KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

SINT-GODELIEVELAAN

Situering

De Sint-Godelievelaan ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De straat verbindt, over een afstand van ongeveer 230 m, de Sin-Arnolduslaan met de Wagenbruggelaan. Het tracé is 12 meter breed en heeft een betonrijweg van 5 meter en een smalle groenstrook met voetpaden aan beide zijden.

De locatie en het woningenbestand zijn terug te vinden in de toegevoegde fotogalerij

Met  uitzondering van een zestal percelen in het begin en op het einde van de laan, die gekocht werden door particuliere kopers, maakte de rest van de percelen deel uit van een sociaal woningbouwproject van de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen, bekend onder de naam “126 woningen project”. Ter hoogte van ’t Kloosterhof is er nog een doorgang naar de Sint-Arnolduslaan. In dit deel van de straat bevinden zich nog 5 vrijstaande woningen

De straat is genoemd naar de heilige Godelieve van Gistel, patroonheilige van de in de jaren zestig opgerichte nieuwe parochie in het Leisele-gebied. Godelieve (ca. 1049 – ca. 1070) was uitgehuwelijkt aan Bertolf, zoon van de kasteelheer van Gistel, en door haar schoonfamilie mishandeld, uitgehongerd en vermoord. Ze werd op 30 juli 1084 door de bisschop van Doornik, Radbod II, heilig verklaard. Het leven van Godelieve van Gistel werd voor het eerst in 1080 beschreven door Drogo, een benedictijner monnik van de abdij van Sint-Winoksbergen, toen ze nog niet als heilige was erkend, maar door het volksgeloof zeer vereerd werd.

Historiek

De Sint-Godelievelaan is gesitueerd in het Leisele-gebied, dat tot begin zestiger jaren van de vorige eeuw een laaggelegen nat gras- en weilandgebied was ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels, tussen de Kerke- en Leiselebeek. Het gebied kwam in wintertijd, als overstromingsbuffer, regelmatig onder water.

Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van de Sint-Godelievelaan in het blauw gearceerde westelijke deel van het kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.

De van Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion woonde in de Wijnzakstraat in Brugge en was al eigenaar van het kasteeldomein Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat. Hij overleed in 1870 en de landerijen in het Leiselegebied gingen over naar zijn echtgenote Petronella. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, waarvan vooralsnog onduidelijk is of het een aangenomen kind dan wel een kind uit de familie was. Clemence trouwde in 1856 met Joannes Van Wint, “proprietaire et directeur de la messagerie de Gand“. Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella het hele kasteeldomein en de landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en kleinzoon Victor overleed, twee jaar na de schenking, op nog geen 20-jarige leeftijd. De hele erfenis ging over naar Victors broer Leon. Leon Van Wint  was gehuwd met Marie-Antoinette Carton. Vader Leon overleed vroegtijdig in 1919, maar de weduwe bleef nog tot WO II het kasteel Bloemenoord bewonen. De weduwe Van Wint overleed in 1949 op 89-jarige leeftijd en de twee dochters Agnes en Suzanne erfden de landerijen in het Leiselegebied van hun moeder.

Burgemeester Michel Van Maele had goede banden met de familie Van Wint, van wie hij na WO II al het kasteel Bloemenoord had gekocht (en ingericht als gemeentehuis). Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de op zichzelf weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.

Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, besprak de modaliteiten van de verkoop met de gemeente Sint-Michiels en vastgoedmakelaar Maurice Ballegeer kreeg het mandaat van  de eigenaressen om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord stipuleerde verder dat de verkopende grondeigenaar op eigen kosten het basiswegennetwerk en de riolering zou aanleggen en, na aanleg, kosteloos aan de gemeente zou overdragen.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

Ondertussen was het verkavelingsproces in volle gang en was de straatnaam goedgekeurd in de gemeenteraad van 29 augustus 1961. Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen van de gemeente en tegen eind 1961 was vrijwel het gehele tracé van de straat verkocht en verkaveld in een 50-tal bouwpercelen, bestemd voor de bouw van eengezinswoningen, variërend in grootte tussen 300 en 600 m2. Een 30-tal percelen maakt deel uit van het sociale “126 woningen project” van de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen, de rest werd verkocht aan particuliere eigenaren.

Het ging niet goed met het sociale woningbouwproject van de Interbugse Maatschappij. Aannemer PVBA Vanden Bulcke uit Rumbeke begon in april 1962 met de bouw van een eerste reeks van 50 woningen (loten 1 en 4) en in september 1962 met de overige 76 woningen (loten 2, 3 en 5). De woningen werden eind 1963 opgeleverd, maar het hele projectgebied bood toen nog een troosteloze aanblik. Wat voor de bewoners een spannend avontuur had moeten zijn, veranderde al gauw in een bron van frustratie. De gemeente kreeg te maken met boze brieven, klachten en publieke uitingen van ongenoegen van de eigenaars die hun woning op basis van een aankoopbelofte (compromis) hadden gekocht.

De bestratingswerken en de aanleg van de riolering kwamen pas in 1964 goed op gang, en het duurde tot begin 1965 voordat ook de verdere inrichting en aanplantingswerken werden aanbesteed. Pas in maart–april 1965 keerde de rust enigszins terug, toen notaris Van Caillie eindelijk kon overgaan tot de notariële overdracht van de woningen. .

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken