsesteenweg in Dudzele en een lagere school “Ter Poorten” in de Stationsstraat in Lissewege en de stedelijke Basisschool Buitengewoon Lager Onderwijs “De Ganzenveer” gevestigd in de Ganzenstraat in Brugge.
Kort daarop werd de nieuwe wetgeving van kracht betreffende de verdere ontwikkeling van een participatief schoolklimaat. Naast de reeds lang functionerende, maar informele, overlegorganen zoals ouderraden en schoolvriendenkringen, achtte de Vlaamse Overheid de tijd gekomen om de inspraak en participatie van alle in de school betrokken partijen ook wettelijk vast te leggen. Het decreet van 2 april 2004 verplichtte iedere basis- (en middelbare) school een schoolraad op te richten waarin ouders, het onderwijzend personeel, de leerlingen en de lokale gemeenschap vertegenwoordigd zijn en om de 4 jaar herkiesbaar zijn.
In meer algemene zin voltrok zich de laatste paar decennia een stille revolutie in het leerkrachtenberoep. Nieuwe toepassingen vonden hun weg naar de klas en leerkrachten kwamen constant voor nieuwe uitdagingen te staan. Hoe om te gaan met een multiculturele klas? Hoe speel je in op noden van de leerlingen? En wat doe je met alle nieuwe computertoepassingen die een einde dreigen te maken aan het meer traditionele krijtbord en handboek? Het leren werd ook meer en meer ingebed in concrete, realistische, op de samenleving gerichte situaties die voor de lerende jongeren betekenisvol en representatief zijn.
De feminisering van het lager onderwijs is een opvallende ontwikkeling die zich op het niveau van de gemeenteschool van Sint-Michiels ook duidelijk heeft gemanifesteerd en een verschijnsel is dat zich in vrijwel alle Westerse landen voor heeft gedaan.
De veranderingen in de directie kunnen ook niet onvermeld blijven. Na eerst 22 jaar voor de klas gestaan te hebben en vervolgens 15 jaar directeurschap, nam de school op 1 mei 2001 afscheid van Eduard Verhaeghe, de vijfde hoofdonderwijzer van de school sinds de oprichting in 1836. De benoeming van een opvolger had nogal wat voeten in de aarde. De keuze viel op de toenmalige nestor van het onderwijzerskorps Jean-Pierre Legroe die 35 jaar voor de klas had gestaan en op tijdelijke basis werd aangesteld als schoolhoofd tot zijn pensionering per 1 september 2007. Sindsdien wordt de gemeenteschool geleid door Marc Arschoot die in 1987 in dienst was getreden .




