KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

HOEVE STOKVELDE 

Situering

Hoeve Stokvelde is gelegen langs de Heidelbergstraat in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels. Ten oosten van de straat liggen de Wulgenbroeken, in oorsprong moerassige gebieden die nu in gebruik zijn als grasland met hier en daar rijen knotwilgen, sloten en greppels. Het is een typisch, laaggelegen en vochtig gebied dat vrij is gebleven van bebouwing. Deze broeken liggen rond de Lijsterbeek die de grens vormt tussen Sint-Michiels en Oostkamp.

De hoeve is opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en aangeduid in de Landschapsatlas als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ze is sinds 2011 niet meer bewoond.

De inventaris van het bouwkundig erfgoed beschrijft de hoeve als een verankerde baksteenbouw met bepleisterde en wit beschilderde lijstgevels en een zwart gepekte plint. Bovenaan is de bouw afgewerkt met een geprofileerde vermoedelijk natuurstenen gootlijst. De hoofdgevel, kant straat, wordt verticaal geleed door spiegels. Op de borstwering, uitgewerkt als spiegel, staat het opschrift “STOCKVELDT/ 1787”. De zijgevels zijn opengewerkt met rechthoekige muuropeningen telkens voorzien van eenvoudige sluitsteen en duimen. De achtergevel bestaat uit verankerde rode baksteen. De lagere aanbouwen zijn opengewerkt met rechthoekige muuropeningen, sommige zijn voorzien van een sluitsteen. Het woonhuis heeft een bijzondere opstand van een hoofdvolume van 4 traveeën en twee bouwlagen onder een mansardedak geflankeerd door twee lagere volumes van een bouwlaag onder een lessenaarsdak. In het interieur bevinden zich een oudere kelder voorzien van bakstenen tongewelf en rode terracotta tegelvloer. Verder zijn ook nog een achttiende eeuwse schouw en alkoof aanwezig. Naast het woonhuis bevinden zich op het erf ook nog een bakhuis en de 18e eeuwse schuur. De woonkamer heeft nog bewaarde balkenlagen en een imposante haard met houten geprofileerde schouwbalk rustend op natuurstenen consolestenen voorzien van een pseudo-imitatiebeschildering. Een alkoofnis is omgebouwd tot kast. Op de verdieping zijn nog bepleisterde plafonds met moerbalken. De dakconstructie is nog bewaard en bestaat uit vier gebinten. De schuur staat loodrecht op de straat ingeplant en is fasegewijs tot stand gekomen. Het oudste deel dateert vermoedelijk uit de 18e eeuw

De Stokveldhoeve werd vanwege zijn algemene architecturale en sociaal-culturele waarde in 2011 door het Vlaamse Ministerie van Ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed opgenomen in de lijst van beschermde monumenten.

Historiek

De site was – en is – een kleine zandige bebouwbare hoogvlakte, vroeger heideland, gelegen te midden de meersen ten zuiden van de heerweg Loppem -Steenbrugge. De heerweg – de huidige Heidelbergstraat en eertijds Amasantstraat genoemd – is een opgeworpen hoge dijk die de regelmatig onder water lopende meersen en de Wulgenbroeken dwarst. Het oudste gedeelte van het hiernavolgende historische overzicht van de site is gebaseerd op het grondige onderzoek van apotheker-heemkundige Gerard Franchoo dat gepubliceerd werd in de Omroeper van het Davidsfonds Sint-Michiels van september 1968.

Het gehucht of de wijk Stockveldt is voor het eerst vernoemd in 1358 en lag ten zuiden en ook deels ten noorden van de dijk aan de twee uitlopers van de Rijselstraat. In de veertiende en vijftiende eeuw woonde er het geslacht dat de naam van de plaats voerde “van Stockveldt”. De eerst gekende telg heette Wouter van Stockveldt (1301) “binder porchye van Sinte-Michiels .. ende tusschen Margrietens lande van Cortebrugghe en de Wouters lande van Stokevelt“. Hij trok met het weversambacht op in de herevaart naar Sluis, vandaar naar Ieper en Poperinge. In de rekeningen van Brugge treft men in 1344 een Wouter van Stokevelde aan. Ene Janne van Stokevelde was dismeester te Sint-Michiels in 1358. Coppin van Stokevelde sneuvelde bij West-Rozebeke 27 november 1382. In 1423 wordt de familie voor het laatst genoemd “de hofstede daar Jan van Stokeveld least in woonde.” Het is tevens de eerste vermelding van de hofstede waar meer dan 100 jaar lang het geslacht van Stokevelt leefde en boerde.

Vanaf midden 17e eeuw tot eind 18e eeuw zijn er verschillende eigenaars van de hoeve geweest en werd de hoeve afwisselend verpacht of gebruikt als “huis de plaisance” (buitenverblijf) door de eigenaar zelf. In de Omloper van de parochie Sint-Michels van 1714 wordt een “hofstede geneamt Stockevelde” vermeld die toebehoorde aan mijnheer Jan Charles Joets. De hofstede werd langs de noordkant afgebakend door “den ouden dixmuytschen boterwegh alias amasantstraete comende van Steenbrugge loopende in den rijsselschen heerwegh crom en verhaekende” in het oosten door de wulgebroekmeersen en in het zuiden westwaards jegens ’t vrije ter prochie van Loppem“.

In 1775 werd het landgoed aangekocht door baron Jean-Philippe de Pélichy (1716-1792) “eene behuysde hofstede ghenaemdt Stockevelde met alle de huysinghen, scheuren, stallinghen en ende voordere edificien daer op staende ende mede ghenaemde“. De baron stamde uit een Belgisch-Nederlands adelijk geslacht. Na de dood van zijn echtgenote Isabella Margareta Rycksz, met wie hij 7 kinderen had, verhuisde hij uit Nederland en vestigde zich in 1753 in Brugge waar hij de posten bekleedde van schepen en burgemeester van het Brugse Vrije. Verkopers waren de erfgenamen De Bats waarvan verschillende generaties gekend waren als herbergier in de herberg “het Lappersfort” gelegen binnen de paallanden van Brugge in de parochie Sint-Michiels. Ze verkochten de hofstede “omdat aen den huysingheen, scheuren, stallinghen menighvuldige reparatien te doene waren” waartoe ze zich niet in staat achtten. De inscriptie 1781 op de voorgevel duidt op het jaar dat het woonhuis door de baron volledig gerenoveerd werd en zijn huidig uitzicht kreeg. Dat was ook de tijd dat de weg tussen Steenbrugge en Loppem met kasseien werd verhard.

Barones Gertrude de Pelichy (1743-1825) verwierf Stockveldt na de dood van haar vader Jean-Philippe als onderdeel van de verdeling van de erfenis met haar broer baron Theodore de Pelichy. De hoeve werd verpacht en zijzelf verbleef in haar residentie “de Visitatie” in het centrum van Brugge in de Dweersstraat nr 18. Gertrude was een bekende schilderes van landschappen, portretten en dieren. Ze was privé-leerling van schilder Paul de Cock en trok in 1767 naar Parijs en werd er leerling van de Bruggeling Joseph Suvee. Vanaf 1777 woonde ze opnieuw in Brugge in het ouderlijke huis in de Dweersstraat. Het huis kreeg bekendheid omdat tijdens de Franse revolutieperiode de relikwie van het Heilig Bloed daar in een muurnis werd verborgen. Het huis werd later gekocht door het Sint-Lodewijkscollege.

Na haar overlijden in 1825 werd de Stockveld hofstede openbaar verkocht.”Een Huysinghe en hofstede ghenaemt Stockvelde bestaande in wey ende bouwlanden , gestaen ende gelegen terparochie Sint-Michiels aen den Steenweg leydende van de parochie van Lopphem naar de stad Brugge“.Deze bestond op dat ogenblik uit “een gerievig buyten goed, voorzien van kaemer, keuken, kelder , twee boeven kaemers met hunne kabinetten en goote zolder en eene goed behuysde en betimmerde hofstede Stokkeveld, met de hoeveelhed van dry en twintig bunderen vyf en dertig roeden twee ellen, bestaende in zaeylanden, garzingen en Bosch, met veel wassende boomen op staende, gestaen ende gelegen ter gemeente van St Michiels by Brugge, zuyd van de kerke, van beyde kanten den Steenweg leedende van Steenbrugge naer de gemeente van Loppem“

De nieuwe eigenaar werd Joseph Bernard van Caloen (1776-1848). Hij was in 1812 getrouwd met Marie-Christine de Potter (1793-1864) dochter van de ruwaard van Diksmuide en schepen van het Brugse Vrije Pierre-Clement de Potter. Het echtpaar bezat heel wat eigendommen op Loppem, waaronder het Pastoriegoed waar hun zoon Charles later het kasteel van Loppem zou bouwen. Joseph-Bernard werd burgemeester van Loppem in de Hollandse Tijd en zou dat blijven tot 1830. De familie hield afwisselend residentie in een herenwoning aan de Dijver in Brugge en in hun zomerverblijf in Loppem. Op verschillende cartografische bronnen, waaronder de primitieve kadasterkaart van 1835, is te zien dat de bebouwing van de hofstede bestond uit een huis met twee kleine aanbouwtjes, een langgerekte schuur en een klein volume dat hoogstwaarschijnlijk een afzonderlijk bakhuis was. De omgevende percelen worden omschreven als weiland en dennebos. Het echtpaar kreeg drie kinderen Joseph, Charles en Louise-Marie. Bij zijn overlijden in 1848 was Joseph-Bernard niet alleen eigenaar van hoeve Stockveld maar bezat hij nog 235 ha land, bijna een zesde van de oppervlakte van de gemeente Loppem.

De zoon Charles van Caloen (1815-1896) erfde alle bezittingen, inclusief de hoeve Stockveld, van zijn vader. Net als zijn vader, was Charles burgemeester van Loppem . Hij studeerde aan het Klein Seminarie van Roeselare en trouwde in 1847 met gravin Savina de Gourcy-Serainchamps (1825 – 1912). Ze hadden vijf kinderen: Maria, die karmelietes werd, Joseph of dom Gerard stichter van de abdij van Sint-Andries, Albert die zijn vader opvolgde als burgemeester van Loppem, Savina en Ernest. De familie verbleef ook wisselend in de familieresidentie aan de Dijver en in Loppem. Om hem te onderscheiden van de andere van Caloens noemde men hen vaak van Caloen Gourcy. Charles was visueel gehandicapt, in feite bijna blind. In 1867 onderging hij in Parijs een heelkundige ingreep die hem het zicht volledig teruggaf. Het echtpaar van Caloen-Gourcy was ook opdrachtgever van de bouw van het kasteel van Loppem op de plaats waar 100 jaar eerder het familiale Loppemse zomerverblijf was aangekocht. Ondertussen bleef Stockveld in gebruik als pachthoeve.

Na het overlijden van Charles van Caloen in 1896 erfde zijn dochter Savina (1850-1921) de hofstede Stockveld. Ze was gehuwd met Alexandre Gilles de Pelichy (1844-1926) en zo kwam Stockveld, na de 70 jaar van Caloen periode, terug in het bezit van de familie de Pelichy. Zoon Charles Gilles de Pelichy (1872-1958), gehuwd met Maria van der Renne de Droogenbroeck erfde Stockveld van zijn moeder en vervolgens ging de eigendom in 1959 over op dochter Ghislaine Gilles de Pelichy (1913-2020). Zij was gehuwd met Jean Ruffo de Bonnevalle de la Fare des Comtes Sinopoli de Calabre. De naam alleen al vraagt om nader onderzoek. Het echtpaar Ruffo – de Pelichy dacht, drie jaar later, dat de tijd gekomen was om Stockveldt weer te verkopen. De pachtopbrengsten waren minimaal en de financiële lasten van onderhoud werden te zwaar.

De zittende pachter had het voorkooprecht en zo kwam de hofstede in 1962 in het bezit van Michel Famil en zijn familie die de hofstede nog tot 2011 bewoonde en uitbaatte. Ook voor hem werden de onderhouds- en broodnodige renovatiekosten van de inmiddels geklasseerde hofstede veel te zwaar. De uitgewoonde hofstede werd aangekocht door de nv Neremat Holding. Neremat is een gespecialiseerd bedrijf in de verhuur en verkoop van torenkranen en snelmontagekranen. Het bedrijf werd in 1985 opgericht door Gilbert Neirynck uit Izegem, waar de hoofdzetel nog steeds gevestigd is. Naast kraanactiviteiten investeerde de familie een belangrijk deel van haar vermogen in een gediversifieerde vastgoedportefeuille.

Het renovatieproces van de inmiddels totaal verkommerde hofstede komt maar niet van de grond. Na het hoofdgebouw onder een nieuw dak gebracht te hebben, werd een eerste grondige historische en ruimtelijke analysis van het domein opgestart maar anno 2026 blijft onduidelijk of en wanneer de renovatie daadwerkelijk zal plaatsvinden. Na meer dan 15 jaar leegstand. verkeert de hofstede in een staat van totale verwaarlozing, getuige de foto’s die in annex zijn toegevoegd.

Bronnen
Agentschap Onroerend Erfgoed
Kadasterarchief West-Vlaanderen te Brugge, Mutatieschetsen, Sint-Michiels
Stadsarchief Brugge. Archief deelgemeente Sint-Michiels
Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken