KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

JUVENAAT SINT-TARCISIUS

Situering

Het Juvenaat Sint-Tarsicius bestaat niet meer als instelling maar de infrastructuur van het vroegere klooster- en schoolcomplex van de Broeders van Liefde, gebouwd in 1927, is nog intact. Het gebouwencomplex aan de Barrièrestraat 4a is opgetrokken in traditionele baksteenstijl. Het hoofdgebouw is van het dubbelhuistype met ingang onder een later aangebrachte luifel. Rechts van de ingang bevindt zich een bronzen plaat met bas-reliëf met de afbeelding van een broeder en het opschrift “Z.W. VADER ROMULDUS /1859-1927″. Dwars op het hoofdgebouw staat een lange schoolvleugel en links van het hoofdgebouw een kapel met spits torentje.

Sinds de sluiting van de broederschool in 1982 biedt de schoolvleugel onderdak aan de Stichting Ravelijn, een vrije secundaire school van het Buitengewoon Secundair Onderwijs (BuSO). De school biedt aangepast onderwijs en deskundige begeleiding aan voor normaal- tot hoogbegaafde leerlingen van 12-18 jaar met een matige of ernstige mentale storing (type 2). De aangepaste 6-jarige beroepsopleiding bereidt de leerlingen voor op een toekomst in een beschermde woonvorm en dagbesteding. De laatste jaren schommelt het aantal leerlingen tussen 140 en 150.

De school maakt deel uit van de scholengroep Sint Lodewijk die verder bestaat uit het Sint-Lodewijkscollege, het O.L.-Vrouw Hemelvaartinstituut in Sint-Andries, het Vrijhandels- en Sportinstituut (VHSI) en de School voor Maatschappijk Welzijn en Stem (MAST) met vestigingen in Sint-Michiels – het oude Immaculata-Secundair en Sint-Andries – het oude Onze-Lieve-Heer Spes Nostra.

Het kloostergebouw (met kapel) aan de Barrièrestraat is tot op de dag van vandaag eigendom gebleven van de Broeders van Liefde. Na de sluiting van de broederschool in 1982 fungeerde het nog tot 1998 als rusthuis voor een achttal oudere broeders. Sindsdien is het ingericht als één van de vier ambulante centra in Brugge voor mensen met drugsproblemen en risicogroepen. Het maakt deel uit van een uitgebreid netwerk van instellingen van de Sleutel, een organisatie die zich sinds 1974 op de drugs- en verslaafdenzorg richt en door de Broeders van Liefde beheerd wordt.

Historiek 

Tot begin twintigste eeuw had het gebied ten zuiden van de Brugse binnenstad een landelijk karakter met enkele boerenhofsteden. De eerste kadasterkaarten van de periode 1815-1838 laten een vrijwel onbewoond gebied zien.

De site van het latere Juvenaat aan de toenmalige Galgewegel (thans Barrièrestraat) was in het begin van de negentiende eeuw in het bezit gekomen van de familie Coppieters, beheerders van het naburige kasteeldomein Zevenbergen. In 1869 kwam het via erfenis in handen van de familie Arents de Beerteghem. De familie Arents behoorde al sinds de zeventiende eeuw tot de notabelen van de stad Brugge en tot de adel vanaf het laatste kwart van de achttiende eeuw. Het grootste deel van de gronden ten zuiden van de Boeveriepoort werd in de Franse tijd onteigend en onder het beheer gesteld van de Burgerlijke Godshuizen van de stad Brugge.

Na jarenlange besprekingen werd in 1910 overeengekomen dat de Congregatie van de Broeders van Liefde het beheer zou overnemen van het Sint-Juliaansgesticht (in de Boeveriestraat) en een stuk wei- en bouwland van ongeveer 5 ha zouden huren net buiten de Boeveriepoort op honderd meter van het gesticht. Het was in de tijd dat de vrouwelijke patiënten van het gesticht verhuisden naar het Onzelievevrouw gesticht aan de Rijselse Heirweg (thans Koning Albert II-laan) en de Broeders de zorg zouden overnemen voor de mannelijke patiënten..

In het verslagboek van de Generale Raad van de Congregatie is op 25 november 1910 vermeld “le conseil prend la résolution de louer une ferme d’une contenance de près de 5 hectares appartenant aux Hospices Civils de Bruges et situé  Saint-Michel, à environs 15 minutes de l’hospice St-Julien et d’y faire les réparations nécessaires à l’aide des vieux matériaux provenant. On pourra y cultiver les légumes nécessaires à cet asile, y tenir un nombre suffisant de vaches et procurer de l’occupation et des distractions à un certain nombre d’aliénés“. Het contract voorzag verder in de huur van “une ferme et quatre hectares nonante six ares dix neuf centiares terre et pature .. le tout situé à St-Michel et St André occupé actuellement par le sieur Henri Mus“. De Provinciale Overste voegde in zijn dagboek daar nog aan toe “le même jour le père général reprenait les bestiaux, les instuments aratoires ec. de Mus pour 3000 francs environs. Mus restait avec sa famille à la ferme pour la diriger et pour exercer une bonne surveillance une fois que les malades iraient travaller sur les champs“,

Vader Henri Mus, die al sinds 1884 in het “hovenierspostje” met zijn gezin woonde, kon het wat rustiger aan doen maar niet voor lang. Vader stierf in 1913 en zijn vrouw Virginie Van Massenhove in 1916.

In die tijd beheerden de Broeders van Liefde al zeven lagere scholen in de Brugse binnenstad: De scholen waren eigenlijk parochiescholen waarvan het bestuur door de parochiepastoors aan de Broeders werd toevertrouwd. Sinds 1902 was er ook al een opleidingsschool voor aspirant-broeders opgericht in de binnenstad die zich in een grote belangstelling mocht verheugen. Begonnen met vijf “juvenisten” in 1902, telde het “juvenaat” twee jaar later al 100 aspirant-broeders.

In 1926 was het zover dat uitgekeken moest worden naar een nieuwe locatie voor het juvenaat dat in de binnenstad uit zijn voegen groeide. De congregatie, die al sinds 1910 het terrein aan de Boeveriepoort huurde, besloot het aan te kopen en er het nieuwe juvenaat te bouwen. De eerder vermelde Vader Romuldus was de drijvende kracht achter de bouw van het nieuwe juvenaat. Achter het hovenierspostje van de familie Mus werd een boerderij ingericht met een schuur, een stal en een verblijf voor de boerderijverantwoordelijke. De boerderij zou de volgende jaren het juvenaat vrijwel volledig zelfvoorzienend maken.

Het hovenierspostje was toen niet meer bewoond. Vader en moeder Mus waren overleden en de Broeders baatten de hoeve uit met de hulp van patiënten uit het Sint-Juliaansgesticht (tot 1933) en het Sint-Amandusgesticht in Beernem (vanaf 1933). Het postje is later nog even bewoond geweest door Charles Verhaeghe die knecht was op de boerderij. Na 1938 werd het niet meer bewoond en maakte het deel uit van het boerderijcomplex. Het raakte in verval tot in 1947 broeder Salvator tot overste werd benoemd. Broeder Salvator was de roepnaam van Kamiel Mus die, als jongste van het gezin Mus, in 1892 in het huisje geboren was. Hij knapte het huisje op en het werd sporadisch als slaapgelegenheid voor gasten gebruikt. Dat moet de tijd geweest zijn dat het postje de naam “Mussennest” kreeg. Het was erg wakkig en vochtig en de inboedel had veel te lijden van klammigheid en schimmel. Broeder Salvator was maar 5 jaar overste en na zijn vertrek verkommerde het huisje snel. Het werd in 1962 verbeurd verklaard maar werd sporadisch nog wel eens gebruikt. Het werd een tijdje ingericht als speelhuisje van de juvenisten en diende ook als stapelplaats voor allerlei rommel, kaders, kruisbeelden, potten en pannen, strijkijzers en koffiemolens. Er werden ook enige tijd memorabilia van de familie Mus bewaard. Een schilderij van het huisje is nog in het bezit van de familie. Een paar foto’s van het huisje en schilderij zijn in bijlage toegevoegd.

Het imposante klooster/schoolgebouw werd geopend op 27 april 1927 en de school begon met 42 jongens uit het oude Brugse juvenaat en 10 nieuwelingen. Het kreeg de naam Sint-Tarcisius, genoemd naar de 12-jarige jongeling Tarcisius die (in de derde eeuw na Christus) op weg was met de communie naar de zieken en onderweg door heidenen werd gestenigd. In de katholieke kerk wordt de heilige en martelaar vereerd als patroon van de misdienaars. 
De term juvenaat is etymologisch afgeleid van iuvenis, de latijnse naam voor jeugdig, jeugd of jongere. De opleiding was vergelijkbaar met die van een kleinseminarie waar jongelingen een gelijkaardige driejarige humanioraopleiding volgden ter voorbereiding op de priesteropleiding aan het grootseminarie.

Tot aan WO II functioneerde de school uitsluitend als intern opleidingscentrum waar jongelingen uit alle Vlaamse provincies zich aanmeldden als aspirant-broeders. Na de driejarige opleiding was het de bedoeling dat de jongeren doorstroomden naar de hogere opleidingen (onderwijs, gezondheidszorg) van de Broeders in Gent, maar dat was niet altijd het geval.

Bij het uitbreken van WO II werden de juvenisten naar huis gestuurd. De eerste paar jaar bleven klooster en boerderij nog enigszins functioneren maar in 1942 eiste de bezetter alles op. Na de oorlog verliep alles weer normaal en kon het klooster zijn opvoedingstaken weer opnemen. Er meldden zich echter minder en minder aspirant-broeders. Om de school leefbaar te houden werden vanaf schooljaar 1958-59 ook externen toegelaten, meestal jongens uit de buurt. In de jaren 60-70 varieerde het aantal leerlingen tussen de 70 en 80 (met een uitschieter in 1977 van 85) waarvan ongeveer de helft internen. Er was niet echt sprake van een tweedeling in de schoolbevolking maar toch van een mentale kloof tussen de twee groepen. De tweedeling kwam nog het meest tot uiting op het voetbalveld. De externen werden steevast met 10-0 in de pan gehakt door de goed georganiseerde en getrainde internen.

In de broedergemeenschap was het ook niet altijd koek en ei. In de dagboeken is regelmatig sprake van gebrek aan discipline in de kapel en respect voor het gezag. Vooral de kok werd op de korrel genomen: slechte kwaliteit van het eten en te weinig variatie in het menu. Op een gegeven moment klaagden de broeders dat ze moesten eten uit “teljoren” met stukken af terwijl hij zijn eigen “teljoren” had zonder brokken af. Opvallend is het groot verloop van broeders-overste die meestal niet meer dan 5 jaar en vaak maar 2 jaar bleven. Een uitzondering was broeder Cyrus (Adolf Depadt) die overste was van 1934 tot 1950.

In de loop van de jaren deed de broedergemeenschap ook meer en meer een beroep op externe hulp in de huishouding en in de school. In dit verband kan de naam Leontje Vandaele niet onvermeld blijven. Leontje was door een broeder “van straat gehaald” en was gedurende 40 jaar de manus-van-alles in de kloostergemeenschap. Hij was portier, kuisvrouw, boodschapper, broodsmeerder, keukenpiet en ook nog stoeltjeszetter in de kerk. Hij woonde eigenlijk niet bij de broeders, de broeders woonden bij hem. Ze werden er op gewezen dat ze niet met vuile kloeffen de trap op moesten gaan en niet “scheerwateren”. Het laatste had te maken met de slechte gewoonte van de broeders om warm water, die ze beneden haalden om zich te scheren, te morsen op de trap. Een mooie foto van Leontje, verkleed als figurant in het Heilig-Bloedspel van de jaren vijftig, is toegevoegd in annex.

Dinsdag 23 september 1969 was een zwarte dag voor Sint-Tarcisius. Kort na de middag brak brand uit op de zolder van de schoolvleugel en in no-time stond de hele zolderverdieping in lichte laaie. De rookkolom was tot ver in de omgeving te zien. Er kwam zelfs brandweerversterking uit Blankenberge. Iedereen kon het pand tijdig verlaten maar de materiële schade was groot en een brandweerman werd licht gewond. De oorzaak van de brand is nooit achterhaald. De turnzaal werd in allerijl tot slaapzaal en refter omgebouwd en de kapel werd als studiezaal ingericht. De zolderverdieping werd niet meer herbouwd. Aannemer Verstraete brak de hoge schouwen en puntgevels af en het schoolgebouw werd onder plat dak gebracht. Enkele foto’s van het gebeuren zijn in bijlage toegevoegd. Zonder dak verloor de schoolvleugel een stuk van zijn vroegere uitstraling.

Sint-Tarcisius evolueerde verder tot een volwaardige vrije lager middelbare jongensschool. In 1958 werd in het verlengde van de kapel een mooie turnzaal bijgebouwd die door iedereen werd gewaardeerd. Vanaf de zeventiger jaren werd echter duidelijk dat de school niet zelfstandig meer in stand te houden was. Het aantal leerlingen bleef nog wel variëren tussen de 70 en 80 maar de evolutie naar grotere schoolgemeenschappen was niet meer te stuiten. Er was ook nog het feit dat in die tijd niet alleen in de officiële maar ook in de vrije scholen gemengd onderwijs werd ingevoerd wat voor een instelling als juvenaat moeilijk te accepteren was.

Geconfronteerd met de mogelijkheid dat de school niet meer erkend zou worden, sloot broeder-overste Wenceslas (Lambert Stouten), met een bloedend hart, de school per 1 september 1981. De 36 internen gingen over naar de Erkende Privé Normaalschool van de Broeders in Gent-Zwijnaarde (aan de Ringvaart). Voor de 40 externen die daar hun studie nog wilden afmaken, werd busvervoer aangeboden. Zonder leerlingen kwam de internaatsvleugel leeg te staan.

Het jaar daarop (in 1982 dus) sloot de congregatie een bruikleenovereenkomst af met de VZW Ravelijn, een Buitengewoon Secundaire Onderwijsinstelling (BuSO) voor mentaalvertraagde jongeren met moeilijkheden op motorisch vlak (onderwijstype 2). De overeenkomst werd later omgezet in een officiële erfpachtovereenkomst. De Ravelijn lagere school was eerder gevestigd in de gebouwen van het Noordveld in de Noordveldstraat te Sint-Andries, maar was op zoek naar uitbreidingsmogelijkheden om een daarop aansluitende middelbare afdeling in te richten. Na de verbouwing van de slaap- en studiezaal nam de school op 18 juni 1983 haar intrek in haar nieuwe onderkomen. In de daaropvolgende jaren bouwde Ravelijn aan de achterkant van het schoolgebouw nog een paar praktijk- en werkruimtes. De school kwam in zwaar weer terecht in 2014 toen ze een ongunstig advies kreeg van de onderwijsinspectie. De integratie in de nieuw opgerichte Scholengroep Sint-Lodewijk bracht echter de nodige soelaas.

Het kloostergedeelte is tot op vandaag nog volle eigendom van de congregatie. Het werd nog 16 jaar door de broeders bewoond. Zonder school werd het een seniorenverblijf voor een zevental oudere broeders op rust. Er werd een kleine huiskapel ingericht en de grote kapel werd alleen maar bij grote gelegenheden gebruikt. Toen het klooster per 1 april 1997 canoniek werd opgeheven verbleven er nog vier broeders in het klooster (2 in het hoofdgebouw en 2 in het huis op de boerderij).

Het jaar daarop, in 1998, verlieten broeders André Talon en Albert Vandamme als laatste bewoners het pand. Sinds die tijd functioneert het kloosterverblijf als opvangcentrum voor mensen met drugsproblemen. Het centrum maakt deel uit van een uitgebreid netwerk van drugsgerelateerde hulpverleningscentra dat, onder de naam de Sleutel, door de congregatie werd en nog steeds wordt beheerd.

Anno 2025 ligt de boerderij er triestig bij. Het beheer was in 1968 al officieel overgedragen aan het Sint-Amandusgesticht in Beernem, maar sinds de sluiting van de school in 1982 verloor ze haar voorzieningsfunctie en relevantie. Er kan verschillend gedacht worden over de erfgoedwaarde van de drie gebouwen die in slechte staat van onderhoud verkeren. Er is nog een waterkans dat de site geintegreerd wordt of een plaats krijgt in de plannen voor de bouw van de nieuwe Emmaüs-kerk op het belendend perceel grond, maar dat is nog afwachten.

Van het Mussennest is niets meer over. De in bijlage toegevoegde foto’s maken duidelijk dat het huisje volledig was ingestort.

Krachtbal Sint-Michiels

De terreinen van het Juvenaat boden gedurende vele jaren onderdak aan krachtbalclub Robland Sint-Michiels, opgericht in 1964 en de oudste krachtbalclub van België met stamnummer 1. De club was genoemd naar de sponsor Robland, een bedrijf dat houtbewerkingsmachines produceerde. Tot 1980 kon de club gebruik maken van de instellingen van het Boudewijnpark. Door de uitbreiding van het park moest de club een nieuw onderkomen zoeken. Na de sluiting van de broederschool in 1980 stelde de congregatie in november 1981 kosteloos een terrein van 95 x 40 m ter beschikking van de V.Z.W. Krachtbalclub Sint-Michiels als oefen- en speelterrein. Na maandenlange inzet kon men op 19 augustus 1983 overgaan tot de officiële opening van het speelterrein en een clublokaal. Een 25-jarige gebruiksovereenkomst werd getekend. De school was toen al overgedragen aan de VZW Ravelijn maar de congregatie bleef nog gedeeltelijk eigenaar van het terrein waardoor de krachtbalclub verder kon blijven. De 25-jarige pachtovereenkomst verviel in 2006. De congregatie kondigde aan dat ze van plan was om het terrein als bouwgrond te verkopen maar de club kreeg nog drie jaar respijt om een nieuw onderkomen te zoeken. De club vond een nieuw onderdak op de terreinen van de Broeders Xaverianen in de Xaverianenstraat die door de Stad Brugge waren aangekocht. Op zondag 3 oktober 2010 vond de eerste officiële wedstrijd plaats op de nieuwe locatie. De club heeft ondertussen de Koninklijke status gekregen.  

Pages ( 1 of 6 ): 1 23 ... 6Next »
Zoeken