JACHTVELDSTRAAT
Situering
De Jachtveldstraat bevindt zich in het deel van de wijk Ter Linden dat samen met de Amazonestraat, Xaverianenstraat en Ruitersweg ten oosten van de Expressweg N31 ligt. De straat dateert van eind jaren vijftig van de vorige eeuw en verbindt de Witte Molenstraat met de Amazonestraat. Ze is 130 meter lang en heeft een 10 m breed tracé dat ruimte biedt voor een 6 m brede betonrijweg en voetpaden aan beide zijden.
In het woningenregister van de straat zijn 15 woningen opgenomen, waarvan 12 hun toegang hebben in de straat. Drie hoekpanden hebben toegang, resp. in de Witte Molenstraat (2) en in de Amazonestraat (1). Het zijn eengezinswoningen met verdieping en een kleine voor- en achtertuin, deels vrijstaand, deels geschakeld en een kleine, gesloten rij van 3 woningen. Locatie en woningenbestand zijn aangeduid op de toegevoegde kaart
Op een paar uitzonderingen na kregen straten in de verkaveling ter Linden namen die refereren naar het kasteeldomeinTer Linden dat in een vorig leven vaak het toneel was van grote jachtpartijen. De straatnaam past in deze context en hoeft geen nadere toelichting.
Historiek
Het terrein gelegen tussen de historische woonkern van Sint-Michiels (langs de Rijselse Heirweg) en de Torhoutse Steenweg, ten noorden van het Tillegemdomein had tot vóór WO II een landelijk karakter. Verspreid over het gebied waren er een tiental landbouwnederzettingen die eigendom waren van de gegoede burgerij en verpacht werden dan wel gebruikt als buitenverblijf.
Begin negentiende eeuw was de adellijke familie de Heere de Beauvoorde de voornaamste landeigenaar. De familie was in 1667 in de adelstand opgenomen en vanaf de 15e eeuw waren al voorvaders burgemeesters van Veurne, Brugge en het Brugse Vrije geweest. Zo was Bruno-Maximilien de Heere (1757-1815) de laatste schout van Brugge. De familie de Heere woonde in die tijd in een groot huis op de Markt van Brugge,
Een paar jaar voor zijn dood in 1815 schonk de stamvader Bruno-Maximilien het landgoed in Sint-Michiels aan zijn twee dochters. Eugénie kreeg het oostelijke deel van het gebied aan de Torhoutse Steenweg, dat uit 17 percelen bestond en later het Vogelzangdomein zou genoemd worden. Haar vier jaar jongere zuster Rosalie kreeg het grotere deel tussen de huidige Graaf de Brieylaan en de Xaverianenstraat, bestaande uit 51 percelen, dat bekendstond als het domein ter Linden.
Ten tijde van het opmaken van het eerste primitieve kadasterplan van 1835 was het Ter Lindendomein dus eigendom van Rosalie de Heere (1788-1855) die getrouwd was (in 1816) met Gustave de Laage de Bellefaye, “sous-préfet” in het Noord-Franse Saint-Omer. De oude landbouwnederzetting was intussen uitgegroeid tot een heus kasteeldomein. Het bestond uit een 50-tal kadastrale percelen, gelegen tussen de huidige Torhoutse Steenweg, Koningin Astridlaan en Witte Molenstraat, een gebied van ongeveer 60 ha. Of het echtpaar de Laage – de Heere het landgoed en kasteel ook daadwerkelijk bewoonde dan wel als buitenverblijf gebruikte moet nog uitgezocht worden (waarschijnlijk wel). Het echtpaar had vijf kinderen. De broer van Rosalie, Bruno de Heere (die vrijgezel bleef) was overigens van 1820 tot 1831 burgemeester van Sint-Michiels.
Dochter Eugénie de Laage de Bellefaye (1820-1880) erfde het domein van haar vader Gustave in 1861. Ze was in 1839 getrouwd met haar “buurman” Joseph-Bruno Kervyn (1817-1891) en zoon van Joseph-Guillaume Kervyn, bewoner en beheerder van het Vogelzangdomein. Na zijn overlijden werden het kasteel en het grootste deel van het ter Lindendomein in 1893 toebedeeld aan dochter Louise Kervyn de Lettenhove.(1852-1932), die toen gehuwd was met Louis (Lodewijk) de Briey (1850-1918). Rond de benaming van echtgenoot de Briey bestaat enige verwarring omdat hij ook soms benoemd wordt met zijn tweede voornaam Edouard. Het echtpaar had acht kinderen, waarvan drie jong stierven. Moeder Louise stierf in 1932.
De nalatenschap bleef nog 7 jaar in onverdeeldheid eigendom van de 5 overlevende kinderen de Briey, tot ze in 1939 uit de onverdeeldheid traden en het kasteel en omliggende terreinen werd toebedeeld aan de jongste van de 5 kinderen, Pierre. Graaf Pierre de Briey (1896-1984) was net daarvoor, in 1934, in Sint-Michiels in het huwelijk getreden met gravin Joanna Ghika (1909-2002) lid van een Oostenrijkse adelijke familie die hij in zijn diplomatieke dienst had leren kennen. Het gezin de Briey-Ghika kon niet veel genieten van de erfenis. Enkele maanden na het passeren van de verdelingsakte brak WO II uit. Wat verder tijdens en na de bezetting is gebeurd met het kasteel wordt uitvoerig besproken en toegelicht in het boek van Dr. Carlos Vlaeminck, Operatie Ramrod 934. Het kasteel werd in mei 1944 gebombardeerd en was niet meer bewoonbaar te maken. Verder wordt verwezen naar een aparte bijdrage over kasteel Ter Linden (zie Kastelen).
Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Michiels richtte zich in april 1948 tot graaf de Briey met de vraag om de kasteelruïne definitief te slopen en het puin te mogen gebruiken voor wegverharding. De sloopwerkzaamheden werden in de loop van 1952 voltooid. De beslissing was toen al bij de familie de Briey gevallen om het hele kasteeldomein te verkavelen en te verkopen.
Met de medewerking van het Sint-Michielse gemeentebestuur werden de jaren daarop de bijzondere plannen van aanleg opgesteld die het verkavelingsproces in goede banen moesten leiden. Eigenaar graaf Pierre de Briey (1896-1984) trad op als verkavelaar. Hij nam het Brugse notariskantoor van Henry Van Caillie en bouwpromotor Maurice Ballegeer onder de arm om het verkavelingsproces te faciliteren. Nogal wat burgers fronsten de wenkbrauwen bij deze afspraak, omdat de gronden uit de hand werden verkocht en beiden bekende zakenpartners van de burgemeester waren. Hierdoor kreeg het hele verkavelingsproces en de toewijzing van de gronden een (gemeentelijk) politiek tintje.
In de loop van 1959 diende notaris Van Caillie, namens de familie de Briey, een viertal verkavelingsaanvragen in die door de Sint-Michielse gemeenteraad onmiddellijk besproken en officieel goedgekeurd werden. Wel op voorwaarde dat de verkavelaar op eigen kosten het basiswegennet en de riolering zou aanleggen en na aanleg kosteloos ter beschikking zou stellen aan de gemeente.
De terreinen aan de (Witte) Molenstraat en de Xaverianenstraat, ten oosten van het geplande tracé van de Expressweg N31, kwamen het eerst aan de beurt. Het gebied van ongeveer 3,5 ha werd ontsloten met de verlenging van de toen bestaande Molenstraat (met ongeveer 180 m) en de aanleg van drie nieuwe straten: de Amazonestraat, Jachthoornstraat en Ruitersweg. De straatnamen werden officieel goedgekeurd in de gemeenteraad van 15 december 1959. Ter gelegenheid van de fusie met de stad Brugge, en om verwarring te vermijden met de Jachthoornlaan in Sint-Andries, werd de Jachthoornstraat in 1973 hernoemd tot Jachtveldstraat.
Anticiperend op de goedkeuring van de verkavelingsaanvraag was de grondverkoop in de nieuwe Jachthoornstraat al in 1957 begonnen: in totaal 15 percelen, waarvan 12 hun toegang hebben in de straat en 3 hoekpanden (2 in de Witte Molenstraat en 1 in de Amazonestraat). De helft van de 12 eengezinswoningen zijn gebouwd in de jaren 1959 en 1960. Begin jaren zeventig was de straat volgebouwd.



