KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

SINT-MICHIELS

Burgerlijk bestuur 962 – 1970

De fiscus Weinebrugge (962-1172)

Aan het begin van de middeleeuwen bestond de Vlaamse kustvlakte grotendeels uit een uitgestrekt waddengebied, gevormd door overstromingen. Reeds in de late Merovingische tijd (400-750) kreeg deze streek de toepasselijke naam Vlaanderen, die “overstroomd land” betekent. De “pagus Flandrensis” of Vlaanderengouw was een van de vele bestuurlijke en gerechtelijke districten (pagi of gouwen) waarin het Frankische Rijk was opgedeeld. Aan het hoofd van elk district stond een door de koning of keizer aangestelde graaf die het gezag van de vorst vertegenwoordigde.

In de loop van de 9e eeuw groeide de Vlaanderengouw uit tot het graafschap Vlaanderen. In 862 werd Boudewijn, bijgenaamd Boudewijn met de IJzeren Arm, aangesteld als eerste gouwgraaf.

De exacte omvang van de Vlaanderengouw in die tijd is moeilijk vast te stellen. In essentie was het een uitgestrekte schorrenvlakte langs de kust, waarvan enkel een smalle aangrenzende zandstrook bewoonbaar was. Dit blijkt onder andere uit Frankische nederzettingstoponiemen als Bekegem, Roksem, Ettelgem, Zerkegem en Snellegem. De Merovingische en Karolingische vorsten schonken de schaapsweiden op de schorren vaak aan kerken en abdijen.

In het oostelijk deel van de gouw, in de buurt van Brugge, bleef veel land echter in koninklijke handen. Deze domeinen werden bestuurlijk georganiseerd in “fisci”. Rond het midden van de 10e eeuw zijn twee fisci bekend: Snellegem en Weinebrugge.

In zijn publicatie “De fiscus Snellegem” beweert E.H. Jozef Noterdaeme (1892-1981), pastoor, dat Snellegem in de vroege middeleeuwen het centrum vormde van één groot koninklijk domein van waaruit de fiscus Weinebrugge zou zijn ontstaan. Andere historici betwisten dit en menen dat het wel degelijk om twee fisci met een eigen verleden gaat.  

Er is o.a. door pastoor Noterdaeme veel onderzoek gedaan naar de fiscus Snellegem maar over de fiscus Weinebrugge en de omvang ervan is zeer weinig bekend. Behalve dan dat het om een oude Frankische nederzetting gaat rond de centrale hoeve “Blidenburgh”, gelegen op een hoogte ten oosten van de Kerkebeek, nabij de huidige Dorpsstraat en Vijverhoflaan in Sint-Michiels. De naam Weinebrugge is vermoedelijk een verbastering van “wagenbrug”, een brug over de nabijgelegen Kerkebeek.

De eerste vermelding van de fiscus Weinebrugge dateert uit een oorkonde van het jaar 962 waarin de toenmalige graaf van Vlaanderen Arnulf II, tien landhoeven met hun aanhorigheden uit zijn eigen erfgoed Weinebrugge, genaamd Liber Traditionum Sanctii Petri Blandiniensis, schonk aan de Gentse Sint-Pietersabdij. De schenkingsakte kreeg een grote symbolische of historische waarde, voor zover ze beschouwd wordt als een soort stichtingsakte van de latere gemeente Sint-Michiels. Een gedenkplaat rechts bij de ingang van het gemeentehuis op de dorpsplaats van Sint-Michiels herinnert aan deze gebeurtenis. “Op 5 mei 962 schonk Arnulf de grote graaf van Vlaanderen aan de Gentse Sint-Pietersabdij ten tijde van abt Womarus tien landhoeven met hun aanhoorigheden uit zijn erfgoed Weinebrugge genaamd”. De plaat werd, ter gelegenheid van het duizendjarige bestaan van Sint-Michiels, op 10 oktober 1962 onthuld door Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert van België.

Waar de tien landhoeven zich precies bevonden, is een vraag die nog beantwoord moet worden.

De fiscus Weinebrugge werd (en wordt nog steeds) geïdentificeerd met de parochie Sint-Michiels. Deze koppeling steunt op een schenkingsoorkonde van 31 oktober 1089, waarin Robrecht van Jeruzalem, graaf van Vlaanderen, een kapittel van 12 kanunniken van de Sint-Donaaskerk binnen de burcht van Brugge instelde die verscheidene voorrechten en eigendommen verkregen o.a. “de Sint-Michielskerk in de villa Weinebrigga, met alle aanhorigheden, tienden, weiden, akkers, lijfeigenen en inkomsten”.

Binnen Villa Weinebrugge bevond zich al vanaf de 8e eeuw een bidplaats op de locatie van het huidige kerkhof, gewijd aan de aartsengel Michaël. De naam van de patroonheilige en de parochie verdrong al snel de oude benaming Weinebrugge.

Het Brugse Vrije (1172-1789)

Toen het Frankische Rijk in de 9e eeuw uiteenviel, werd het ambt van gouwgraaf erfelijk en ontstonden er grafelijke dynastieën. Onder graaf Boudewijn IV (988-1035) werd het graafschap Vlaanderen bestuurlijk onderverdeeld in vier kasselrijen: Brugge, Gent, Sint-Omaars en Doornik. Boudewijn was notabene de langstzittende graaf van Vlaanderen (47 jaar). Onder zijn bewind ontwikkelde Brugge zich tot stad en in 1127 bewandelden de stad Brugge en het omringende platteland gescheiden wegen. De stad kreeg haar eigen bestuur en het buitengebied werd een aparte kasselrij die de naam Brugse Vrije kreeg.

Het Brugse Vrije strekte zich uit van de kust tot Eeklo, met Breskens en de IJzer als noordelijke en zuidelijke grenzen. Het besloeg ongeveer een derde van de huidige provincie West-Vlaanderen. Het gebied werd bestuurd als een stad waarvan de administratie gevestigd was op de Burg, waar zich vandaag nog steeds, naast het stadhuis, het Landhuis van het Brugse Vrije bevindt. Aanvankelijk waren er vier burgemeesters en ca. 20 schepenen die zowel bestuurlijke als gerechtelijke taken hadden.

Op de grote kaart van het Brugse Vrije, geschilderd door Pieter Pourbus tussen 1561 en 1571, wordt het latere Sint-Michiels afgebeeld als een klein gehucht langs de huidige Rijselstraat. Voorts zijn enkele grotere omwalde sites herkenbaar zoals die van de hofsteden Boterbeke (later bekend als Zwaenekerke), de Rode Poort en Leyssele.

De schepenen en magistraat van het Brugse Vrije bestuurden slechts een klein deel van het koninklijk en later vorstelijk domein rechtstreeks. Het zogenaamde Echte Vrije bestond uit een relatief klein gebied achter de Noordzeeduinen van ongeveer 10-15 km breed. Aanvankelijk ging het om 35 ambachten (een gebied bestaande uit meerdere parochies) waarvan er eind 18de eeuw nog 14 overbleven. Bekende namen waren bv. de ambachten Dudzele, Gistel, Koekelare, Moerkerke Vladslo en Woumen.

Het grootste deel van het koninklijk (vorstelijk) domein werd door de graven van Vlaanderen en later de vorsten van Bourgondië (1384-1482), Habsburg (1482-1555), Spanje (1555-1715) en Oostenrijk (1715-1795) onrechtstreeks beheerd. Het was de tijd van het leenstelsel waarbij de graaf, vorst of grootgrondbezitter de rechten als eigenaar van de grond in bruikleen gaf of schonk aan derden in ruil voor betalingen en diensten. De basis was een privaatrechtelijke overeenkomst (het feodale contract of leen) waarin rechten en plichten van de leenheer (graaf of koning) en leenman (vazal) werden vastgelegd.

In de kasselrij van het Brugse Vrije, maar ook elders, waren de begunstigde derden in eerste instantie ambtenaren of militaire leiders van de graven of koningen, die hun positie erfelijk hadden weten te maken. Ze mochten ook vaak de naam van hun “heerlijkheid” aan hun familienaam toevoegen. Vanaf de 12e eeuw werd de adel een werkelijk gesloten kaste die hun aanzien en hun voorrechten scherp bewaakte en in stand hield. Ook de clerus moest tevreden gehouden worden. Kloosters, bisschoppen en hogere kerkambtenaren verkregen eigendoms- of bruikleenrechten. De opkomende steden kregen stadsrechten en konden eigen zelfbestuur en rechtspraak regelen. Tegen het einde van de feodale tijd had ongeveer 90 procent van het gebied onder het bestuur van het Brugse Vrije, aanspraak op één of andere vorm van eigen bestuurlijke en/of juridische rechten.

Over het kerkelijk bestuur van de parochie Sint-Michiels is het nodige bekend maar dat is hier niet aan de orde. Ondergetekende heeft geen tijd en moeite meer besteed aan de reconstructie van het burgerlijk bestuur. Het feodale leenstelsel leidde in de praktijk tot een zodanig versnipperd bestuur met ingewikkelde en steeds variërende juridische en financiële verhoudingen, dat dergelijke reconstructie bijna onbegonnen werk is.

Kerkparochies waren heel lang instellingen met eerder vage, weinig afgelijnde grenzen. De grenzen waren lokaal door iedereen bekend maar een specifieke kaart van de volledige parochie Sint-Michiels bvb is niet te vinden. Parochielandboeken, die in het Rijksarchief bewaard worden, bevatten in het beste geval slechts enkele kaartjes van specifieke percelen of hofsteden. Een anonieme schets/tekening, waarop de grenzen van de toenmalige parochie Sint-Michiels min of meer zijn ingetekend, is hierbij toegevoegd.

Het landboek van de parochie Sint-Michiels – 1714

Hoe versnipperd het burgerlijk bestuur op de parochie was, werd voor het eerst duidelijk in kaart gebracht toen de Oostenrijkse keizer Karel VI in 1714 de opdracht gaf om alle parochies op te meten. De toenmalige parochie Sint-Michiels werd opgemeten door landmeter Karel Verplancke die tot de conclusie kwam dat de parochie 928 ha groot was en uit 6 rechtsgebieden bestond.

Met een oppervlakte van 320 ha besloeg de heerlijkheid Tillegem ongeveer een derde van de oppervlakte van de parochie. Het kasteeldomein Tillegem, dat persoonlijk eigendom was van de graven van Vlaanderen, was in de loop van de 11e eeuw geschonken aan het huis van Voormezele, een bekende Vlaamse adelijke familie. (ter info, in 2017 werden in het centrum van Voormezele, een dorp dat deel uitmaakt van de stad Ieper, funderingen en delen van muren en een gracht van het kasteel van de Heren van Voormezeele blootgelegd). Rijksarchivaris Joseph Desmet beweert dat de heerlijkheid geheel binnen de grenzen van de parochie Sint-Michiels lag maar dat is onjuist. Een zuidelijk dicht bebost en vrijwel onbewoond deel van het domein (ongeveer 100 ha ) maakte deel uit van de parochie Loppem.

De heerlijkheid had een verre vorm van zelfstandigheid met een eigen burgerlijk bestuur (burgemeester en schepenen), een eigen politie en zelfs eigen rechtspraak. Veel moet men zich daarbij niet voorstellen, rekening houdend met het feit dat er, zelfs tot midden 20ste eeuw, binnen de grenzen van de heerlijkheid nooit meer dan 35 huisgezinnen en 150 mensen hebben gewoond waarvan de helft kinderen.

Er is in het verleden het nodige onderzocht en gepubliceerd over de geschiedenis van de heerlijkheid Tillegem maar die gaat niet over het burgerlijk bestuur van de heerlijkheid maar over kasteel Tillegem en zijn bewoners. Ze is samengevat in een aparte bijdrage (zie rubriek Kastelen). De heerlijkheid bleef schatplichtig aan het bestuur van het Brugse Vrije die op haar beurt schatplichtig bleef aan de graaf of vorst.

De rest van de parochie Sint-Michiels (buiten de heerlijkheid Tillegem dus) had geen eigen bestuur. Het noorden van de parochie (ongeveer 200 ha) behoorde tot het stadgebied van Brugge. De stad Brugge kreeg al in 1275 de toestemming van gravin Margaretha van Constantinopel om haar grondgebied rond de stad uit te breiden en met palen af te bakenen. In totaal waren het 15 paalstenen waarvan er 3 op grondgebied van de parochie Sint-Michiels stonden. De kerk van Sint-Michiels, gelegen op het huidige kerkhof, lag binnen het Brugse Paalgebied.

In 1714 stond ongeveer 65 ha van de parochie Sint-Michiels onder beheer van “het Kanunnikse”. Er zijn aanwijzingen dat er binnen de Weinebrugge nederzetting al vanaf de 8e eeuw een bidplaats was gebouwd (op de plaats van het huidige kerkhof) die toegewijd was aan de aartsengel Michael. De eerste betrouwbare vermelding van het bestaan van het kerkje is te vinden in de eerder vermelde schenkingsoorkonde van 31 oktober 1089 waarin Robrecht van Jerusalem, graaf van Vlaanderen, de Sint-Michielskerk met aanhorigheden schenkt aan een kapittel van 12 kanunniken van de Sint-Donaaskerk. In een brief gedateerd 28 december 1089 bevestigde bisschop Radboud II van Doornik nog eens plechtig de rechten en privilegiën van het Sint-Donaaskapittel over de parochiekerk van Sint-Michiels. De kanunniken waren echter geen grondeigenaar op Sint-Michiels (dat was de Kerkfabriek).

De heerlijkheid Sijssele, ook wel het Sijsseelse genoemd, was met 340 ha de grootste bestuurseenheid binnen de parochie Sint-Michiels. Het strekte zich uit ten zuiden van het Kanunnikse en ten oosten van de huidige Rijselstraat tot aan de grens met de parochie Loppem. De eerste vermelding van een heer van Sijssele dateert van rond 1240 toen Walter van Sisele werd genoemd. De heerlijkheid groeide in de eeuwen daarna uit tot een uitgestrekt domein dat meerdere parochies omvatte, waaronder Oedelem, Assebroek, Sijssele, Sint-Kruis en dus ook een deel van de parochie Sint-Michiels. Net als het Kanunnikse was de  Heer van Sijssele geen grondeigenaar op Sint-Michiels maar bezat hij enkele zakelijke en juridische rechten die hier niet verder besproken worden.

Voor de volledigheid worden nog de twee resterende rechtsgebieden van het Brugse Vrije en het Maandagse vermeld. Samen hadden ze ongeveer 20 ha van de parochie onder hun beheer en waren dus van minder belang.

De volkstelling van 1748

De eerste volkstelling vond plaats tijdens de Oostenrijkse Successieoorlogperiode (1740-1748) een conflict om de opvolging van de Oostenrijkse keizer Karel VI, die geen mannelijke erfgenaam had. De telling had vooral een administratieve doel. Aan de hand ervan werd het officiële bevolkingscijfer van elke parochie bepaald en aan de hand van de cijfers konden de parochiale bevolkingsregisters nagekeken en verbeterd worden. Uit de telling blijkt dat er in 1748 precies 86 gezinnen in de parochie Sint-Michiels woonden met in totaal 374 inwoners, waarvan de helft kinderen.

Uitgaande van de veronderstelling dat er in het stichtingsjaar 962 een honderdtal inwoners waren, is het duidelijk dat er in de daaropvolgende bijna 800-jarige periode niet veel is gebeurd in de parochie. Villa Weinebrugge is nooit uitgegroeid tot een belangrijke bestuursentiteit en het Brugse ommeland is lange tijd een landelijk, zeer dunbevolkt gebied gebleven.

De gemeente Sint-Michiels (1795-1970)

Onder het Franse Bewind (1795-1815)

In 1789 veranderde alles. Het begon allemaal in Frankrijk. De klassentegenstellingen in de Franse samenleving liepen zo hoog op dat de burgerij massaal in opstand kwam tegen de heersende koning Lodewijk XVI en zijn vazallen. Het verhaal van de Franse revolutie en de afschaffing van het feodale bestuurssysteem is in vele publicaties beschreven. Toen de Oostenijkse keizer Leopold II zijn Franse “ambtsgenoot” Lodewijk XVI ter hulp wilde komen, verklaarde de revolutionaire Franse Assemblée in 1792 de oorlog aan Oostenrijk en viel de Oostenrijkse Nederlanden binnen. Nadat Napoleon in 1792 de Oostenrijkse troepen in Jemappes had verslagen, werden de Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik en een stuk van de Noordelijke Nederlanden (de Bataafse Republiek), per dekreet van 1 oktober 1795, bij Frankrijk ingelijfd.

Alle privileges van de adel, hogere burgerij en geestelijkheid werden afgeschaft. In Sint-Michiels werden alle goddelijke diensten geschorst. De parochie werd als institutie opgeheven maar de kerk bleef gelukkig gespaard van de sloop. Alle feodale bestuursstructuren (heerlijkheden) die in handen waren van de adel, clerus en hogere burgerij, werden van hun bestuurlijke bevoegdheden ontheven. Op 22 februari 1796 werd J. Neyt aangesteld tot agent municipal van Sint-Michiels en J. Verbiest tot adjoint maar die werden 2 jaar alweer afgezet omdat ze niet republikeins genoeg gezind waren.

In oktober-november 1798 brak de Boerenkrijg uit omdat onze voorouders weigerden als soldaat te dienen in de legers van de Republiek, maar de opstand strekte zich niet uit tot het Brugse en werd met geweld de kop ingedrukt.

De ingelijfde gebieden werden heringedeeld in provincies (departements), kantons en gemeenten. Voor de vorming van de gemeenten werd het gebied van de kerkelijke parochie Sint-Michiels als basis genomen. Zoals eerder vermeld, stond het grondgebied van de parochie toen onder beheer van 6 verschillende heerlijkheden waarvan de gezags- en andere rechten met één pennenstreek werden opgeheven.

Nieuw gevormde gemeenten met minder dan 5.000 inwoners kregen in eerste instantie geen eigen bestuur maar werden gegroepeerd in kantonmunicipaliteiten die als kleinste bestuurseenheid fungeerden. Met slechts 500 inwoners werd de nieuwe (parochie) gemeente Sint-Michiels onderdeel van het kanton Oostkamp. Vijf jaar later (1800) werden de kantons en de kantonmunicipaliteiten afgeschaft en werden alle gemeenten zelfstandig. Ze kwamen onder de directe voogdij van het departement (préfecture), Gedurende de vier jaar dat Sint-Michiels behoorde tot het kanton Oostkamp werden twee volkstellingen gehouden op de gemeente. De eerste op 25 juli 1798 telde 671 inwoners en de tweede op 15 oktober 1799 telde 672 zielen.

De municipale raad van het kanton Oostkamp vergaderde voor de laatste maal op 14 juni 1800. Dit was een gevolg van de staatsgreep van 9 november 1799 waarbij het Parijse Directoire werd omvergeworpen en generaal Bonaparte het bestuur van de Republiek in handen nam. De kantons verdwenen als bestuurlijke inrichting en iedere gemeente kreeg een eigen gemeenteraad met aan het hoofd een maire (burgemeester) bijgestaan door een of meer adjoints (schepenen).

Op 25 juni 1800 werd Johannes Verbiest benoemd tot eerste officiële burgemeester van Sint-Michiels. Vier dagen later volgde de benoeming van de adjoint Charles Van Neste. Het burgemeesterschap was toen een erefunctie, zonder vergoeding. De burgemeester was in feite een onderdanige dienaar van een veeleisende prefect, die alle macht centraliseerde. De eerste gemeenteraad telde 10 raadsleden.

In 1813 liep het Franse bewind in de Nederlanden op zijn einde. Jarenlang had Napoleon grote delen van Europa onder zijn controle gebracht. Maar het Franse rijk begon te verzwakken. Napoleon had tussen 1792 en 1815 verschillende coalitieoorlogen uitgevochten tegen steeds wisselende bondgenootschappen van Europese grootmachten. Vooral de laatste grote strijd, de Zesde Coalitieoorlog, putte Frankrijk volledig uit. De mislukte veldtocht naar Rusland in 1812 had het Franse leger al zwaar verzwakt. In oktober 1813 leed Napoleon een beslissende nederlaag in de Slag bij Leipzig. Na deze “Volkerenslag” trokken de geallieerde legers verder richting Frankrijk. Ook in de Nederlanden brokkelde het Franse gezag snel af. Franse troepen trokken zich terug en het bestuur stortte in. De laatste Franse ambtenaren verlieten Brugge op 2 februari 1814.

Na de val van Napoleon Bonaparte in 1815 besloten de Europese grootmachten op het Congres van Wenen de door de Franse bezette Zuidelijke Nederlanden te verenigen met de Noordelijke Nederlanden. Deze samenvoeging moest een sterke bufferstaat vormen tegen Frankrijk. Zo ontstond in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, onder leiding van Willem I der Nederlanden.

De Nederlandse tijd (1815-1830)

Tijdens de daaropvolgende Nederlandse tijd (1815-1830) veranderde er op bestuurlijk vlak weinig. De meeste burgervaders en gemeentebesturen konden gewoon blijven zitten. In Sint-Michiels werd Joseph Guillaume Kervyn de nieuwe ‘maire’. Hij stond op goede voet met de nieuwe machthebbers en bleef tot 1819 burgervader van de gemeente. Ook zijn “adjoint au maire” Albert Van de Velde kon tot die tijd aanblijven. In plattelandsgemeenten werden er gedurende het ‘Hollands bewind’ geen gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Om de loyaliteit te bevorderen werden de opvolgers, burgemeester Baron J. de Heere (schoonbroer van Guillaume Kervyn) en schepenen Francois Patten (tot 1828), Hyppolite Dhont (1828-31) en Jean De Loof rechtstreeks door Koning Willem I benoemd. Ze bestuurden de gemeente tot de eerste gemeenteraadsverkiezingen van het onafhankelijke België in 1830.

De gemeente Sint-Michiels (1830-1970)

Bij de Belgische onafhankelijkheid in 1830 werden de gemeenten door de Grondwet behouden. De werking van gemeentebesturen werd verder uitgewerkt en vastgelegd in de Gemeentewet van 1836.

Het dagelijks bestuur

Conform de Grond- en Gemeentewet werd het dagelijks bestuur van de gemeente Sint-Michiels uitgeoefend door een college van burgemeester en schepenen, meestal schepencollege genoemd. De benoemingsprocedure bleef al die tijd onveranderd: de burgemeester werd (en wordt nog altijd) door een meerderheid in de gemeenteraad gekozen en aan de provinciegouverneur voorgesteld die, na een grondig nazicht op mogelijke bezwaren, de eed van de nieuwe burgemeester afnam en hem benoemde. De schepenen werden door de gemeenteraad gekozen en benoemd.

De gemeente Sint-Michiels heeft in de periode 1830 -1970 in totaal 8 burgemeesters gehad, exclusief de oorlogsburgemeester tijdens WO II. Na de uitvaardiging van de nieuwe Belgische gemeentewet van 1836 werd op 16 september 1836 een nieuwe gemeenteraad gekozen met Hippolyte Dhont (1831-1840) als eerste burgemeester van Sint-Michiels. Er waren toen, notabene, 284 stemgerechtigden. Hippolyte was een telg uit de familie Dhont die uit het Meetjesland stamde en een landhuis in Sint-Michiels had in de toenmalige Kleine Kakstraat (huidige Veldstraat). Zijn opvolger was Pierre Van Neste (1840-1848) die, samen met zijn broer, brouwer was op de wijk Steenbrugge,

De meest bekende en ook langstzittende burgemeesters waren vader Jules en zoon Henri de Serret (1848 – 1915). Ze behoorden tot een adellijke familie afkomstig uit Villers-le-Gambon in de provincie Namen die zich op het einde van de achttiende eeuw in Brugge vestigde en op Sint-Michiels het kasteel de Rode Poort bewoonden.

Henri de Serret was burgemeester bij het uitbreken van WO I. De Duitse bezetter liet de lokale bestuursstructuren bestaan. De gemeentelijke diensten bleven functioneren, zij het onder scherp toezicht van de bezetter. Henri de Serret overleed tijdens WO I in 1915 maar er werd geen opvolger meer benoemd tot aan de eerste na-oorlogse verkiezingen van 1921. Eerste schepen Gustaaf Baert (1920-24), ondernemer op Steenbrugge, werd waarnemend burgemeester tijdens de oorlog. Hij won de verkiezingen van 1921 maar overleed al in 1925.

Eerste schepen Louis De Mey volgde Baert op als burgemeester. Hij was burgerlijk-ingenieur-aannemer en de belangrijkste interbellum burgemeester van 1925 tot 1941. Bij het uitbreken van WO II werd hij, op 21 augustus 1941, door de Duitse bezetter afgezet omdat hij de opgelegde leeftijdsgrens van 60 jaar had overschreden. Hij was de enige burgemeester die een coalitie moest aangaan met een kleine socialistische fractie om een meerderheid in de gemeenteraad te halen. Dat zorgde voor de nodige politieke spanningen die soms hoog opliepen maar hier niet verder besproken worden.

Nadat er zich al twee kandidaten hadden teruggetrokken werd Wilfried Van Damme door de Duitse bezetter op 21 mei 1941 benoemd tot oorlogsburgemeester. Hij was overtuigd lid van het radicaal-Vlaams Nationalistisch Verbond (VNV) dat collaboreerde met de Duitse bezetter. Hij was als burgerlijk ingenieur in dienst getreden van de Organisation Todt, de bouwmeester van de Duitse bezetter, die ingekwartierd was in de naburige abdij van Zevenkerken. Samen met twee ook door de bezetter benoemde schepenen (Jules De Loof en Leon De Brauwere) bestuurde hij de gemeente gedurende iets meer dan een jaar tot de fusie van Groot-Brugge werd afgekondigd op 1 november 1942. Er was geen toekomst meer voor hem in Sint-Michiels en hij vertrok in Duitse dienst naar het Oostfront en is niet meer teruggekeerd.

Het opheffen van de gemeenteraden was voor VNV-oorlogsburgemeester Jozef Devroe van Brugge het moment om oude plannen voor de oprichting van Groot-Brugge uit de kast te halen, naar het voorbeeld van Groot-Antwerpen. De Duitse bezetter had er geen bezwaren tegen en Groot-Brugge werd in oktober 1942 realiteit. De gemeente Sint-Michiels bestond gedurende een tweetal jaren niet meer.

De voor de oorlog gekozen burgemeester Louis De Mey was ondertussen in 1943 overleden. De eerste Schepen Alfons De Baecke werd na de bevrijding bij handgeklap tot burgemeester benoemd. In 1946 volgden zeer bewogen gemeenteraadsverkiezingen waarin de nieuw opgerichte CVP-afdeling Sint-Michiels, onder leiding van de jonge Michel Van Maele, een klinkende overwinning behaalde. Zoon Roger De Mey, die zijn vader wilde opvolgen, werd met 2 van 11 zetels “weggeveegd”. In de daaropvolgende verkiezingen van 1952, 1958 en 1964 behield de CVP-partij van Michel Van Maele een ruime meerderheid en bleef hij burgemeester tot de fusie in 1971. In zijn beheersperiode groeide de bevolking van Sint-Michiels van 5.400 naar 13.000. Zijn naam komt in deze Kroniek zeer vaak terug. Hij is de enige burgemeester van Sint-Michiels naar wie geen straat is benoemd. Stof voor een discussie die hier niet verder gevoerd wordt.

De besprekingsverslagen van het schepencollege zijn in het Stadsarchief Brugge bewaard. Uit de verslagen wordt duidelijk dat de stem van de burgemeester, op een uitzondering na, doorslaggevend was in de besluitvorming van het schepencollege. Al was het maar omdat, op de interbellumperiode na, de twee schepenen uit de eigen politieke fractie waren gekozen. De rol van de schepenen en hun namen zijn hier niet verder vermeld of besproken.

Anno 2025 staat het Brugse college van schepenen en burgemeester onder de leiding van Dirk De Fauw (CD&V). Het Groot-Brugse college telt in totaal 10 leden die deel uitmaken van de twee coalitiepartijen CD&V (6) en Vooruit (4).

De Gemeenteraad en het kiesrecht

De eerste gemeenteraadsverkiezingen vonden, na de onafhankelijkheidsverklaring, in Sint-Michiels (en elders) plaats op 27 en 28 oktober 1830. De raad telde aanvankelijk 9 leden tot in 1921 het aantal werd verhoogd naar 11. Dat bleef onveranderd tot de opheffing van de gemeente in 1970, terwijl de bevolking in die periode meer dan verdrievoudigde.

Onder het Franse bewind was het cijnskiesrecht ingevoerd waarbij het stemrecht voor de gemeenteraad voorbehouden was voor mannen ouder dan 21 jaar en vermogend genoeg om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen. Het systeem werd overgenomen in de Belgische Grondwet van 1830. Tot 1848 varieerde de cijns per gemeente maar vanaf dat jaar werd een uniforme drempel van 20 Gulden ingevoerd voor het hele land. In Sint-Michiels waren er welgeteld 45 stemgerechtigden, waarvan er 9 raadslid werden.

Het cijnsrecht werd in 1893 afgeschaft en vervangen door het algemeen mannelijk meervoudig kiesrecht waarbij elke meerderjarige man 1 stem kreeg, maar wie een bepaalde cijns betaalde kreeg 2 stemmen en wie een bepaald opleidingsniveau had behaald, kreeg zelfs 3 stemmen. Het stelsel werd onder druk van de socialistische beweging in 1920 weer vervangen door het algemeen enkelvoudig kiesrecht waarbij de meerstemmigheid werd afgeschaft maar de kiesgerechtigde leeftijd werd verhoogd tot 25 jaar en, niet onbelangrijk, ook vrouwen stemgerechtigd werden (voor de parlementsverkiezingen was dat pas in 1948). Het was ook het jaar dat kiezen niet een recht maar een plicht werd.

De stemgerechtigde leeftijd zou later in 1969 weer verlaagd worden tot 18 jaar. Ter informatie, begin 21e eeuw mochten EU-burgers voor de eerste maal meestemmen en vanaf 2006 kregen ook immigranten die langer dan vijf jaar in de gemeente woonden en belastingen betaalden en zich vooraf lieten registreren, stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen.

Weinigen weten dat tot de eerste verkiezingen na WO I (in 1921) de raadsverkiezingen partieel waren. Na de eerste algemene verkiezingen werden de gekozen raadsleden bij lottrekking onderverdeeld in 2 reeksen. Na 3 jaar werd een partiële verkiezing ingericht waarbij de eerste serie gemeenteraadsleden uittrad en dus uitzonderlijk slechts een mandaat van 3 jaar volbracht. De tweede serie werd nog eens 3 jaar later vernieuwd. Dit ritme van driejaarlijkse partiële verkiezingen werd bij tijd en wijle onderbroken door buitengewone verkiezingen wanneer een vacante plaats (door ontslag of overlijden) moest gevuld worden. Vanaf 1921 bleef het verkiezingsmandaat uniform vast voor 6 jaar en werden vacatures opgevuld met gekozen plaatsvervangers.

De verslagen van de gemeenteraad zijn bewaard in het Stadsarchief van Brugge. Tot aan WO I stelde het allemaal niet zoveel voor. De raad vergaderde soms maar 3-4 keer per jaar om enkele financiële zaken te regelen. Na WO I moest er veel meer geregeld en besproken worden en vergaderde de raad ongeveer elke maand. Alleen in de interbellumperiode, toen een coalitiemeerderheid nodig was, liepen de debatten hoog op. Met 3-4 zetels op de 11 werd in de periode 1946-1970 de stem van de politieke oppositie wel gehoord maar was er niet echt sprake van debat.

In de loop der jaren is de Belgische Staat grondig hervormd. Opeenvolgende grondwetswijzigingen transformeerden het unitaire België van 1830 tot een federale staat met drie gewesten en drie gemeenschappen. Met de vijfde staatshervorming van 1980-81 kregen de gewesten de bevoegdheid over lokale besturen, inclusief de verkiezingen hiervoor. De volgende gemeenteraadsverkiezingen vinden, volgens de huidige wetgeving, plaats op 13 oktober 2030.

Anno 2025 telt de Groot-Brugse gemeenteraad 47 leden die deel uitmaken van 6 politieke fracties: CD&V (21), Vooruit (10), N-VA (5). Groen (3), Vlaams Belang (5) en lokale partijen (3). Met 31 zetels vormen de twee eerstgenoemde partijen een coalitiemeerderheid. De raad moet wettelijk minstens tien maal per jaar vergaderen. De deelgemeente Sint-Michiels is bijzonder slecht vertegenwoordigd: ze levert weliswaar de voorzitter van de raad maar telt slechts 1 lid (VB) binnen haar muren. 

De gemeentelijke fusie (1971)

Begin zestiger jaren kwamen de gesprekken over de vorming van een Groot-Brugge bestuursvorm weer op gang. Voorheen was het vastleggen of wijzigen van gemeentegrenzen de bevoegdheid van de wetgevende macht (parlement). Dat veranderde in 1961 toen de Eenheidswet werd goedgekeurd die de bevoegdheid om gemeenten op te heffen of te wijzigen aan de uitvoerende macht (regering)  werd toevertrouwd. De procedure betekende een aanzienlijke vereenvoudiging voor gemeentelijke fusies en grenswijzigingen.

Zoals te verwachten, stuitten de plannen voor een grote fusie met de stad Brugge op weerstand, vooal in de randgemeenten. De hogere regionen, met name Achiel Van Acker, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waren gewonnen voor grotere fusies. Hier en daar kwam het tot relletjes en betogingen en in Sint-Michiels nam burgemeester Van Maele zijn toevlucht tot het opmaken van een studie door de Gemeentedienst van België die moest aantonen dat een fusie niet nuttig en nodig was. Het mocht allemaal niet baten en de wet tot fusie van Brugge en randgemeenten werd een feit. Het Koninklijk Besluit van 17 juli 1970 bezegelde de fusie. Michel Van Maele was de laatste burgemeester van een zelfstandig Sint-Michiels. De hierbij gevoegde groepsfoto van de raad werd ter gelegenheid van de laatste gemeenteraad genomen op 19 december 1970: de laatsten der mohikanen. 

Samen met de andere randgemeenten Sint-Andries, Assebroek, Sint-Kruis, Lissewege, Koolkerke en Dudzele werd Sint-Michiels per 1 januari 1971 deelgemeente van de stad Brugge. De status van deelgemeente had en heeft nog steeds geen enkele juridische of bestuurlijke consequentie. Het was de voorbode van de grote fusiegolf toen op 1 januari 1977 het aantal Belgische gemeenten door samenvoeging van 2.359 tot 596 gereduceerd werd. Het is ondertussen verder gedaald tot 581.

De fusie bracht problemen met zich mee op administratief, organisatorisch of fiscaal vlak. Een bijzonder probleem was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende gemeenteafdelingen. Er kon weliswaar een zeker onderscheid gemaakt worden met postcodes maar zelfs binnen de postcodes bestonden gelijke straatnamen. Om ellende en problemen met het verkeerd bestellen van de post of verkeerd afleveren van goederen te voorkomen, werd uiteindelijk besloten gelijkluidende straatnamen te hernoemen. Om de beslissingen die hiervoor door de gemeenteraad moesten genomen worden zo degelijk mogelijk voor te bereiden, besliste het nieuw gekozen college van burgemeester en schepenen op 22 januari 1971, een raadgevende commissie op te richten onder leiding van Andries Van den Abeele. Vanaf haar installatie op 31 maart 1971 tot aan het indienen van haar rapport in november 1972 hield de commissie vijftien plenaire vergaderingen en een aantal beperkte bijeenkomsten voor het oplossen van moeilijke gevallen. Waarom er geen Sint-Michielsenaar in de Commissie werd benoemd is een raadsel. Uit de verslagen van de Commissie blijkt wel dat Gerard Franchoo, apotheker-heemkundige van Sint-Michiels, werd geconsulteerd.

Begin november 1972 werd het verslag van de commissie overgemaakt aan het schepencollege dat er nog een paar wijzigingen in aanbracht. Op 15 december 1972 kwam het “Voorstel tot herziening van de gelijkluidende straatnamen in Groot-Brugge” voor de gemeenteraad. Vooral in deelgemeente Sint-Michiels werden nogal wat laatste wijzigingen aangebracht. Het gewijzigde voorstel werd in de traditionele Nieuwjaarszitting van de raad op 28 december 1972 unaniem goedgekeurd. In totaal werden in deze eerste en voornaamste fase van naamwijzigingen, waar er later nog een tiental aan zouden worden toegevoegd, 146 straatnamen gewijzigd waarvan 27 in Sint-Michiels.

Zoeken