KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

PZ ONZELIEVEVROUW

Situering

Voor wie de Brugse binnenstad binnenrijdt langs de Boeveriepoort, is het Psychiatrisch Ziekenhuis Onzelievevrouw een opvallende blikvanger.

Het historische neogotische gebouwencomplex aan de Koning Albert I-laan nr 8 is grotendeels in zijn oorspronkelijke staat bewaard gebleven. Het grondplan van het imposante complex bestaat uit twee langgerekte vleugels aan weerszijden van de kapel, verbonden door soberder uitgevoerde dwarsgebouwen. De flexibele opstelling van deze vleugels biedt de mogelijkheid om aanpassingen te doen, zoals afbraak of uitbreiding, zonder afbreuk te doen aan de integriteit van het hoofdgebouw. Bij binnenkomst valt de religieuze architectuurstijl onmiddellijk op, met kruisgewelven en pandgangen. In de gang die naar de kapel leidt, zijn enkele portretten van voormalige oversten en geestelijke leiders bewaard. De eenbeukige kapel is, door haar decoratie, een kunsthistorisch unicum in Brugge.

Hoewel de achterliggende gebouwen eenvoudiger zijn, werd veel zorg besteed aan het ontwerp van het voorgebouw. De ruimtelijkheid, gecreëerd door de voortuin en de pilasters aan de straatzijde, benadrukt de kracht van de voorgevel.

Meer dan de neogotische voorgevel doet vermoeden, speelt het overgrote deel van de zorg voor de patiënten zich af achter het voorgebouw, De gebouwen zijn ingeplant op een groen domein van 16 hectare, met grasvelden, wandelpaden, een therapieserre en rozentuin die bijdragen aan een rustige omgeving voor patiënten..

Het omgevingskunstwerk “De Open Poort“, aan de Boeveriepoort is een opvallende blikvanger. Het kunstwerk is van de hand van Paul Perneel (1989) en symboliseert een vernieuwde visie binnen de psychiatrische zorg. Een bres in de ziekenhuismuur staat symbool voor openheid van de instelling; voorbijgangers kunnen binnenkijken en zien als het ware een poort, zoals de stad Brugge er verschillende heeft.

Het ziekenhuis wordt beheerd door de vzw Gezondheidszorg Bermhertigheid Jesu, genoemd naar de zustercongregatie die het ziekenhuis heeft opgericht en jarenlang beheerd. Ze richt zich op de behandeling van mannen en vrouwen vanaf 16 jaar met een verslaving, psychose, persoonlijkheidsstoornissen, depressie of intensieve psychiatrische stoornissen. De zorg is ondergebracht in vijf deelklinieken met in totaal dertien afdelingen. Een vijftal van de afdelingen zijn gehuisvest in het hoofdgebouw aan de Koning Albert I-laan. De overige bevinden zich in paviljoenen, verspreid over de campus van het ziekenhuis, die zich uitstrekt tot aan de Barrièrestraat en de Hoog Brabantlaan (grondgebied Sint-Andries).

Binnen het ziekenhuis zijn er twee hoofdvormen van zorg: de residentiële zorg, waarbij patiënten ter observatie tijdelijk verblijven, en het dagverblijf voor patiënten die voldoende stabiliel zijn om buiten het ziekenhuis te leven.

Zowel residentiële als dagpatiënten worden ondersteund door een team van psychiaters, psychologen, verpleegkundigen en maatschappelijk werkers. De geneeskundige staf bestaat thans uit een hoofdgeneesheer, een huisarts en 8 psychiaters. Anno 2023 waren bijna 1300 mensen tewerkgesteld in het ziekenhuis, waarvan 65 procent deeltijds (ongeveer 1.100 voltijdsequivalent). Vergeleken met de (deels onervaren) 57 zusters en 13 helpers die in 1910 zorg moesten dragen voor 600 patiënten, is duidelijk sprake van een “aardverschuiving” in de psychiatrische zorg. Waar vroeger de nadruk lag op massa-instellingen, is in de loop der jaren veel geïnvesteerd in gepersonaliseerde en gespecialiseerde intensieve zorg die meer personeel vereist om patiënten de beste kans op herstel en begeleiding te bieden.

Historiek

Krankzinnigenzorg in Brugge (1600-1910)

In Brugge werden geesteszieken al vanaf het begin van de 13de eeuw ondergebracht in een apart ‘dulhuus’, Sint-Hubrechts, in de Boeveriestraat. In dezelfde straat bevond zich een opvanghuis voor behoeftigen, Sint -Juliaan. In 1305 besloot het stadsbestuur van Brugge beide instellingen samen te voegen onder de naam ‘Sint-Juliaans’. Rond 1600 veranderde de functie van passantenhuis naar een inrichting voor krankzinnigen. Sint-Juliaans groeide uit tot het grootste geestelijkgezondheidsziekenhuis in de kustregio. In de periode tot de Franse revolutie, leefden krankzinnigen in mensonwaardige omstandigheden. Ze werden meestal opgesloten in een cel voorzien van hand- en voetboeien.

Vanaf 1842 brak een nieuwe ontwikkelingsfase aan voor Sint-Juliaans. De Brugse kanunnik Petrus Maes werd er directeur en wilde beroep doen op de zusters Apostolinnen, waarvan hij ook directeur was, om zich in te zetten voor de zorgverlening in Sint-Juliaans. Dat lukte in eerste instantie niet, omdat de zusters wel ervaring in het onderwijs hadden, maar niet gemotiveerd om zich in te zetten voor de ziekenzorg. In de loop van 1839 vond de kanunnik een aantal “afgescheurde” Apostolinnen die bereid waren zich wel aan de ziekenzorg te wijden. Ze vormden een nieuwe congregatie, de Zusters van Bermhertigheid Jesu. Het duurde nog 3 jaar vooraleer de nieuwe congregatie een overeenkomst kon tekenen tot overname van de vrouwelijke ziekenzorg.

Asile Saint-Marie te Sint-Michiels (1910-1944)

Op het einde van de negentiende eeuw raakte de infrastructuur van Sint-Juliaans verouderd en werd uitgekeken naar een nieuwe locatie, in eerste instantie voor de vrouwenafdeling. De keuze voor een locatie was eenvoudig: de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen was onder Frans bewind eigenaar geworden van grote stukken landbouwgrond net buiten de Boeveriepoort. Kanunnik Maes had al in 1844 een stuk van dit land gehuurd, dat door de patiënten van Sint-Juliaans werd bewerkt. Het kadaster vermeldt dat het terrein, ongeveer 23 ha groot, in 1905 door de Commissie verkocht werd aan “Irma Van Laere en deelhebsters, kloosterlingen in Brugge“.

De zusters schakelden aanvankelijk de Brugse stadsarchitect Charles De Wulf (1865-1904) in voor het ontwerp van de nieuwe zorginstelling, maar na zijn onverwachte overlijden, deden ze een beroep op Jules Coomans die ze via de collega-zusters van Ieper kenden. Jules Coomans (1871-1937) was in 1895 benoemd tot stadsarchitect van Ieper, waar hij na WO I een cruciale rol speelde bij de wederopbouw. In Brugge ontwierp hij de linkervleugel van het Provinciaal Hof en het Mariaportaal van het Sint-Janshospitaal.

De bouwwerkzaamheden startten op 8 december 1906 en in augustus 1910 konden de eerste vrouwelijke patiënten van Sint-Juliaans de indrukwekkende nieuwbouw betreden. Architect J. Coomans opteerde, in samenspraak met de congregatie, voor een gesloten gebouwencomplex in een lokale Brugse neogotische baksteenstijl. Het kreeg de officiële naam “Asile d’aliénés de Notre-Dame ȧ Saint-Michel-lez-Bruges“. Het complex werd opgebouwd uit verschillende vleugels met afzonderlijke binnentuinen, een pandgang en centraal een grote kapel die door haar decoratie een kunsthistorisch unicum in Brugge genoemd mag worden. De erfgoedwaarde van het complex en het interieur wordt hier niet verder besproken.

In die tijd was het ziekenhuis grotendeels zelfvoorzienend met een eigen boerderij en landerijen. Er waren 450 vrouwelijke patiënten, waarvan 400 armen en amper 50 betalenden. Het nieuwe gebouwencomplex werd op 14 april 1911 ingezegend door de bisschop van Brugge, Mgr. Waffelaert

De mannelijke patiënten bleven nog in Sint-Juliaans tot ze in 1931 naar Beernem werden overgebracht, naar een nieuwe kliniek van de Broeders van Liefde, die ondertussen de zorg voor de mannelijke patiënten hadden overgenomen. Sint-Juliaans werd verkocht aan vzw Technisch Instituut, in de volksmond ‘de vakschool’. Van de oorspronkelijke gebouwen is niets bewaard gebleven.

Het nieuwe “asile” was vanaf het begin vooruitstrevend in medische zorg. Afzonderlijke paviljoenen waren er niet, maar de instelling werd ingedeeld in afdelingen volgens de differentiatie van krankzinnigheid.

Kort na de bouw brak WO I uit en werden de zusters en patiënten geëvacueerd naar Merksplas. Het ziekenhuis werd omgebouwd tot militair hospitaal voor de verzorging van oorlogsslachtoffers die uit het gevechtsfront waren geëvacueerd. De verbouwing werd uitgevoerd door de Sint-Michielse aannemer Louis De Mey, die na de oorlog burgemeester van Sint-Michiels zou worden. Het was een periode van grote ontberingen met schrijnende voedseltekorten.

De oorlog en de gedwongen evacuatie van zusters en patiënten zinderde nog jaren na en zorgde in de interbellumperiode voor een stagnatie in de zorgverlening die pas na WO II weer opbloeide. Het gesticht ging gebukt onder een chronische overbevolking. Het land was beter voorbereid op WO II. Op basis van de oorlogsreglementering mochten voedselreserves aangelegd worden en de stad Brugge zorgde voor grote hoeveelheden voedsel die tegen democratische prijzen werden doorverkocht. De effecten van de bombardementen op Sint-Michiels op het ziekenhuis bleven gelukkig beperkt.

Toen hoofdgeneesheer Albert De Haene in 1945 aan zijn nieuwe opdracht begon, telde het ziekenhuis iets meer dan 600 patiënten voor 450 officieel erkende bedden. Met uitzondering van een twintigtal “pensionaires” verbleven alle patiënten er onder het statuut van collocatie (door de vrederechter afgedwongen opname). Het was een gesloten wereld. Geesteszieken werden in bed gestopt en leefden in hun pyjama in grote zalen vol bedden. De zorg was gericht op massale, institutionele opvang, waarbij de focus lag op het onderbrengen van een zo groot mogelijk aantal patiënten met relatief weinig personeel. De zorg was grotendeels gebaseerd op basisvoorzieningen en toezicht, zonder intensieve therapeutische interventies.

Van gesticht naar psychiatrischekliniek (1945-1961)

Therapeutisch beleid

In de periode 1945-1960 evolueerde het ziekenuis van een gesloten gesticht tot een psychiatrische kliniek waarin mensen met ernstige psychiatrische stoornissen worden behandeld. De nieuwe hoofdgeneesheer Albert De Haene koesterde de ambitie om het gesticht om te vormen tot een moderne kliniek. Hij introduceerde nieuwe, meer specifieke behandelingsmogelijkheden en erkende de noodzaak van een meer aangepaste infrastructuur en betere vorming van het verzorgende personeel.

Nieuwe biologische therapieën als insuline- en cardiozolkuren werden ontwikkeld voor psychotische patiënten. De voornaamste innovatie was echter de electroshocktherapie (ECT) waarbij elektrische stroom door de hersenen wordt geleid om een gecontroleerde epileptische aanval op te wekken die de patiënt tot rust brengt. Eind jaren veertig werden een 200-tal patiënten met deze therapie behandeld.

Hoewel de ontwikkeling van psychofarmaca al in de vroege 20e eeuw begon, kwam de doorbraak pas begin jaren vijftig. Deze periode markeerde het begin van de moderne psychiatrische medicatie, die een enorme invloed had op de behandeling van psychotische aandoeningen. De eerste doorbraak kwam er in 1952 met de introductie van chloorpromazine, het eerste echte antipsychoticum. De ontdekking wordt toegeschreven aan een samenwerking van meerdere onderzoekers, maar de belangrijkste uitvinder was de Franse arts en chemicus Henri Laborit. In de jaren ’60 kwamen de eerste antidepressiva en anxiolytica op de markt. De ontwikkeling ervan is sindsdien doorgegaan met de focus op betere effectiviteit en minder bijwerkingen.

In 1963 kwam er een kantelmoment voor de psychiatrische instellingen. De Wet Leburton luidde een belangrijke hervorming in van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in België, met het doel het gezondheidssysteem toegankelijker en socialer te maken. Ook instellingen als psychiatrische ziekenhuizen konden voortaan genieten van een financiële tussenkomst van de ziekteverzekering in de behandelings- en hospitalisatiekosten van psychiatrische patiënten.

Hoofdgeneesheer Hubert Ronse doorbrak de gesloten wereld van de intramurale psychiatrie en maakte een einde aan de betutteling van patiënten. Er kwam meer aandacht voor het psychosociale aspect van de geestelijke gezondheidszorg. Groepsgesprekken, ergotherapie, creatieve therapie, ontspanning en de organisatie van het dagelijks leven zorgden ervoor dat patiënten zo normaal mogelijk konden functioneren.

De evolutie naar een meer mensgerichte en  geïntegreerde aanpak leidde tot op de dag van vandaag tot meer begrip voor de complexe aard van geestelijke gezondheidsproblemen en de noodzaak van op maat gemaakte behandelplannen.

Personeel en patiënten

In 1945 bestond het personeel vooral uit hardwerkende en godsvruchtige zusters van de Congregatie Bermhertigheid Jesu met 21 gediplomeerde ziekenverpleegsters en 23 hul-ziekenverpleegsters. Samen met 19 dienstmeiden waren er 63 personeelsleden, wat een verhouding betekende van 1 personeelslid per 10 patiënten. De geneesheren waren de enige mannelijke personeelsleden die bovendien maar deeltijds aanwezig waren. De medische staf bestond uit de hoofdgeneesheer (Albert De Haene) en twee deeltijdhuisartsen.

De complexer wordende diagnoses, nieuwe therapieën en behandeltechnieken versterkten de behoefte aan gespecialiseerd personeel. Op 1 januari 1953 werd de eerste psychologe halftijds aangenomen. In begin jsren zestig kwamen de eerste lekenverpleegsters, sociaal assistentes en nursing-hostesses in dienst. Dit betekende dat niet alleen psychiaters en verpleegkundigen betrokken waren, maar ook psychologen, therapeuten, sociaal werkers en ervaringsdeskundigen. Hierdoor nam het aantal personeelsleden toe, terwijl het aantal patiënten per personeelslid afnam.

Infrastructuur

Nieuwe medicatie en therapieën vereisten aanpassingen aan de infrastructuur. Een vrijwel voortdurend proces van verbouwings- en uitbreidingswerken volgde onder leiding van Jozef Lantsoght, de huisarchitect van de Congregatie. In een eerste verbouwingsfase werden de oorspronkelijke grote slaapzalen gecompartimenteerd tot slaapboxen voor 6 personen, aangevuld met gemeenschappelijk sanitair. Later zou Arthur Lantsoght, die zijn vader als huisarchitect opvolgde, de zijvleugels van het gebouw afbreken en op het terrein autonome units bouwen. Enkele kadastermutatieschetsen, die het vernieuwings- en uitbreidingsproces van de ziekenhuiscampus in beeld brengen, zijn in bijlage toegevoegd. Een paar bijzonderheden zijn vermeldenswaardig.

De jaren tachtig werden op een opmerkelijke manier afgesloten toen in 1989 een bres werd geslagen in de omheiningsmuur van de Onzelievevrouwkliniek. Op de plaats waar de muur verdween verrees een monumentaal omgevingskunstwerk, de Open Poort van Paul Perneel, een symbool van het doorbreken van het isolement van de psychiatrie en vernieuwing van de hulpverlening. Kwaaie tongen spraken van de Zotte Poort. De onthulling vond plaats op 30 maart 1990.

In 2002 werd het voorgebouw aan de Koning Albert I-laan volledig gerestaureerd. De heraanleg van de tuin, ontworpen door de Brugse landschapsarchitect Jan Swimberghe, versterkte de uitstraling van het modern psychiatrisch ziekenhuis.

Een bijzondere vermelding verdient ook uitbreiding van het zorgaanbod voor personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentale beperking die geen ziekenhuisbehandeling nodig hebben, maar wel nood hebben aan beschut wonen. Het psychiatrisch verzorgingstehuis (PVT) Brugghe biedt onderdak aan 64 bewoners, opgedeeld in vier leefgroepen, volgens functioneringsniveau. Het tehuis is als zelfstandige instelling, sinds 2019, ondergebracht in een nieuwbouw op de campus van het ziekenhuis en heeft een eigen toegang aan de Hoog-Brabantlaan.

Voor de volledigheid dient nog de bouw (in 2018) van de ZoWe Verpleegkundeschool vermeld te worden waarmee het OLV-campusterrein, op een klein stukje na, volgebouwd is. De school heeft een eigen toegang aan de Barrièrestraat. Het is een verpleegkundeopleidingsinstelling van het vrij gesubsidieerd onderwijs op hbo-niveau, een opleidingsniveau (ook graduaatsopleiding genoemd) dat hoger is dan dat van het secundair onderwijs, maar lager dan een professionele bacheloropleiding. De voorgeschiedenis van de school wordt in een aparte bijdrage besproken.

Beheer

Door hogere maatschappelijke vereisten, de complexiteit van de uitbouw van het zorgaanbod en de afnemende krachten van de congregatie, was het noodzakelijk om ook de administratieve beheersstructuur aan te passen aan de moderne tijd.

In 1998 kondigde de Congregatie aan dat ze de stap wilde zetten naar een uitluitend lekenbestuur van het ziekenhuis. Twee jaar later, op 1 januari 2000, droeg de VZW Zusters van de Bermhertigheid Jesu de exploitatie van het ziekenhuis, in een erfpachtovereenkomstl, officieel over aan de VZW Gezondheidszorg “Bermhertigheid Jesu“. De nieuwe vzw nam ook de exploitatie over van vijf instellingen die voorheen ook door de Zusters van Bermhertigheid Jesu werden beheerd in Brugge en in Ieper. Later kwamen daar nog 2 extra instellingen bij. Zij zetten de opdracht die de Congregatie bij hun stichting in 1842 meekreeg, op een eigentijdse manier, verder.

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken