BUS & CAR COMPANY
Situering
De Bus & Car Company bestaat niet meer. Het bedrijf was gevestigd in de nog bestaande imposante bedrijfshal naast de Expressweg N31 met toegang in de Koningin Astridlaan. In het gebouw, met een vloeroppervlakte van 16,680 m2, zijn sinds 1990 een twintigtal mkb’s gehuisvest waarvan de Delhaize-supermarkt de meest bekende is.
De Bus & Car Company produceerde bussen voor de Amerikaanse markt, maar kwam in financieel zwaar weer terecht eind jaren tachtig. De euforie bij de vestiging van het bedrijf eindigde in een grote teleurstelling, zoals hierna beschreven.
Historiek
Het Amerikaanse bedrijf Trailways was in eerste instantie een samenwerkingsverband van een vijftal kleinere bustransportondernemingen dat in 1936 werd opgericht als tegengewicht van Greyhound Lines, die in die jaren het langeafstandsbusvervoer domineerde in de USA. In de jaren zestig groeide Trailways uit tot een conglomeraat van 18 busmaatschappijen met een totaal van 3.000 bussen, waarvan 80 % werd geëxploiteerd door Continental Trailways. gevestigd in Dallas, Texas.
Continental Trailways beheerde toen een langeafstands-bustransportnetwerk van 132.000 km, voornamelijk in het zuiden van de USA. De Eagle-bussen van Continental Trailways waren een vertrouwd gezicht op de Amerikaanse wegen. Het grootste deel van de bussen werd in de USA gebouwd, maar in 1956 sloot het bedrijf een overeenkomst met het Duitse Kassbohrer Transport om, vanwege de lagere productiekosten en de sterk groeiende vraag naar langeafstandsbusvervoer, ook in Europa bussen te produceren voor de Amerikaanse markt. Toen in 1959 de onderhandelingen waren begonnen voor de bouw van een tweede Eagle-generatie (die de naam Silver Eagle kreeg) kondigde Kassbohrer aan dat het zich wilde concentreren op de Europese markt, waar de vraag naar langeafstandsbusvervoer ook sterk aan het stijgen was.
Continental Trailways moest op zoek naar een nieuwe partner en sloot een overeenkomst met la Brugeoise et Nivelles (BN), toen in Europa een bekende tram- en treinproducent die o.a. ook tramstellen voor de Transit Research Corporation in de USA maakte. BN was uiteraard vereerd met de opdracht. Kasbohrer was zo elegant om de productielijnuitrusting aan Continental Trailways te verkopen en alle onderdelen van de reeds geleverde onderdelen voor de nieuwe Silver Eagle-lijn (85 bussen) naar de Brugse vestiging van BN over te brengen. Met de oprichting van de NV Bus & Car Company werd de samenwerking tussen Continental Trailways en BN op 8 december 1960 notarieel bekrachtigd. De productielijn in BN werd eind 1960 opgestart met onderdelen en materialen die Kassbohrer leverde. Op de stuurwielen stond nog het embleem van Kassbohrer. In 1961 verlieten uiteindelijk 185 Silver Eagle-bussen Model 01 de productielijn. Een tegenvaller voor de Brugse regio was dat de bussen niet via Zeebrugge, maar via Antwerpen naar de USA werden verscheept, omdat er in Zeebrugge geen reguliere lijndiensten met de USA waren.
De BN-productielijn was echter te klein om aan de verwachte groei te kunnen voldoen. Uitbreiding op de BN-locatie aan de Vaartdijk lag voor de hand, maar vergde een tijdrovende onteigeningsprocedure van het aanpalende terrein dat eigendom van de Belgische Spoorwegen en dus van de Belgische Staat was. Gesprekken kwamen op gang met het ambitieuze gemeentebestuur van Sint-Michiels, dat zich sterk maakte voor de vestiging van het bedrijf aan de Koningin Astridlaan. Het was in de periode dat het kasteeldomein ter Linden werd verkaveld. Naast woningbouw voorzag het urbanisatieplan in de aanleg van een nijverheidszone van ongeveer 8,5 ha waar de vestiging “perfect” zou inpassen.
In het verkavelingsdossier trad jonkheer graaf Pierre-Marie-Jules de Briey op als grondeigenaar jegens de medegerechtigden-eigenaars, zijn broers Renaud, Paul en Joseph de Briey en Geneviève, Françoise en Madeleine de Gargan, dochters van zijn zuster Jeanne de Briey die al was overleden
Gemeentebestuur en bestuursleden van de Bus & Car Company kenden elkaar persoonlijk en in maart 1961 kwam het snel tot een overeenkomst. De gemeente Sint-Michiels opende een krediet van BF 40 miljoen ten voordele van de company, bestemd voor de aankoop van de grond (4,5 ha) en de bouw van het industrieel complex, tegen dezelfde voorwaarden die voor de lening van de gemeente aan het Gemeentekrediet golden (terugbetaalbaar op 20 jaar tegen een gunstige rente van 4 %) plus vrijstelling van alle belastingen. Alles werd in een periode van een tweetal maanden geregeld. Na de goedkeuring door de gemeenteraad op 27 maart 1961 verleende de Belgische Staat waarborg voor de lening en werd de grond door de gemeente aangekocht aan BF 15/m2.
Op 2 oktober 1961 werd onder grote belangstelling de eerste steen gelegd door minister van Financiën André Dequae. Een hele resem sprekers kwam aan het woord die het belang van het nieuwe nijverheidscomplex onderstreepten. Burgemeester Michel Van Maele maakte van de gelegenheid gebruik om aandacht te vragen voor de verbreding en verdubbeling van de Koningin Astridlaan en een nieuwe tunnel onder de spoorlijn Brugge-Oostende ter hoogte van de Leiselestraat, die de ontsluiting van de BN-site ten goede zou komen.
Aannemer Blaton startte de bouw van de fabriekshal in september 1961 en de volledige productielijn, onderdelen en uitrusting werden in mei 1962 van de BN–werkhuizen overgebracht naar de nieuwe site. De bouw en installatie van de productielijn vond plaats onder supervisie van de BN-ingenieurs.
De montagehal en bijhorende kantoorruimte werden in oktober 1962, opnieuw onder grote publieke belangstelling, officieel ingewijd in aanwezigheid van Prins Albert van België. Er waren toen een 500-tal mensen gerekruteerd die in de eerste 2 weken 18 bussen produceerden. Ondertussen had burgemeester Michel Van Maele, vergezeld van een uitgebreide delegatie van het Sint-Michielse gemeentebestuur, in augustus 1962, een vriendschappelijk bezoek gebracht aan het hoofdkwartier van Continental Trailways in Dallas, Texas waar de burgemeester tot Honorary Texas Citizen werd benoemd. De foto van de burgemeester met cowboyhoed en lachende omstaanders symboliseert de euforische stemming van die tijd.
In de daaropvolgende jaren produceerde de Bus & Car Company ongeveer 250 bussen per jaar. Het paradepaard was de Silver Eagle-bus met 46 comfortabele zitplaatsen met airconditioning, verwarming, individuele verlichting, toiletten, panoramische ruiten en in sommige uitvoeringen een kleine bar. De romp was vervaardigd uit buizenstaal, uitwendig verstevigd met aluminium panelen en over de ganse oppervlakte werd een isolerende laag glaswol aangebracht. Onder de passagierscabine bevond zich een ruime 7,3 m3 bagageruimte. Foto’s van de montagehal en bussen zijn in bijlage toegevoegd.
Al bij de oprichting van het bedrijf lag het in de bedoeling de luxueuze bussen ook te produceren voor de Europese markt. De verwachtingen waren hooggespannen. In 1966 verschenen in de lokale pers enthousiaste berichten over verdubbeling van de productie, waarvoor de gemeente Sint-Michiels een lening van BF 60 miljoen in het vooruitzicht stelde. Op 8 juli 1967 rolde de 1.000ste Silver Eagle-bus van de montagelijn en was er sprake van dat “men in de huidige ruimte over geen voldoende plaats zal beschikken om alle bestellingen tijdig te kunnen uitvoeren”.
De wens was helaas de vader van de gedachte. Een klein jaar later, in mei 1968, werden de eerste afdankingen aangekondigd en in augustus 1968 volgde de vooropzeg van nog eens 150 werknemers. De relatief hoge productiekosten en vooral de zwakke dollar deden het bedrijf de das om. De euforische stemming sloeg om in bezorgdheid over de toekomst van het bedrijf. Het veelgeroemde Continental Trailways trok zich in 1968 terug en verkocht haar aandelen aan de overige aandeelhouders, waarvan de meeste Amerikaanse busmaatschappijen waren die Continental in de loop van de jaren via aandelenuitwisseling had opgekocht.
De grote expansie naar de Europese markt was van de baan, maar de vestiging aan de Koningin Astridlaan bleef nog een tiental jaren Eagle-bussen produceren. Na Model 01 werden ook nog Modellen 02, 03 en 04, 05 en 07 op kleinere schaal geproduceerd voor verschillende markten. Van de Model 04 bvb werden er tussen 1966 en 1971 een honderdtal gebouwd, o.a. voor het Brugse busbedrijf Traen. Daarnaast waagde Bus & Car zich ook aan lijnbussen. In 1974 werden een veertigtal bussen van het type Model 14 gebouwd o.a, voor de Maatschappij voor het Intercomunale Vervoer van Brussel (MIVB).
In de tweede helft van de jaren zeventig kwam het bedrijf definitief in de problemen. De vraag naar autocars daalde overal en de Amerikaanse markt viel geheel weg. Vijftien jaar na de oprichting ging het bedrijf in 1978 failliet en werd gebouw en inboedel opgekocht door het Belgische MOL, een producent van zware machines, genoemd naar de oprichters, de gebroeders Gerard en Remi Mol. Het bedrijf had als experiment een aantal buschassis gebouwd en was klaar om in die richting verder te gaan. De nieuwe eigenaar ging verder onder de naam MOL Eagle Bus, maar richtte zich vooral op de productie van chassis. Naast een type dat geschikt was om er autocars op te bouwen, werden ook types voor lijnbussen ontworpen. Een verdere uitbreiding van de activiteiten zat er echter niet meer in en de Stad Brugge (de gemeente Sint-Michiels was toen al gefuseerd) kocht het bedrijfsterrein, datvoor de uitbreiding bestemd was, terug om door te verkopen aan kleine KMO’s (zie Grasdreef).
Het doek viel definitief in 1988, toen ook het MOL-management geen brood meer zag in de onderneming. Productiehal en kantoren werden ontmanteld en het gestript gebouw werd in 1990 verkocht aan de vastgoedmakelaar NV INDIMMO. Het café Bus & Car aan de overkant van de straat sloot de deuren. Kantoren en montagehal werden opgedeeld in kleine bedrijfsruimtes voor. KMO’s. Anno 2025 zijn een twintigtal bedrijven in het gebouw gevestigd.