KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

KASTEEL LEISELEBEKE

Situering

Het kasteeldomein Leiselebeke is gelegen langs de Heidelbergstraat. De benaming is afgeleid van zijn ligging in de bocht van de Leiselebeek. Het domein vormt een afzonderlijke entiteit in het omgevende woonweefsel van de Leiselewijk. Door het private karakter en het ontbreken van verbindingen en inkijk, is het een afgezonderd eiland. De hoofdtoegang bevindt zich langs de Heidelbergstraat. Aan de Gustaaf Baertstraat is een tweede ingang.

Kenmerkend voor het witbeschilderde kasteel is het monumentale portiek met Dorische zuilen en fronton dat de voorgevel markeert. Van de vier zuilen wordt gezegd dat ze afkomstig zouden zijn van de Sint-Donaaskerk in Brugge, die tijdens de Franse bezetting begin jaren 1800 gesloopt is.

Het domein is in twee delen opgesplitst. Het zuidelijk deel, grenzend aan de Heidelbergstraat, omvat een recentelijk gesloopt noviciaatsgebouw en een verwilderd park. In het noordelijk deel, dat door een afsluiting is afgescheiden, bevindt zich het kasteel en een aantal bijgebouwen die samen een afzonderlijk complex vormen. Het kasteel is beschermd monument en het omgevende park als dorpsgezicht bij Ministerieel Besluit van 10.11.1982. Het paleisachtige gebouw, werd opgetrokken in neo-klassieke stijl, naar de canons ingesteld door Palladio.

Het grondplan is grotendeels symmetrisch opgevat, met grote ontvangstsalons afgewisseld met intiemere kamers, waaronder twee ronde salonnetjes. Het 19e-eeuwse park met vijver en eeuwenoude bomen, biedt afwisselend zichten en perspectieven op open grasvelden, waterpartijen en bosquets. De voormalige stallingen worden gedeeltelijk gebruikt voor opslag, maar zijn overwegend leegstaand. Ze vormen een afzonderlijk geheel, met een eigen erfje en verhard binnenplein.

Historiek

Ten tijde van Ferraris (1777) was het gebied ten zuiden van de Sint-Michielse dorpskern een open, moerassig weidegebied. Enkele jaren later werd de Heidelbergstraat (toen nog Loppemstraat) aangelegd als verbinding tussen de Torhoutse Steenweg en de Kortrijksesteenweg.

Het “chateau” en de omliggende weiden en landerijen worden voor het eerst vermeld in de atlas van het Franse kadaster van 1809. Het kasteel werd omstreeks 1803 gebouwd door Charles-Benoit Donny (1765-1838). De architect is onbekend, sommigen opperen Jan-Robert Calloigne (1775-1830) of Hubert Dumortier.

Donny was een Brugse advocaat. In het begin van de Franse overheersing had hij tal van nationale goederen aan meer dan schappelijke prijzen weten te verwerven. Ook de gronden van het latere kasteeldomein had hij in 1797 gekocht als domaniaal goed van het Franse bestuur. In de stad bewoonde hij een huis in de Frèren-Fonteinestraat en toen hij oud werd, een appartement in de Suvéestraat. In 1803 liet hij een majestueus buitenverblijf bouwen in Sint-Michiels, het kasteel Leiselebeke. Het werd waarschijnlijk gebouwd met materiaal van de Brugse Sint-Donaaskathedraal, die onder de Franse bezetting werd gesloopt. Donny behaalde zijn diploma in de rechten in 1784 en legde de eed af als advocaat bij de Raad van Vlaanderen. Eind 1792 werd hij lid van de Jacobijnse club, terwijl zijn broer Jean-Joseph een van de leiders was tijdens de eerste Franse inval. Charles was veel gematigder en tijdens de laatste Oostenrijkse restauratie, op 25 juli 1793, werd hij tot pensionaris van de stad Brugge benoemd. Daarna werd hij opgenomen in het arrondissementele kiescollege en was hij van 1799 tot 1809 lid van de ‘conseil d’arrondissement’ voor Brugge. De ongehuwde Donny was een overtuigde voorstander van de verfransing, omwille van de universaliteit van de Franse taal. Het Nederlands vergeleek hij in een van zijn pamfletten met ‘la croissante voix des grenouilles’.

Tegen het eind van de Franse tijd ging het snel bergafwaarts met het rijk van Donny. Het kasteeldomein werd in 1811 gedwongen onteigend en verkocht aan de bekende Brugse architect en aannemer Herbert Dumortier en zijn vrouw Joanna Adenewer. Het echtpaar kon slechts 10 jaar van het buitengoed genieten. Beiden stierven in 1821 en de nalatenschap ging naar dochter Anna Dumortier. die getrouwd was met Charles Doudan, chef de Bureau de l’administration centrale du Département de la Lys en later schepen van de stad Brugge.

Op het primitief kadasterplan van 1835 staat het kasteel getekend in een park met een ronde vijver (“water als lusttuin“) dat aan straatzijde is afgeboord door een aangeplant lustbos met dreven. Op het plan is tevens een hoeve te zien (cf. Ten Walle nummer 9) bestaande uit losse bestanddelen, in een U-vorm geschikt rondom een erf en een boomgaard. De bijbehorende landerijen (in totaal 93 percelen) werden in het zuiden begrensd door de Heidelbergstraat, in het noorden door de huidige Sint-Michielslaan, in het oosten tot aan de Spoorwegstraat (op een smalle strook na) en in het westen door de Kerkebeek.

In 1838 verkocht het echtpaar Doudan-Dumortier het kasteeldomein in twee grote delen: het oostelijke deel (kasteel en gebied tot aan de huidige Spoorwegstraat) bleef in de familie en werd verkocht aan hun zoon Charles Doudan jr. en de landerijen ten westen (tot aan de Kerkebeek) aan Henri Sion, Gents industrieel, grootgrondbezitter en kasteelheer van het aanpalende kasteeldomein Bloemenoord (huidig gemeentehuis). Dit westelijk deel correspondeert grotendeels met wat later de Godelievewijk zou worden.

Kasteelheer Charles Doudan jr. overleed in 1848 en zijn weduwe, Therese van Caester, verkocht het kasteel met omgevende tuin twintig jaar later (1868) aan een vennootschap bestaande uit de Brugse advocaat Charles Meynne  en de notarisfamilies Vanderhofstadt en Beeckman. De vennootschap bleef maar 10 jaar eigenaar. Van 1845 tot 1878 deed het dienst als chic bijhuis voor het privé-instituut Sint-Dominicus, een psychiatrische kliniek gelegen in de Jacobinessenstraat. Het Etablissement Saint-Dominique werd genoemd naar de kloosterzusters dominicanessen die er de zieken verzorgden. Het kasteel kreeg de naam “Rustenburg”. In deze periode werd in het kasteelgebouw een kapel ingericht en werden alle toegangen tot het domein gesloten. Het huurcontract met Sint-Dominicus werd in 1878 beëindigd en de vennootschap verkocht het kasteel met park uiteindelijk aan het echtpaar Henri de la Kethule de Ryhove (1854-1929) en Victorine Coppieters. (1861-1934).

De familie de la Kethule de Ryhove was een ambtenarenfamilie uit Gent die vanaf de vijftiende eeuw tot de adel was opgeklommen. Het echtpaar de la Kethule-Coppieters bewoonde het kasteel gedurende bijna 60 jaar en bracht er hun vijftien kinderen groot (onder wie de in Zaïre gevierde pater-scheutist Raphaël de la Kethule).

Na de dood van Victorine Coppieters verkochten de kinderen-erfgenamen het kasteel en omgevend park in 1936 aan de Congregatie van de Zusters Missionarissen van O.L.Vrouw van Afrika, kortweg aangeduid als Witte Zusters.

De Witte Zusters was (en is nog steeds) een katholieke congregatie die in 1869 werd opgericht door Charles Lavigerie. Evenals de mannelijke tak (de Witte Paters), wijdden de zusters zich aan het missiewerk, in eerste instantie in Noord-Afrika, maar later in heel Afrika. Kort na de aankoop van het kasteel bouwde de Congregatie in 1937 een noviciaat in het kasteelpark voor de een- of tweejarige opleiding en proeftijd van kandidaat-religieuzen (novicen). Architect Firmin Koentges leidde de verbouwingswerken in het kasteel, waarbij onder meer de grote hal werd omgevormd tot kapel. In 1994-1995 werd een consoliderende restauratie van de buitengevels uitgevoerd onder leiding van architect Pascal Stroobandt (Sint-Kruis-Brugge). Het kasteel zou de volgende 60 jaar functioneren als rust-, herstellings- en opleidingsoord voor novicen en uit de missiegebieden teruggekeerde zusters.

Geconfronteerd met een dalend aantal kandidaat-religieuzen en de zware financiële lasten, verkocht de Congregatie het kasteeldomein in 1996 en trok het zich terug in een aantal kleinere en beter beheersbare verzorgingstehuizen in Vlaanderen en Wallonië. Het kasteeldomein werd in twee loten verdeeld en verkocht aan de NV Leyselebeek en de NV Leyselehof, twee nieuw opgerichte onroerendgoedvennootschappen van de familie Walleyn, de derde generatie van de Brugse drukkersfamilie Walleyn (de drukkerij Walleyn Graphics sloot na 88 jaar de deuren in 2009).

Het noordelijk gedeelte met kasteel en park, is tot op de dag van vandaag bewoond door de familie Walleyn en heeft in de loop van 2025 een bed-and-breakfunctie gekregen.

Noviciaat

Het zuidelijk deel van het kasteelpark (met het noviciaat) was al in de loop van de jaren tachtig zijn functie verloren. De congregatie werd in snel tempo “geafrikaniseerd” en het imposante noviciaatsgebouw kwam eind jaren tachtig leeg te staan. De nieuwe eigenaar NV Leyselehof slaagde er niet in om het in verval verkerende gebouw en verwaarloosde omgevend parkgedeelte een nieuwe bestemming te geven en verkocht het gebouw met omgevend park in 2012. De NV Institution Hotelière et Immobilière werd de nieuwe eigenaar, zoals de naam doet vermoeden, een vastgoed beleggingsvennootschap als naakte eigenaar en de NV Seagull Decor een vastgoed management dochteronderneming voor het vruchtgebruik. Sindsdien lukt het maar niet om de site nieuw leven in te blazen. Sinds 2021 is het noviciaatgebouw gesloopt en ligt het park er nog even verwaarloosd bij als 30 jaar geleden.

Bronnen
Inventaris van het bouwkundig erfgoed. Provincie West-Vlaanderen. Gemeente Brugge. Deelgemeente Sint-Michiels.VanWalleghem A. en Van Vlaenderen P. met medewerking van Gilte S. en Dendooven K. 2005
Kadasterarchief West-Vlaanderen. Mutatieschetsen, Sint-Michiels, Afdeling A en B
Beeldbank Stadsarchief Brugge
Brochure Open Monumentendag, 2002 en 2017.
Verslagen Gemeenteraad en Schepencollege Sint-Michiels 1900 – 1970
Geschiedenis van de Brugse rand. Sint-Michiels, Bonduel P. 1992
Monumentaal West-Vlaanderen, Brugge. Cornilly J.
Eigen foto archief
Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken