KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KASTEEL KARMEL “Nieuw (of Klein) Tillegem”

Situering

Het kasteel “Nieuw (of Klein) Tillegem” thans bekend als “de Karmel” is gesitueerd aan de Torhoutse Steenweg nummer 406 en is gelegen in een driehoekig park van circa 2,5 ha.

Het relatief kleine bakstenen kasteel is in neo-renaissancegetinte stijl gebouwd onder een leien zadeldak, verlevendigd met natuursteen voor de hoekkettingen en vensteromlijstingen. De voormalige trappenhal is bewaard gebleven en neogotische plafondschilderingen verwijzen nog naar de aanwezigheid van een kleine huiskapel. Ten noorden van het kasteel staat een prachtig gerenoveerd koetshuis dat in een vorig leven als rustplaats diende voor de paarden en koetsen van de eigenaars die het kasteel bewoonden.

Het kasteeldomein is sinds 1988 ingericht en aangepast tot jeugdverblijfcentrum “De Karmel” van Chirojeugd Vlaanderen. Met ongeveer honderdduizend leden is de Chiro de grootste jeugdbeweging in Vlaanderen. De Karmel is een van de vijf “Chirohuizen” (in elke Vlaamse provincie één) waarin allerlei groepsactiviteiten worden georganiseerd, zoals cursussen, bosklassen, kennismakingsdagen, bezinningsdagen, groepsverblijven en vakanties. Het is in principe een jeugdverblijfscentrum, maar ontvangt ook gezinnen, sportievelingen en culturele verenigingen zoals fanfares, toneelverenigingen en harmonieën die de gezelligheid van groepsaccommodatie verkiezen boven de luxe van een hotel. Het centrum beschikt in totaal over 170 bedden, verdeeld over het kasteel met aanbouw en het koetshuis.

In het 2,5 ha grote park zijn nog een paar restanten uit het verleden terug te vinden: een fel vervallen Lourdesgrot die overwoekerd is door groen en een elegant kapelletje waarin vroeger een beeldje van de Heilige Familie stond en waarop het wapenschild van de familie Kervyn de Lettenhove herkend kan worden. Beide herinneren aan de tijd dat de Zusters Theresianen in het kasteel gevestigd waren.

Historiek

Een aantal oude documenten en geschriften wijst op het bestaan van een oude landbouwnederzetting op de site van kasteel Karmel. In het Charter Vrije uit 1509 is er al sprake van “Cleen Tilleghem, eene landerij, onder Tilleghem te Sinte Michiels”. De Ommeloper van Tillegem uit 1673 vermeldt “… landt, ende js een partie ghenaemt cleen tilleghem” en de Ommeloper van 1714 heeft het over “…elf gemeten vier roeden zaeylant genaemt ‘t cleen tilleghem”

Op de kaart van Ferraris (1770-1778) staat de landerij afgebeeld als een herenboerderij met moestuin, omgeven door water. Wie in die tijd eigenaar of bewoner was, moet nog uitgezocht worden. Een steen in de kelder van het latere kasteel met vermelding “Demoiselle Charlotte Schottey, le XXV août MDCCLXXXIII (1783)” wijst erop dat in die periode de herenboerderij bewoond was door de familie Schottey, waarvan de pater familias baljuw was van Oostende. In de Kaarten- en Plannencollectie Karel Mestdagh van 1815 zit een kaart (nr.1380) waarop de herenboerderij is afgebeeld, omgeven door een strakke, geometrische tuin, met vermelding van de naam Cleen Tilleghem en toebehorend aan Mijnheer Anselme, Marie, Désiré, Guislain, Grave de Peellaert,

Vanaf 1835 is de geschiedenis van de site beter te traceren. In het register van het Primitief Kadasterplan staat de omwalde herenboerderij geregistreerd op naam van de weduwe van Philippus van Borssele de Hooghe (1751-1829). Philippus was de zoon van Pierre van Borssele, een Brugs edelman die burgemeester van ’t Brugse Vrije, schepen van Brugge en gedeputeerde van Vlaanderen was in de Eerste Kamer. Philippus was in 1787 getrouwd met Isabelle Simon (1767-1847). Tegen het einde van de Franse bezetting werd hij lid van het kiescollege voor het Leiedepartement en lid van de gemeenteraad van Brugge. In maart 1815 behoorde hij tot de Brugse delegatie van vier afgevaardigden die koning Willem I der Nederlanden bij zijn troonsbestijging ging feliciteren. Dat leverde hem het lidmaatschap van de Eerste Kamer op, een mandaat dat hij tot zijn dood in 1829 vervulde. Het domein van de herenboerderij was toen ongeveer 9 ha groot en strekte zich uit tussen de huidige Torhoutse Steenweg, Pierre Debbautstraat, Bertferkerklaan, Diksmuidse Heirweg en de toenmalige grens met de gemeente Loppem (zie primitieve kadasterschets 1835).

Het echtpaar van Borssele – Simon bleef kinderloos en de herenboerderij en omgevende gronden werden door de weduwe na haar dood geschonken aan Octavie De Waepenaert de Termiddelerpen (1826-1889). Octavie was gehuwd met Edouard Dhont, een telg uit het geslacht Dhont dat zich, komende uit het Meetjesland, in Brugge had gevestigd en o.a. een buitenverblijf in Sint-Michiels had (in de Veldstraat). Het echtpaar de Wapenaert-Dhont bewoonde het kasteel niet zelf. Wellicht was er een familiale band met de schenker, maar dat moet nog uitgezocht worden.

In de bestaande literatuur wordt vermeld dat het echtpaar Dhont-de Waepenaert het domein twintig jaar later, in 1876, verkocht aan Henri le Bailly de Tilleghem. Dat is een halsstarrig misverstand. In het kadasterarchief staat de verkoop op naam van Edmond le Bailly de Tilleghem (1818-1887), zoon van Philippe le Bailly de Tilleghem, heer van het naburige Tillegemdomein. Edmond was gehuwd met Adèle de Man (1824-1906). Het “herenhuis” liet hij ombouwen tot een “kasteel”. Het bakstenen gebouw werd vergroot en uitgevoerd in neorenaissance stijl met accenten van natuursteen voor de vensteromlijstingen en de hoekkettingen en een leien zadeldak. De waterpartij werd uitgebreid en er werd een koetshuis gebouwd ten noorden van het kasteel.

Het echtpaar le Bailly-de Man had twee kinderen, Alice (1848-1908) en Julien (1851-1923) die het verbouwde kasteeldomein van hun moeder geschonken kregen in 1898. Na het overlijden van Alice in 1908 werd Julien de volle eigenaar. Hij was getrouwd met jkvr. Marie Sabine Michiels van Verduynen (1850-1922), telg uit het Nederlandse geslacht Michiels. Het echtpaar stierf binnen een jaar en in 1924 verkocht Maurice le Bailly de Tilleghem (1878-1958), de oudste van de 4 kinderen, Klein Tillegem. Een groot deel gelegen langs de Diksmuidse Heirweg, de Pierre Debbautstraat en de Betferkerklaan werd verkocht aan particuliere eigenaren en het kasteel en resterende park (ongeveer 4 ha) aan de vzw Gezelschap der Zusters Theresianen.

De zusters, ook bekend als ongeschoeide karmelietessen, hadden zich al sinds de 17e eeuw in het Brugse centrum gevestigd en stichtten een nieuwe gemeenschap op het domein Klein Tillegem onder de leiding van zuster Cecile Kervyn de Lettenhove (1862-1943). Zuster-overste Cecile was de jongste van twaalf kinderen van Joseph Kervyn de Lettenhove, kasteelheer van het naburige Vogelzangdomein. Ze trad binnen in de karmelietessengemeenschap van Lons-sur-Saunier (Franse Jura) nadat ze met ruzie vertrokken was uit het ouderlijk huis. Later werd de ruzie bijgelegd.

De orde van de karmelietessen was (en is nog steeds) een rooms-katholieke bedelorde die zich onderscheidt van de andere monastieke orden doordat ze in plaats van de individuele armoede de collectieve armoede belijdt. De naamgeving refereert aan de berg Karmel, bij de havenplaats Haifa in Israël, waar de orde haar oorsprong kende. De berg was al in de dertiende eeuw een verblijfplaats voor kluizenaars die, in navolging van de profeet, een aan God toegewijd leven leidden.

Het domein met omringend park zou vanaf dat jaar een van de buitenwereld afgesloten klooster worden, bekend onder de naam “de Karmel“. De kadasterschets 1928-17 geeft aan dat kort na de aankoop het eigenlijke kloosterverblijf werd aangebouwd aan het kasteel (de aanbouw heeft in werkelijkheid in 1926 plaatsgevonden) . De binneninrichting van het kasteel versoberde: de zusters verfden alles in grijze en donkerbruine kleuren en mogelijk al te frivole muurversieringen werden met houten beslag of pleister afgedekt. De kapel met houten tongewelf had een L-vorm: het altaar stond centraal. De gebedsruimte, waar de zusters hun gebedsdiensten hielden en de mis volgden (oratorium), was afgesloten van de publieke ruimte met een metalen hek met een gordijn ervoor dat enkel voor de consecratie opengeschoven werd. De communie werd gegeven door een uitsparing in de tralies. De priester zag enkel de tong van de zusters. Er waren 21 houten zetels, wat op een belangrijke zusterpopulatie wees. Nochtans was het de regel bij de Karmel dat ze nooit met meer dan 16 monialen mochten zijn. Wat meteen verklaart waarom er zoveel karmelietessenkloosters zijn.

De paters van Zevenkerken kwamen er elke dag de mis lezen. Als wederdienst deden de zusters voor hen een deel van de was en stopten ze de kousen. Het was toendertijd een gewoonte dat intredende zusters een bruidsschat meebrachten, naar verluidt BF 40.000. Moeder-overste Cecile Kervyn de Lettenhove stierf op tachtigjarige leeftijd in augustus 1943 en is begraven in het erepark van de congregatie op het kerkhof van Sint-Michiels.

De zusters leefden van handenarbeid, naaien, maakten kant, borduurden kerkelijke gewaden, bakten hosties en teelden zelf hun groenten en fruit. In de oorlogsjaren hielden ze zelfs een koe, geiten, schapen en kippen. De congregatie haalde ook nog wat inkomsten uit de verkoop van een deel van het domein ten oosten van het eigenlijke kasteelpark (de driehoekige omwalde kasteeltuin).

Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw veranderde de samenleving. Het animo om tot een kloostergemeenschap toe te treden daalde sterk. Ondanks alle aanpassingen in de kloosters besloten nog maar weinig jonge mensen om in te treden. Dit leidde tot de vergrijzing van bijna alle kloostergemeenschappen en rond de eeuwwisseling besloten veel gemeenschappen hun vestigingen te sluiten. Zo ook de kloostergemeenschap van Karmel, waarvan de laatste zusters op 14 juni 1988 het klooster verlieten.

Het kasteel en de resterende kasteeltuin van ongeveer 2,5 ha werden nog in hetzelfde jaar 1988 door de congregatie verkocht aan de vzw Chirojeugd-Vlaanderen onder voorwaarde dat het een sociale bestemming zou krijgen. Er verbleven toen nog tien zusters waarvan acht ouder dan 72 jaar. Ze konden niet meer instaan voor het onderhoud van de gebouwen en hadden nood aan verzorging en personeel. Getuigen verklaren dat de ontruiming dermate chaotisch verliep dat ze leidde tot zelfmoord van een van de zusters.

Na een paar jaar gediend te hebben als Rode Kruis- opvangcentrum voor vluchtelingen, werd het domein omgebouwd tot Chirojeugdverblijfcentrum. De opvangcapaciteit van het centrum werd in 1995 uitgebreid met de aanbouw van een nieuwe vleugel waarin de ondersteunende diensten zijn ondergebracht (kadaster mutatieschets 1995-12)

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken