KONIJNENPIJP
Situering
De Konijnenpijp is gelegen in de wijk Ter Linden, genoemd naar het kasteeldomein Ter Linden dat begin jaren zestig van de vorige eeuw werd verkaveld. De straat verbindt de Stropersgracht met de Artemislaan, die pal naast de Expressweg N31 loopt. De straat is ongeveer 170 meter lang. De hoofdtoegang tot de straat is in de Stropersgracht. Het eerste stuk van 75 m heeft een tracébreedte van 10 m met een 6 m brede betonrijweg en met bomen beplante groenstroken van 2 m. Het mondt uit op een min of meer vierkant open plein van ca 1,000m2 wat de straat een woonerfachtig karakter geeft. De doorsteek van ongeveer 60 m naar de Artemislaan is smaller.
Het woningenbestand bestaat uit 16 vrijstaande eengezinswoningen met een kleine voor- en achtertuin, waarvan 2, bij de ingang van de straat, hun toegang hebben in de Stropersgracht.
De straatnaam hoeft geen nadere omschrijving of verklaring. Bij het ontwerp van de Ter Linden verkaveling koos het gemeentebestuur van Sint-Michiels voor straatnamen die verband houden met de jacht (Dianadreef, de Stropersgracht, Artemislaan, Jachtveldsraat, Amazonedreef). Een keuze die refereert naar de (oude) tijd dat kasteeldomeinen als ter Linden uitgestrekte landerijen hadden waar veel gejaagd werd.
Historiek
Het terrein gelegen tussen de historische woonkern van Sint-Michiels (langs de Rijselse Heirweg) en de Torhoutse Steenweg, ten noorden van het Tillegemdomein had tot vóór WO II een landelijk karakter. Verspreid over het gebied waren er een tiental landbouwnederzettingen die eigendom waren van de gegoede burgerij die verpacht werden dan wel gebruikt als buitenverblijf.
Begin negentiende eeuw was de adellijke familie de Heere de Beauvoorde de voornaamste landeigenaar. De familie was in 1667 in de adelstand opgenomen en vanaf de 15e eeuw waren al voorvaders burgemeesters van Veurne, Brugge en het Brugse Vrije geweest. Zo was Bruno-Maximilien de Heere (1757-1815) de laatste schout van Brugge. De familie de Heere woonde in die tijd in een groot huis op de Markt van Brugge,
Een paar jaar vóór zijn dood in 1815 schonk stamvader Bruno-Maximilien het landgoed in Sint-Michiels aan zijn twee dochters. Eugénie kreeg het oostelijke deel van het gebied aan de Torhoutse Steenweg, dat uit 17 percelen bestond en later het kasteeldomein Vogelzang zou genoemd worden. Haar 4 jaar jongere zuster Rosalie kreeg het grotere deel tussen de huidige Graaf de Brieylaan, Xaverianenstraat en Koningin Astridlaan, dat bekend zou worden als het kasteeldomein Ter Linden.
Over de oorsprong van domein Ter Linden is maar weinig bekend. Heemkundige en apotheker Gerard Franchoo heeft in de zestiger jaren van de vorige eeuw diepgaand onderzoek gedaan naar de oorsprong, die terugging tot het begin van de 15e eeuw . De oudste bij de Brugse toponymist Karel de Flou aangetroffen vermelding dateert pas van 1544. Toen behoorde Ter Linden aan de Jerusalemkapel uit Brugge. Het was eerst een pachthoeve, werd later een herenboerderij en moet ongetwijfeld een achterleen geweest zijn van de heerlijkheid Tillegem tot het einde van het ancien regime in 1795.
Ten tijde van het opmaken van het eerste primitieve kadasterplan van 1835 was het ter Linden-domein dus eigendom van Rosalie de Heere (1788-1855) die getrouwd was (in 1816) met Gustave de Laage de Bellefaye, “ous-préfet” in het Noord-Franse Saint-Omer. Het domein bestond toen uit een 50-tal kadastrale percelen, een gebied van ongeveer 60 ha. Of het echtpaar de Laage – de Heere het landgoed en kasteel ook daadwerkelijk bewoonde dan wel als buitenverblijf gebruikte, moet nog uitgezocht worden. Het echtpaar had 5 kinderen. De broer van Rosalie, Bruno de Heere (die vrijgezel bleef) was overigens van 1820 tot 1831 burgemeester van Sint-Michiels.
Dochter Eugénie de Laage de Bellefaye (1820-1880) erfde het domein van haar vader Gustave in 1861. Ze was in 1839 getrouwd met haar neef Joseph-Bruno Kervyn (1817-1891), zoon van Joseph-Guillaume Kervyn, bewoner en beheerder van het naburige Vogelzangdomein. Na zijn overlijden werd het kasteel en het grootste deel van het ter Lindendomein in 1893 toebedeeld aan dochter Louise Kervyn de Lettenhove.(1852-1932), die toen gehuwd was met Louis (Lodewijk) de Briey (1850-1918). Rond de benaming van echtgenoot de Briey bestaat enige verwarring, omdat hij ook soms benoemd wordt met zijn tweede voornaam Edouard. Het echtpaar had 8 kinderen, waarvan 3 jong stierven. Moeder Louise stierf in 1932.
De nalatenschap bleef nog 7 jaar in onverdeeldheid eigendom van de 5 overlevende kinderen de Briey tot ze in 1939 uit de onverdeeldheid traden en het kasteel en omliggende terreinen werd toebedeeld aan de jongste van de 5 kinderen, Pierre. Graaf Pierre de Briey (1896-1984) was net daarvoor, in 1934, in het huwelijk getreden met gravin Joanna Ghika (1909-2002), lid van een Oostenrijkse adellijke familie die hij in zijn diplomatieke dienst had leren kennen. Het gezin de Briey-Ghika kon niet veel genieten van de erfenis. Enkele maanden na het passeren van de verdelingsakte brak WO II uit. Wat verder tijdens en na de bezetting is gebeurd met het kasteel en het domein wordt uitvoerig besproken en toegelicht in het boek van Dr. Carlos Vlaeminck, Operatie Ramrod 934. Het kasteel werd in mei 1944 gebombardeerd en was niet meer bewoonbaar te maken. Verder wordt verwezen naar een aparte bijdrage over kasteel ter Linden (zie Kastelen).
Het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Michiels richtte zich in april 1948 tot graaf de Briey met de vraag om de kasteelruïne definitief te slopen en het puin te mogen gebruiken voor wegverharding. De sloopwerkzaamheden werden in de loop van 1952 voltooid. De beslissing was toen al bij de familie de Briey gevallen om het hele kasteeldomein te verkavelen en te verkopen.
Met de medewerking van het Sint-Michielse gemeentebestuur werden de jaren daarop plannen uitgewerkt die het verkavelingsproces in goede banen moesten leiden. Eigenaar graaf Pierre de Briey (1896-1984) trad op als verkavelaar. Hij nam het Brugse notariskantoor van Georges Van Caillie en bouwpromotor Maurice Ballegeer onder de arm om het verkavelingsproces te faciliteren. Nogal wat burgers fronsten de wenkbrauwen bij deze afspraak, omdat de gronden uit de hand werden verkocht en de heer Ballegeer een bekende zakenpartner van de burgemeester was. Hierdoor kreeg het hele verkavelingsproces en de toewijzing van de gronden een (gemeentelijk) politiek tintje.
Het verkavelingsproces was eigenlijk al meteen in 1952 ingezet, toen de familie de Briey bereid was gevonden om een terrein van 3,4 ha aan de Koningin Astridlaan te verkopen aan de West-Vlaamse veehandelsbond om er een eigen overdekte veemarkthal te bouwen. Het initiatief werd van harte gesteund door de gemeente Sint-Michiels en zorgde voor de nodige commotie in de Brugse regio. Meer details over de “veemarktoorlog” zijn te vinden in een aparte bijdrage (zie Veemarkt).
Vervolgens kwamen de terreinen aan de (Witte) Molenstraat en de Xavearianenstraat, ten oosten van het geplande tracé van de Expressweg N31, aan de beurt. Het gebied van ongeveer 3,5 ha werd ontsloten met de verlenging van de toen bestaande Molenstraat (met ongeveer 180 m) en de aanleg van drie nieuwe straten: de Amazonestraat, Jachthoornstraat en Ruitersweg. De straatnamen werden officieel goedgekeurd in de gemeenteraad van 15 december 1959.
Voor het grote gebied ten westen van de geplande Expressweg N31 kreeg de Brusselse urbanist en architect Ray Huyghebaert in eerste instantie de opdracht van de gemeente Sint-Michiels een “voorontwerp van de nieuwe wijk ter Linden” te maken. “Overwegende het enorm belang voor de gemeente Sint-Michiels en eerstdaags zal overgegaan worden tot de aankoop van gronden” werd het in de gemeenteraad van 16 juni 1959 goedgekeurd. In het voorontwerp werd vastgelegd dat het, tot dan toe grotendeels onbewoonde kasteeldomein Ter Linden een gemengde woon – nijverheidsbestemming zou krijgen. Het bevatte ook een schets van een nieuw aan te leggen stratennetwerk dat het gebied moest ontsluiten en waarvan de namen later (in 1964) zouden worden vastgesteld: Amazonedreef, Dianadreef, Artemislaan, Herfstlaan, Kloppersweg, Grasdreef, Konijnenpijp, de Stropersgracht, Kwarteldreef, Graaf Pierre de Brieylaan, Witte Mereldreef en Domeindreef.
Begin jaren zestig diende notaris Van Caillie, namens de familie de Briey, een aantal verkavelingsaanvragen in bij het gemeentebestuur van Sint-Michiels . Met een oppervlakte van ongeveer 3,5 ha was VK 6641 Konijnenpijp een van de kleinste. Landmeter Antoon De Laender had al in 1963 het basisontwerp voor de verkaveling gemaakt, met ruimte voor een 50-tal vrijstaande eengezinswoningen op bouwkavels van gemiddeld 600 m2, waarvan 14 met toegang in de nieuw aan te leggen Konijnenpijp.
In die tijd waren de bouwvoorschriften nog niet zeer gedetailleerd. Voornaamste voorschrift was dat het verkavelde gebied uitsluitend een woonbestemming zou krijgen voor alleenstaande eengezinswoningen met een bouwvrije strook van minstens 3 m tussen woonhuis en de laterale perceelgrens.
Vrijwel alle kavels in de Konijnenpijp werden in 1964 verkocht aan particuliere eigenaars. Waarom de verkavelingsaanvraag pas in september 1966 bij de gemeente werd ingediend, is een vraag die nog beantwoord moet worden. De oudste woning nr. 8 was toen al gebouwd. De straat werd verder mondjesmaat volgebouwd. De naastgelegen nr. 10 is de jongste woning, die dateert van 1997.




