SINT-MICHIELSLAAN
Situering
De Sint-Michielslaan ligt in het Leisele-gebied, dat tot begin zestiger jaren van de vorige eeuw een laaggelegen nat gras- en weilandgebied was ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels, tussen de Kerke- en Leiselebeek. De laan vormt een belangrijke verbindingsweg van ongeveer 1,2 km tussen de Rijselstraat en de Spoorwegstraat en kan beschouwd worden als de grens tussen de “historische” kern en het zuidelijke buitengebied van de gemeente.
Het tracé van de Sint-Michielslaan is 12 meter breed, met een betonrijweg van 6 meter en afwisselend, een voetpad en groen- en parkeerzijstroken. De laan kruist de Kerke- en Leiselebeek, die uitmonden in het nabijgelegen Zuidervaatje en uiteindelijk in het Leopoldkanaal.
Het woningbestand aan de noordzijde bestaat uit een vijftigtal meestal vrijstaande eengezinswoningen op bouwpercelen variërend in grootte van 400 tot 600 m2, meestal met twee bouwlagen, hellend dak en een kleine achtertuin. Deze zijde van de straat is over een afstand van 300 m niet bebouwd en maakt deel uit van het Boudewijnpark Seapark
Aan de zuidzijde van de laan bestaat het woningbestand uit een 35-tal woningen, variërend van vrijstaande en gekoppelde woningen tot enkele gedeelten van gesloten bebouwing. Het betreft eveneens particuliere eengezinswoningen, meestal met twee bouwlagen, hellend dak en een kleine achtertuin. Ongeveer halverwege bevindt zich de site van de basisschool Sint-Michielslaan en de Sint-Godelievekerk, waarvan de geschiedenis in aparte bijdragen wordt behandeld (zie Onderwijs- en Kerkenubrieken).
De school is een autonome basisschool die samen met de afdeling A in de Rijselstraat de basisschool de Geluksvogel Sint-Michiels vormt. Ze is een van de vier basisscholen in de Brugse agglomeratie onder het beheer van de Stad Brugge. De schoolsite, waarvan het basisplan werd ontworpen door het architectenbureau Van der Looven en Huyghebaert, omvat een zestal losstaande gebouwen.
De Sint-Godelievekerk bevindt zich pal naast de basisschool. Het is een “hedendaagse” parochiekerk, eveneens ontworpen door de Brusselse architecten R. Huyghebaert en R. Van der Looven. Vanaf september 2015 maakte de kerk deel uit van de Parochiale Eenheid (PE) Emmaüs Sint-Andries-Sint-Michiels Brugge (kortweg de Emmaüsparochie), een federatie van vijf parochies die verder bestaat uit de parochies Sint-Willebrordus, Sint-Andries, Sint-Michiels en Sint-Baafs. Sinds juni 2022 zijn er geen vaste diensten meer in de kerk. In 2023 kondigde het kerkbestuur van de Emmaüsparochie aan dat een akkoord met de Stad Brugge was bereikt over de verkoop van de kerk voor de som van € 240.000). Sindsdien is het gebouw geîntegreerd in de naastgelegen basisschool, die het gebruikt als turn- en evenementenzaal.
Aangrenzend aan de kerk bevindt zich het parochiaal ontmoetingscentrum ‘de Ark” gebouwd door en in eigendom van de vzw Decanale Werken van het Bisdom Brugge. Het centrum beschikt over een grote zaal (9,30 m x 11,10 m) met bijhorende faciliteiten. Tot 2000 stond een zaalcomité in voor het beheer van het centrum (soms ook nog patronaat genoemd). Na 2000 werd de beheerstaak overgenomen door de vereniging “Vriendenkring Onze Ark” die in maart 2019 als afdeling Godelieve deel uitmaakt van de vzw Decanale Werken Brugge Stad.
De laan ontleent haar naam aan de gemeente Sint-Michiels, die op haar beurt genoemd is naar de aartsengel Michaël, de patroonheilige van de parochie en de ex-gemeente Sint-Michiels. De eerste betrouwbare vermelding van de parochie dateert van 31 oktober 1089 en komt voor in een schenkingsoorkonde van Robrecht van Jerusalem, graaf van Vlaanderen. Hij richtte een kapittel op van twaalf kanunniken van de Sint-Donaaskerk binnen de burcht van Brugge, dat verscheidene voorrechten en eigendommen in de parochies Sint-Michiels, Oostkamp, Sint-Kruis, Houtave en Aartrijke kreeg, het zogeheten Canonikse. In Sint-Michiels was het “de Sint-Michielskerk in de villa Weinebrigga, met alle aanhorigheden, tienden, weiden, akkers, lijfeigenen en inkomsten”.
Historiek
Tot het begin van de negentiende eeuw was het gebied ten zuidoosten van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Bij het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het gebied, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen.
De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart. De geschiedenis van de vier domeinen wordt in aparte bijdragen beschreven (zie Kastelen).
Zoals op de kaart te zien is, doorkruist het tracé van de Sint-Michielslaan het gebied van drie kasteeldomeinen, van oost naar west, Leisele, Leiselebeke en Rode Poort.
Het grootste, 800 m lange, middenstuk van de laan (ruwweg tussen Kerkebeek en Leiselebeek) maakte deel uit van het rood gearceerde westelijke deel van kasteeldomein Leiselebeke, dat ten tijde van de eerste kadasterkaart van 1835, eigendom van en bewoond was door de notarisfamilie Doudan-Dumortier. Het werd in 1838 verkocht aan Henri Sion, aannemer uit Gent. Hij was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels, dat sinds WO II dienstdeed als gemeenschapshuis van (deelgemeente) Sint-Michiels en thans leegstaat.
Na het overlijden van Henri Sion in 1870 gingen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied over op zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 huwde Clemence met Joannes Van Wint, “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “. Ze kregen drie kinderen: Victor, Leon en Clementine.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts twintigjarige leeftijd. De erfenis ging daarop over naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die gehuwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen werden geërfd door haar twee dochters, Agnes en Suzanne.
Burgemeester Michel Van Maele had intussen goede relaties opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle, zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Intussen was de 6 m brede betonrijweg al aangelegd. Voor de aansluiting op de Spoorwegstraat (een strook van 300 m) was de medewerking vereist van Hilaire Allemeersch en de familie Van Belleghem, eigenaars van de weilanden langs de Leiselebeek. Hilaire Allemeersch, veekoopman en woonachtig langs de Spoorwegstraat, had via erfenis het stuk weiland verworven dat oorspronkelijk deel uitmaakte van kasteeldomein Leisele en, bij de verkaveling van het domein in 1926, in bezit was gekomen van Karel Dombrecht. De verkoop van het weiland in 1960 vormde onderdeel van een verkavelingsproject dat, naast de aansluiting op de Spoorwegstraat, ook voorzag in de aanleg van twee nieuwe straten – de Meersen en Leiseleveld en de verlenging van de toenmalige Emile Dammanstraat, de huidige Sint-Arnolduslaan. Meer informatie hierover is terug te vinden in de respectievelijke bijdragen over deze straten. De aanleg van de rijweg was voor rekening van de grondeigenaars. Ter hoogte van de kruising werd de Leiselebeek over een afstand van een twintigtal meter ingekokerd. De beek heeft in de loop van de jaren haar waterafvoerfunctie verloren en is vrijwel geheel dichtgegroeid.
De afwerking van de 200 m lange aansluiting op de Rijselstraat nam enige tijd in beslag. Hiervoor was de medewerking vereist van eigenaars baron Kervyn de Volkaersbeke en Henrik Devogelaere. De verkavelingsaanvraag van het 140 m lange stuk tussen Rijselstraat en Kerkebeek, eigendom van Baron Kervyn de Volkaersbeke, werd pas in de loop van 1964 goedgekeurd onder voorwaarde dat de doorgang voor de nieuwe laan op eigen kosten zou worden aangelegd en vervolgens kosteloos aan de gemeente zou worden overgedragen.
Hendrik Devogelaere was, over een lengte van ongeveer 60 m, eigenaar van het weiland in de winterbedding van de Kerkebeek, dat in 1962 door de gemeente was aangekocht voor de bouw van de brug over de Kerkebeek, waarvan de kosten voor rekening van de gemeente waren. De aanleg liep uiteindelijk vijf jaar vertraging op, waardoor de gemeente zich gedwongen zag een noodbrug aan te leggen. Nadat het bestek in februari 1962 was goedgekeurd, werden de werken de volgende maand al gegund aan aannemer G. Campe voor een bedrag van BF 847 521, maar de beloofde overheidssubsidie van 65 procent kwam er niet. De subsidie kwam er pas eind 1966. Er werd niet meer heraanbesteed. Nadat aannemer Crampe zich terugtrok, was de tweede aanbieder, de firma O. Van Lerberghe uit Pervijze, bereid de bouwopdracht over te nemen, mits aanpassingen voor gestegen loon- en materiaalkosten. Eens de werken van start gingen, verliep alles vlot. De nieuwe brug werd in maart 1967 opgeleverd, eindprijs 1,1 miljoen BF.
De Godelievekerk is het oudste bouwwerk in de Sint-Michielslaan. In een brief aan het gemeentebestuur kondigde het Bisdom Brugge aan dat het, met het oog op de verdere groei van de bevolking, van plan was de bestaande parochie Sint-Michiel te ontlasten en op zoek was naar een geschikte locatie voor een nieuw te bouwen parochiekerk. Gemeente en bisdom sloegen de handen in elkaar en de aankoopovereenkomst met de toenmalige eigenaar, de landbouwfamilie Van Belleghem, werd in de loop van 1962 getekend. De nieuwe parochie werd in de loop van 1963 officieel door monseigneur E.J. De Smedt, bisschop van Brugge, opgericht met EH Jozef Houttekier als eerste pastoor. De bisschop benoemde Karel de Goede en de heilige Godelieve tot patroonheiligen en beschermers van de nieuw opgerichte parochie. die in de volksmond bekend werd als de Godelieveparochie. De architecten Ray Huyghebaert en Remy van Looveren uit Brussel, die ook de urbanisatieplannen van de wijk uitwerkten, kregen de opdracht een “voorlopig” kerkgebouw te ontwerpen dat aan de eerste noden van de parochie moest voldoen. Het kerkgebouw verschijnt al op de kadasterkaarten van 1963 (zie mutatieschets 1963-73) maar aannemer Priem kon pas begin 1964 starten. De eerste officiële diensten werden aangekondigd in het parochieblad van 3 januari 1965. Die vielen niet alleen figuurlijk, maar zelfs letterlijk in het water. Het hele gebied van de Godelievewijk kreeg te kampen met ernstige wateroverlast. Desolate foto’s van de ondergelopen kerk verschenen in alle lokale kranten. Hoe het verder is gegaan met de kerk is te vinden in een aparte bijlage (zie Kerken – Godelievekerk).
De wateroverlast kreeg aandacht in de nationale pers en in de periode 1965-1967 werd met man en macht gewerkt aan de oplossing van de problemen. In deze periode kwam de inrichting en uitrusting van het Leisele-verkavelingsgebied pas goed op gang.
De geschiedenis van de gemeente/stedelijke basisschool is uitvoerig beschreven in een publicatie van de Heemkundige Kring Brugs Ommeland. Ze gaat terug tot 1836, toen het gemeentebestuur van Sint-Michiels voor het eerst intervenieerde in de benoeming van een nieuwe onderwijzer in de kosterschool en iets later een eigen school oprichtte.
Met de nieuwbouwplannen ging het niet zo goed. De plannen voor de bouw van 4 klassen, een overdekte speelplaats en een bergplaats voor fietsen, die uitgewerkt waren door het architectenbureau Van der Looven en Huyghebaert, waren al in juni 1962 door de gemeenteraad goedgekeurd, maar de uitvoering liep flinke vertraging op. Toen minister van Openbare Werken Jos De Saeger de subsidieaanvraag eindelijk goedkeurde in juni 1967, ging het weer mis. Bij de aanbesteding van de werken bleken er maar twee aanbiedingen te zijn en de geselecteerde aannemer (Van Gheluwe) werd door de rijksoverheid afgewezen wegens niet-gekwalificeerd. Gelukkig kwam het niet meer tot een heraanbesteding en in januari 1968 werd de bouw uiteindelijk toegewezen aan de tweede aannemer Henri Beselaere uit Veldegem. Na een bijna 7 jaar durende lijdensweg werd het nieuwe schoolcomplex in de loop van 1970 in gebruik genomen. Dat was ook het jaar dat de gemeente Sint-Michiels fuseerde met de stad Brugge en de gemeenteschool een stedelijke basisschool werd.
Toen de wateroverlastproblemen van 1965-66 van de baan waren kwam de woningbouw volle gang.




