ABELENDREEF
Situering
De Abelendreef ligt in de dichtbeboste zuidwestelijke helft vandeelgemeente Sint-Michiels. In oorsprong was het gebied een van de heidevelden die in de 18e eeuw door de heren van kasteeldomein Tillegem werden drooggelegd en bebost.
De dreef is ongeveer 200 meter lang, met een smal 3 m brede betonbaan zonder verharde bermen. Ze verbindt, met een haakse hoek, de Kooidreef met de Onze-Lieve-Vrouwdreef. Ter hoogte van de knik is nog een smalle betonnen 1 m breed betonpad dat alleen toegankelijk is voor de betreffende bewoners en leidt naar de Sint-Andriesdreef. Een kaart met de ligging en het woningenbestandvan de straat is toegevoegd in bijlage.
Van de 14 aangrenzende bouwpercelen hebben er 2 toegang tot de Sint-Andriesdreef en 1 tot de Kooidreef. In alle gevallen gaat het om vrijstaande ééngezinsresidentiële villa’s op bospercelen die variëren tussen de 2.500 en 6.500 m2.
Een bijzondere vermelding verdient huis Abelendreef 8. Het is niet alleen bekend vanwege zijn modernistische architectuur, maar ook vanwege zijn illustere eerste bewoner, kanunnik Robrecht Stock die het huis in 1958 liet bouwen. Een korte biografie over het leven en werk van de kanunnik is toegevoegd in bijlage.
De dreef is genoemd naar een bomennaam: de abeel. De witte abeel (Populus alba), ook wel zilverpopulier genoemd, is een boom uit de wilgenfamilie (Salicaceae). De boom komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en in het midden en het westen van Azie. Hij heeft een kenmerkende gladde, witte of grijze schors met ruitvormige tekeningen. In onze contreien was het zachte hout van de boom zeer gewild bij de klompenmakers.
Historiek
De historiek van het Tillegemdomein gaat terug tot de 11e eeuw en wordt uitgebreid besproken in een apart hoofdstuk. Het zuidelijke deel van Sint-Michiels maakte ooit deel uit van een heidegebied met talrijke moerassige vennen en vijvers. Pas in de 18de eeuw werd begonnen met de drooglegging en bebossing ervan. In de jonge bossen werden dreven aangelegd door de toenmalige eigenaars van het landgoed.
Bij de eerste opmeting van het kadaster in 1835 was het kasteeldomein ongeveer 100 ha groot. De toenmalige kasteelheer Charles le Bailly de Tilleghem (1786-1833) was toen net overleden. Dit leidde tot een erfenisgevecht tussen de weduwe en haar twee kinderen dat 35 jaar zou aanslepen. Pas bij het overlijden van weduwe Emilie Goethals in 1868 kwam het kasteeldomein definitief in het bezit van zoon Hector le Bailly de Tilleghem. (1822-1877). Hij was getrouwd met Eulalie Goethals. Ze konden er niet lang van genieten. Echtgenote Eulalie stierf in 1873 en kasteelheer Hector in 1877. Het echtpaar bleef kinderloos en op zijn sterfbed wees Hector zijn toen negenjarig nichtje en petekind Marguerite Koenig aan als erfgenaam. Ze zijn alle drie bijgezet in het familiegraf van de familie le Bailly op het kerkhof van Sint-Michiels.
Marguerite Koenig was de dochter van Marie-Therèse le Bailly de Tilleghem, een tante van Hector, die gehuwd was met Jean-Chrétien Koenig. De familie Koenig zat in zware financiële problemen en maakte de riante erfenis te gelde. Het domein raakte snel in verval en vader Jean-Chrètien, de wettelijke voogd van Marguerite, verkocht twee jaar later (1879), het gehele Tillegemdomein in drie grote loten.
Het zuidelijke deel van het domein, ten zuiden van de grote toegangsdreef van het kasteel, werd voor een groot deel aangekocht door Albert van Caloen (1856-1933), zoon van Charles van Caloen (1815-1896), bouwer van het kasteel Loppem. Het noordelijk gedeelte van het aangekocht gebied was toendertijd grondgebied Sint-Michiels, het zuidelijke deel (ten zuiden van de huidige Valkenbosdreef) was grondgebied Loppem.
Albert van Caloen stierf in 1933. Na de dood van zijn vrouw Marie-Therèse van Ockerhout in 1940, erfde de zevende van de dertien kinderen, Karl van Caloen het door vader Albert aangekochte deel van het Tillegembos.
Bij het passeren van de erfenisakte in 1941 werd al duidelijk dat baron Karl plannen had om het bosrijke gebied te verkavelen. Het grondpercelenpatroon werd kadastraal hertekend met het oog op verkoop en inrichting van het gebied als woonpark. Woonparken vormden toen (en nog steeds) felbegeerde woonbuurten die, ondanks een aantal ongemakken, een rustige, groene en ruime woonomgeving met veel privacy boden en nog bieden.
In het noordelijk gedeelte, op grondgebied Sint-Michiels, was het plan om min of meer parallel met de bestaande Sint-Andriesdreef een nieuwe noord-zuid lopende dreef aan te leggen (die later de naam Kooidreef zou krijgen) en een viertal oost-westverbindingen (de latere Fazantendreef, Platanendreef, Veldhoendreef en Abelendreef). Het voorgestelde wegennetwerkis ingetekend op het primitief kadasterplan van 1835 dat is toegevoegd.
De verkavelingsplannen verdwenen vanwege WO II voor een aantal jaren in de ijskast. Toen het Sint-Michielse gemeentebestuur zo rond 1954 in de gaten kreeg dat baron Karl grond aan het verkopen was op haar grondgebied, werd hij op het gemeentehuis ontboden. In de loop van 1955 werd een eerste concept verkavelingsplan besproken in het College van Burgemeester en Schepenen. Het College verklaarde zich in een vergadering 9 april 1955 akkoord met het voorgestelde plan “op voorwaarde de volgende werken op eigen kosten uit te voeren: 1) de verharding in monoliet beton van 20 cm dikte van het voorgestelde wegenplan, 2) het aanleggen en opschikken van deze wegen ingevolge de breeddten en afmetingen welke op dit plan voorkomen; 3) de rijwegverharding van de hoofdweg Sint-Andriesdreef een breedte te geven van 4 meter en al de overige secundaire wegen welke hiermede aansluiten met een rijwegbreedte van 3 meter aan te leggen; 4) de gemeente Sint-Michiels op voorhand te verwittigen van het begin van deze verhardings- en opschikkingswerken ten einde toe te laten aan het gemeentebestuur toezicht over deze werken uit te voeren; 5) deze verhardings- en opschikkingswerken te voleindigen binnen de twee eerstkomende jaren met dien verstande dat 50% van de wegen in 1955 en 50 procent in 1956 verwezenlijkt worden.
Het plan en de algemene bouwvoorschriften voor het verkavelingsgebied werden vastgelegd in het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr 6 Sint-Andriesdreef waarvan een kopie is toegevoegd in bijlage. Het werd in opdracht van de gemeente uitgewerkt door Lucien Coppé, architect-urbanist en bekende van de familie van Caloen. In het BPA werden drie zones voor open ruimte voorzien: een 10 meter brede zone voor openbare weg, een 10 meter zone non aedificandi met als hoofdbestemming tuinstroken tussen voorgevel en rooilijn (voortuin-stroken) en een 10 meter zone tussen zijgevel en zijperceelsgrens (zijtuinstroken). Verder werden enkele algemene bouwvoorschriften opgenomen, waarvan de voornaamste waren: 1) er mogen alleen bomen gerooid worden op de plaats waar de gebouwen moeten opgericht worden 2) de afstand tussen gebouwen moet minstens 20 meter zijn, 3) er mag niet verkaveld worden in loten van minder dan 2.000 m2, 4) de eventuele bestrating en het onderhoud ervan is ten laste van de verkoper cq kopers.
Het BPA werd door de Sint-Michielse gemeenteraad formeel goedgekeurd in de zitting van 8 december 1956. Het verdere verkavelingsproces is weergegeven in een drietal mutatieschetsen die eveneens in bijlage zijn toegevoegd.
De bouwkavels in de Abelendreef werden in de periode 1955-58 aan individuele eigenaren verkocht. Dat was ook de periode waarin de betonverharding van de dreef werd aangelegd door grondeigenaar Karl van Caloen. De afgesproken 3 m brede verharding kwam er slechts gedeeltelijk. De 8 eigenaren van percelen aan de “doorsteek” naar de Sint-Andriesdreef besloten eigenhandig om hun stuk van de weg voor doorgaand verkeer af te sluiten (met paaltjes aan de Sint-Andriesdreef) en de verharding te beperken tot een 1 m breed betonpad.
De dreef kreeg in eerste instantie de naam Beukendreef toebedeeld. Om spraakverwarring te vermijden met de Beukendreef in Assebroek en de Beukenlaan in Sint-Andries en Sint-Kruis, werd de naamgeving, ter gelegenheid van de fusie van Groot-Brugge, in 1971 gewijzigd in Abelendreef. Het is niet ongebruikelijk dat wegen of straten in dichtbebost gebied bomennamen krijgen. Beukendreef was wel een zeer toepasselijke naam, omdat de beuk veelvuldig voorkomt in het Tillegem-woonpark. De naam Abelendreef is minder voor de hand liggend. De abeel is eigenlijk een niet-inheemse boomsoort die maar sporadisch voorkomt in Tillegem.



