KASTEEL LEISELE – RUSTOORD SINT-JOZEF
Situering
Het kasteel Leisele bestaat niet meer. Het stond op de huidige locatie van het Woonzorg-Centrum (WZC) Sint Jozef aan de Spoorwegstraat 250.
Historiek
Het kasteeldomein ontstond als een van de oudste nederzettingen uit de fiscus Weinebrugge. Hoe het toenmalige landgoed is uitgegroeid tot een kasteeldomein is niet goed bekend. Het was al vermeld in de 13e eeuw als eigendom van de heren van Assebroek. De nederzetting is terug te vinden op oude kaarten onder de vermelding Lensele, Leynsele, Leyzele, Linceele. In de Omloper van Sijseele van 1669 is sprake van “een grote plaetse onder land en meersch den boomgaert met haar casteel goed ten oosteynde staende geneamt leysele, daer louis desmet woont”. De omloper van Sint-Michiels van 1714 verwijst naar ’t goet Leyseele”. Het was toen in handen van de jezuïeten. Kort daarop werd Andries du Bois de nieuwe eigenaar. Zijn dochter Isabella huwde met Jan van Zuylen van Nyevelt die uit een oude adellijke Nederlandse familie stamde in het Rotterdamse. Het geslacht van Zuylen van Nyevelt zou de volgende 40 jaren eigenaar en bewoner van het Leysele-kasteeldomein blijven.
In de eerste Belgische kadasteratlas van 1835 is vermeld dat in die tijd het kasteeldomein toebehoorde aan Johannes Jacobus van Zuylen van Nyevelt (1752-1846). Een kaart van het domein is toegevoegd in annex. Johannes-Jacobus was Tweede Kamerlid in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en burgemeester van Brugge in de Franse tijd en onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij was in 1788 gehuwd met Maria Elisabeth van Wyckersloot van Weerdesteyn, uit een katholieke Utrechtse adellijke familie (1759-1815). Het echtpaar bleef kinderloos. Weduwnaar en kinderloos, stelde de kasteelheer vast dat zijn vijf jongere broers niet zeer ijverig waren in het voortbrengen van mannelijke nakomelingen en het geslacht van Zuylen op uitsterven stond. Vijfenzestig geworden, hertrouwde hij in 1817 met zijn tweeënveertig jaar jongere nicht Julienne van Zuylen van Nyevelt (1794-1866). Ondanks zijn eerbiedwaardige leeftijd kreeg het gezin van Zuylen-van Zuylen nog dertien kinderen in een tijdspanne van 17 jaar. De kasteelheer zag met lede ogen aan hoe het oostelijk deel van het kasteeldomein door de Staat onteigend werd voor de aanleg van de spoorlijn Brugge-Gent, op nog geen 100 meter van zijn kasteel. Hij stierf (uitgeput?) in 1846.
Na de dood van echtgenote Julienne in 1866 erfde dochter Constance van Zuylen van Nyevelt (1824-1893) het kasteeldomein. Ze was gehuwd met Camillus Kervyn (1810-1887), burgemeester van Merendree. Het echtpaar Kervyn-van Zuylen bewoonde het kasteel ongeveer 21 jaar.
Na de dood van Camillus in 1887 verkochten de erven (de weduwe Constance en haar twee zonen) het domein aan grootgrondbezitter Oscar Hanneuse en echtgenote Hortensia Oppenheim. Het echtpaar Kervyn-van Zuylen is begraven in het familiegraf op het kerkhof van Sint-Michiels.
Oscar Hanneuse was een grootgrondeigenaar een bekende naam in het Blankenbergse, naar wie een straat is genoemd. Het echtpaar Hanneuse-Oppenheim moet een nogal excentriek echtpaar geweest zijn. Het huwelijk eindigde in 1896 in een echtscheiding, waarbij Hortensia alleen eigenares werd na verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Bij het overlijden van Hortensia in 1925 werd het hele kasteeldomein verkocht en verdeeld onder een groep van acht kopers. Het kasteel met bijgebouwen en kasteeltuin kwam in handen van de familie Coppieters ’t Wallant-Lenaerts. De pachthoeve Blijdenburg met de landerijen werd gekocht door Henri Schoutteet. Het grootste deel van het kasteelpark en landerijen werd opgekocht door grootgrondeigenaars Richard Brutsaert en Urbain Bossuyt. Beiden moeten elkaar goed gekend hebben en werkten in onderling overleg de plannen uit voor de verkaveling en het bouwrijp maken van het vrijwel onbewoonde gras- en bouwlandgebied tussen het Leiselekasteel en de Dorpsstraat. Enkele kleine percelen werden gekocht door Karel Dombrecht en drie leden van de Steenbrugse familie Baert.
Het echtpaar Frederic Coppieters ‘t Wallant (1872-1950)-Marthe Lenaerts (1879-1944) bewoonde in de voorafgaande periode 1905-1925 het landgoed Hollandsveld in de buurt van Hasselt, dat ze verkochten aan een zustergemeenschap (Zusters Salvatorianessen). Het echtpaar en de gezinnen van hun twee zonen Charles (1903-1993) en Alfred (1907-1985) bewoonden het kasteel Leysele slechts dertien jaar. De getuigenis van Marcella Danneels, die kokkin bij de familie Coppieters was, maakt duidelijk hoe die tijd op het kasteel verliep. Zo vertelt ze o.a. dat de familie zeer sober leefde. Het personeel at hetzelfde voedsel als de kasteelbewoners. Behalve wanneer er wild op het menu stond, werd er voor het personeel worst besteld bij een slager in de Smedenstraat. Op de boterham werd er margarine gesmeerd, nooit verse boter. Marcella raakte in onmin met de barones. Op een koude winterzondag waren enkele priesters op bezoek die door het ijs van de bevroren vijver waren gezakt en zich moesten opwarmen in de woonkamer van de barones, omdat het vuur in de keuken was uitgegaan. Dat werd Marcella zeer kwalijk genomen.
Het kasteel werd met bijgebouwen en tuin in 1938 verkocht aan de Congregatie van de Zusters van de H. Vicenzo a Paolo uit Merkem. De zusters waren al in 1851 in Brugge aangekomen, waar ze het bekende weeshuis en een bewaarschool stichtten aan het Wijngaardplein bij het Begijnhof. De Congregatie was ook al (in 1880) ingegaan op de uitnodiging van pastoor Charles De Wulf van Sint-Michiels om een vrije kleuter- en lagere school te openen aan de toenmalige Kaakstraat (thans Koningin Astridlaan) in Sint-Michiels, die ten tijde van de aankoop van het kasteel, al was uitgegroeid tot een volwaardige lagere meisjesschool (thans Immaculata).
De familie Coppieters ’t Wallant bleef uiteindelijk maar 13 jaar wonen op het kasteel. Wat hen ertoe bracht om het zo snel te verkopen, moet nog uitgezocht worden. Misschien zag ze het niet meer zitten (de kasteelheer was toen 66 jaar) of hadden de kinderen geen belangstelling voor het oude kasteel. Het vermoeden is echter dat de verkoop tot stand is gekomen met financiële steun van Urbain Bossuyt, eigenaar van de aanpalende landerijen, die werk wilde maken van de verkaveling ervan en met het “faciliteren” van de verkoop aan de Congregatie, een plaats in de hemel hoopte te verwerven. De familie Coppieters vestigde zich na de verkoop in Knokke-Heist in een villa met de toepasselijke naam “Petit Saint-Michel”. Het echtpaar overleed er en is er ook begraven.
De zusters namen dus in 1938 hun intrek in kasteel Leysele en knapten het op. Er werd een kapel ingericht en in de orangerie van het kasteel openden de zusters een kleuterschool die onder de hoede stond van zuster Anna. De kamers van het kasteel werden aangepast, zodat het geheel kon worden gebruikt voor een twaalftal dames en heren op rust. De eerste bewoners arriveerden op 4 mei 1939: E.H. Demeester uit Roeselare met de gezusters Bardyn en de heer Berlamont uit Izegem. Het nieuwe rusthuis kreeg de naam Sint-Jozefsrustoord. Het eerste koppel zwanen op de kasteelvijver was een geschenk van de burgemeester van Merkem, baron P. de Coninck de Merckem, die de zwanen met zijn eigen wagen bracht en de dieren zelf te water liet. De pioniers die met deze nieuwe stichting startten, waren zuster Rafael (overste) zuster Agatha (keuken) en zuster Anna (kleuterklas).
Het waren bange tijden toen WO II uitbrak, vooral in het hoofdklooster van Merkem, dat in vol oorlogsgebied lag. Kloosters waren tijdens de oorlog altijd toevluchtsoorden voor de lokale bevolking die er een veilig onderdak zocht. In Merkem vond o.a. de burgemeester onderdak in het klooster aldaar. Getuige ook Sint-Michielsenaar Marcel Daveloose, die met zijn gezin toevlucht zocht in de wijnkelder van het kasteel.
Na WO II daalde het aantal zusterroepingen in snel tempo en besloot de kerkelijke overheid het probleem van overleving van vele zustergemeenschappen in eerste instantie op te vangen door samensmelting van de congregaties. Zo kwam het in 1955 tot een fusie met de Zusters van de H. Vincentius van Sint-Eloois-Winkel, de Zusters van Liefde van Izegem en de zusters van Maria van Ingelmunster, maar dat bood weinig soelaas.
De behoefte aan een menswaardige opvang en een thuisvervangende woonsituatie voor ouderen steeg sterk in de daaropvolgende jaren. Ondanks diverse verbouwings- en aanpassingswerken voldeed het kasteel niet meer aan de eisen des tijds en in 1965 viel dan ook het besluit om een nieuwe vleugel aan te bouwen die de mogelijkheid zou bieden om aan een vijftigtal valide bejaarden een betere woongelegenheid aan te bieden. De bouwwerken liepen echter vertraging op en de nieuwbouw kon pas in 1968 in gebruik genomen worden. Met de nieuwe vleugel bood het “rusthuis” opvang aan 50 bewoners. Het oude kasteel werd volledig verbouwd en, zoals een paar oude foto’s tonen, was als dusdanig niet meer herkenbaar.
In de jaren zeventig werden er opnieuw verbeteringswerken uitgevoerd en in 1985 openden de zusters, in samenwerking met het Franciscus Xaverius-ziekenhuis van Brugge, een dagverzorgingscentrum. Dat was toen een nieuw initiatief in de Brugse regio en werd, let wel, ingericht zonder enige vorm van overheidsfinanciering. Er werd gestart met vier bezoekers per dag.
Een jaar later, in 1986, kreeg het Sint-Jozefrustoord voor het eerst de erkenning voor 25 rust- en verzorgingstehuisbedden (RVT-bedden) van de Vlaamse overheid. Aan de erkenning was (en is nog steeds) een financiële tegemoetkoming van de overheid verbonden voor de extra kosten die de opvang van zwaar zorgbehoevende ouderen met zich meebrengt. Naast aangepaste uitrusting zoals ziekenhuisbedden vereist de opvang hoger opgeleid verpleegkundig en extra ondersteunend personeel.
De erkenning luidde een nieuw tijdperk in van het rusthuis, dat hiermee de status kreeg van “rust- en woonzorgcentrum”. De verdere geschiedenis en evolutie van het centrum wordt in een aparte rubriek besproken (zie Zorg en Welzijn)..



