KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

X

WILFRIED VAN DAMME – oorlogsburgemeester 1941-42

Wilfridus Joannes Eduardus Van Damme is op 30 mei 1893 geboren in Zele (O.Vl). Hij groeide op in een welgestelde, zeer rijke familie.

Tijdens WO I vluchtte het gezin naar Aardenburg, net boven de grens in Nederland, waar hij zijn toekomstige vrouw Christina Loke leerde kennen. Ze trouwden in 1919 nog tijdens zijn studie aan de Universiteit Gent waar hij als burgerlijke ingenieur kort daarna afstudeerde. In zijn studententijd was hij actief in de Vlaamse studentenbeweging die meer en meer een politieke beweging werd met eisen als de volledige vernederlandsing van het onderwijs en het openbaar leven in Vlaanderen.

Het jonge gezin woonde de eerste jaren in Gent, in de Plateaustraat. In 1928 verhuisden ze naar Sint-Michiels waar Wilfried een nieuwe villa liet bouwen op de hoek van de Betferkerklaan en de Diksmuidse Heirweg, waar nazaten nog steeds woonachtig zijn.

Tot aan WO II bouwde Wilfried een reputatie op als zelfstandig architect en bouwkundig adviseur voor de Belgische overheid en particuliere opdrachtgevers. Hij was al van huis uit een fervent flamingant met sympathieën voor het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) dat in 1933 was opgericht door Staf de Clercq. Het VNV zag de Duitse bezetting aanvankelijk als een mogelijkheid om Vlaanderen los te maken van België en onder de vleugels van het Derde Rijk, een onafhankelijk Vlaanderen te realiseren.

In augustus 1940 werd de geüniformeerde afdeling van het VNV, de Grijze Brigade, omgedoopt tot de Zwarte Brigade en later tot de Dietsche Militie/Zwarte Brigade. Als lid van het VNV werd de altijd in het zwart geklede Wilfried door inwoners van Sint Michiels beschreven als een “beminnelijk” maar verbaal niet erg begaafde man. Hij had de bijnaam “de pette”.

Bij het uitbreken van WO II werd het schepencollege van Sint-Michiels op non-actief gezet en benoemde de bezetter een nieuw college. Nadat er zich al twee kandidaten hadden teruggetrokken werd Wilfried Van Damme door de provinciegouverneur officieel op 21 mei 1941 benoemd tot burgemeester van Sint-Michiels, maar het duurde nog tot eind augustus 1941 tot hij het ambt daadwerkelijk kon opnemen.

Samen met twee, ook door de bezetter benoemde schepenen (Jules De Loof en Leon De Brauwere), bestuurde hij de gemeente gedurende iets meer dan een jaar tot de fusie van Groot-Brugge werd afgekondigd op 1 november 1942. Een van de eerste ingrepen van het nieuwe schepencollege was de uitvaardiging van een reglementering inzake de ontucht in de gemeente die leidde tot de sluiting van een aantal “slecht befaamde” cafés. Verder werd bepaald dat alle correspondentie betreffende gemeentezaken uitsluitend in het Nederlands moest gebeuren. De ravitailleringsdienst, verantwoordelijk voor de rantsoeneringskaarten, werd ondergebracht in het kasteel Bloemenoord (nu gemeentehuis) dat door de bezetter in beslag was genomen.

Na de afkondiging van de fusie kon hij zijn beroep als architect niet meer voortzetten en ging hij in dienst van de Organisation Todt, de bouwmeester van de Duitse bezetter, genoemd naar de oprichter Fritz Todt. In de organisatie, waarvan een onderdeel gevestigd was in de naburige abdij van Zevenkerken, werkten architecten en tekenaars aan het ontwerp van alle bunkers en o.a. van de V1 en de V2 lanceerbasissen.

Over de positie en activiteiten van Wilfried binnen de Organisation Todt is niets bekend. Na een korte periode in Zevenkerken verliet hij zijn gezin en reisde hij in opdracht van de Organisation rond in Europa naar verschillende bouwprojecten waarvoor de Organisation verantwoordelijk was. Hij is niet meer teruggekeerd. Er schijnt een Duits militair verslag te bestaan waarin vermeld wordt dat een kist met zijn persoonlijke bezittingen in een zwaar gebombardeerde trein is gevonden in Noord-Italië. Zijn lichaam is in een massagraf terecht gekomen en niet meer getraceerd.

Zijn overlijden werd pas na de oorlog officieel vastgesteld. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Brugge, vastgelegd in overlijdensakte nr. 22 dd 1 maart 1946, werd zijn overlijden vastgesteld op/rond 4 februari 1944.

Wilfried Van Damme en zijn echtgenote Christina Loke hadden drie kinderen (Maria, Pieter en Lena) die bij het overlijden van hun vader rond de twintig jaar waren. Na een drie jaar aanslepende gerechtelijke procedure werd het Zeelse vermogen van de familie Van Damme onder de echtgenote en de drie kinderen verdeeld (Wilfried had een tweelingzusje dat jong is gestorven en was dus de enige erfgenaam van het familiefortuin).

De oorlog eindigde in 1945, maar voor het gezin Van Damme waren de gevolgen nog lang niet voorbij.

De oudste dochter Maria Van Damme (geboren op 10 april 1920) sympathiseerde met haar vader en vertrok als Rode Kruisverpleegster naar het Oostfront waar ze in de Duitse linies de gewonden hielp verzorgen. Na de oorlog keerde ze terug naar Sint-Michiels en bouwde in 1950 een huis op haar geërfde stuk grond, naast de ouderlijke villa. Burgemeester Van Maele hielp haar, tegen alle regels in, aan een bewijs van goed gedrag waardoor ze als regentes weer aan het werk kon. Ze had schizofrene trekjes van haar moeder en had nauwelijks contact met haar broer en zuster. Maria bleef ongehuwd. Ze overleed in 1996 en werd bijgezet bij haar moeder Christina op de begraafplaats van Sint Michiels.

De zoon Pieter (Petrus) Van Damme was een jaar jonger dan zijn zus Maria. Hij was ook zeer Vlaamsgezind maar niet zo fanatiek als zijn vader en zuster. Hij studeerde af als architect en werkte in de Technische Dienst van de Gemeente Assebroek. Daar leerde hij zijn 14 jaar jongere echtgenote kennen. Ze trouwden op 20 mei 1957 in Sint Michiels en namen hun intrek in de ouderlijke villa die Pieter al eerder had geërfd, maar waarvan zijn moeder het vruchtgebruik had. Ook Pieter kampte met ernstige psychische problemen en werd verschillende keren opgenomen. Hij overleed op 5 juli 1977 aan hartfalen. Het echtpaar had twee kinderen en bleef niet gespaard van het noodlot. Ook zoon Lieven erfde van zijn grootmoeder en vader een ernstige en chronische psychiatrische aandoening en kwam op 38-jarige leeftijd tragisch om het leven.

De jongste dochter van Wilfried Van Damme, Elza was al op jonge leeftijd uit het ouderlijk huis vertrokken. Bij zijn vertrek naar Duitsland en Oost-Europa in 1942 nam Wilfried haar mee naar Duitsland om haar te onttrekken aan haar bazige moeder en in Duitsland tot rust te laten komen. Na de oorlog keerde ze terug naar haar moeder, maar was daar niet meer welkom. Ze was eigenlijk een ongewenst kind en werd op straat gezet. Via allerlei machinaties van moeder Christina en zuster Maria werd ze onterft. Ten einde raad ging ze naar de overburen (familie Van Reybrouck) die haar opvingen en onderbrachten bij de vroegere kinderoppas van de familie Van Damme in Zele. Er is verder niet meer bekend dan dat ze in het Brusselse trouwde en woonde en ook kinderen had, maar elk nader detail ontbreekt.

Zoeken