KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

ONDERWIJS IN SINT-MICHIELS

Wie geen tijd, geduld of interesse heeft in de onderstaande toelichting, kan direct doorklikken naar de alfabetische scholenindex en de respectievelijke schoolrapportages.

Historische achtergrond

Tot begin 19e eeuw was onderwijs een veelal kerkelijke aangelegenheid. De koster van de parochie, tevens luider van de politieklok, afroeper van besluiten en openbare verkopingen en schrijver van de burgerstand, was daarnaast schoolmeester. Naast deze koster- of parochiescholen, ontwikkelden zich kleine netwerken van private onderwijsinstellingen, geleid door schoolmeesters en meesteressen die op eigen initiatief en voor eigen rekening lesgaven aan kinderen, meestal van de gegoede burgerij. Onderwijs was niet gratis en nog geen verplichting.

Onder het Franse en later Nederlandse bewind werden de eerste stappen gezet naar een openbaar onderwijssysteem. Koning Willem I vond dat de intellectuele achterstand van het zuiden van zijn Verenigd Koninkrijk der Nederlanden weggewerkt moest worden en stichtte o.a. de Rijksuniversiteit Gent.

In 1830 werd  België onafhankelijk en werd meteen een einde gemaakt aan de door de Nederlandse bezetter ingevoerde overheidsbemoeizucht met het onderwijs. Het decreet van 12 oktober 1830 van het Voorlopig Bewind rekende af met de centralistische onderwijstendens in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Alle maatregelen die een hinderpaal waren voor de vrijheid van onderwijs werden opgeschort. Het geestelijk en particulier initiatief kreeg vrije baan. Veel gelukzoekers zagen de kans schoon om een school te beginnen en met name katholieke congregaties en zustergemeenschappen gebruikten de grondwettelijke vrijheid om nieuwe scholen op te richten. De totale vrijheid van onderwijs leidde tot anarchie en een reactie van de overheid kon niet uitblijven.

De eerste schoolwet 1842

Met de eerste schoolwet wilde de regering, onder impuls van de liberaal-vrijzinnige minister Jean-Baptiste Nothomb, gratis lager onderwijs invoeren als recht voor alle ouders. De wet verplichtte gemeenten een lagere school op te richten of te onderhouden met de mogelijkheid tot overname van de bestaande vrije (d.i. katholieke) scholen. In beide schooltypes zou het toezicht door de staat worden georganiseerd en zouden er kantonale inspecteurs aangesteld worden die de scholen controleerden op hun didactische en pedagogische werking en tegelijk de infrastructuur van de school nakeken. De katholieke vrije scholen mochten nog een eigen diocesane inspectie behouden, maar in de gemeentescholen mochten ze alleen het godsdienstonderricht controleren. De wet werd in 1850 uitgebreid tot het middelbaar onderwijs.

Sindsdien bestaat in België een dubbel onderwijsnetwerk dat tot op heden behouden is gebleven. Het kwam tweemaal onder zware druk te staan. De strijd tussen de liberale en katholieke visie op de inrichting van het Belgische onderwijs escaleerde tussen 1878 en 1884  toen een fel antiklerikaal liberaal blok de meerderheid haalde. De hoofdbepalingen van de tweede organieke onderwijswet van 1879, ook bekend als de wet-Van Humbeek, waren dat het schoolgeld werd afgeschaft en de gemeenten geen vrije school meer mochten aannemen. De schoolstrijd, die het land in rep en roer zette, leverde de Katholieke Partij in 1884 een grote verkiezingsoverwinning op. De nieuwe katholieke meerderheid stemde meteen de derde organieke wet op het lager onderwijs van 20 september 1884. De nieuwe wet, bekend als de wet Jacobs, maakte onmiddellijk komaf met de liberale centralisatiepolitiek en bracht de rust terug op het schoolfront.

De leerplicht 1914

Onder druk van de liberalen en de Belgische Werkliedenpartij werd in België vanaf 1909 gewerkt aan de invoering van de algemene leerplicht maar, het duurde nog tot 1914 voordat ook de katholieken, voorstanders van volledige vrijheid van onderwijs, overstag gingen. Op 19 mei 1914 werd de wet Poullet, ook bekend als de 5e organieke wet op het onderwijs, getekend. Het voornaamste element van de wet was leerplicht voor alle leerlingen tussen 6 en 12 jaar en later tot 14 jaar.

Drie maanden na de afkondiging van de leerplichtwet vielen de Duitsers binnen en in de praktijk werd de invoering van de leerplicht uitgesteld tot na de oorlog. Daarmee liep België ver achter op zijn buren. In Nederland was de leerplicht al in 1901 ingevoerd, in Frankrijk nog vroeger, in 1881 en in Engeland al in 1870. De kampioen was Duitsland, waar vanaf 1850 reeds begonnen werd met de geleidelijke invoering van het algemeen volksonderwijs.

Na WO I bleef de leerplichtwet echter nog lang een dode letter, omdat er weinig of geen toezicht werd gehouden en er geen sancties waren op niet-naleving. De opvolging kwam pas goed op gang in de jaren vijftig. De leerplichtleeftijd werd in de jaren zeventig verhoogd tot 16 jaar om uiteindelijk in 1983 verlengd te worden tot 18 jaar.

De schoolstrijd 1955-58

Zeventig jaar na de eerste schoolstrijd laaide het conflict weer op naar aanleiding van de wet-Collard (1955). De wet moest het rijksonderwijs bevorderen en de vrije onderwijspolitiek van vorige christen-democratische regeringen terugdraaien. Een breed programma van rijksscholenbouw moest ten uitvoer worden gebracht. De wet was ook een nieuwe poging van links-liberale kant om het Belgische onderwijssysteem te deklerikaliseren. De wet richtte zich voornamelijk op het middelbaar en hoger onderwijs, maar ook op lager onderwijsniveau was enige spanning voelbaar.

Het Schoolpact, dat op 20 november 1958 door onderhandelaars van de drie grote politieke partijen werd ondertekend, maakte een definitief einde aan de schoolstrijd in België. Het schoolpact bepaalde dat het (katholieke) vrije onderwijsnet zich zou onderwerpen aan vergelijkbare onderwijsreglementering in ruil voor overheidsfinanciering. De subsidiëring was vergelijkbaar, maar niet helemaal gelijk, aan die van het officiële net. Daarmee verankerde het pact het bestaan van de twee onderwijsnetten: het officieel onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Binnen het officiële net bleef een verder onderscheid bestaan tussen het officieel (rijks)onderwijs ingericht door de overheid, en het gesubsidieerd officieel onderwijs, ingericht door gemeentelijke en provinciale overheden.

Federalisering

De eerste grote stap naar federalisering werd in 1970 gezet onder premier Gaston Eyskens. Als antwoord op toenemende communautaire spanningen werden drie cultuurgemeenschappen ingesteld – de Nederlandse, de Franse en de Duitse – met bevoegdheden op het vlak van taal en cultuur.

In 1980 werden deze cultuurgemeenschappen kortweg de gemeenschappen. Hun bevoegdheden werden uitgebreid naar persoonsgebonden aangelegenheden waaronder gezondheid, sociale bijstand en onderwijs.

Na de parlementsverkiezingen van 8 november 1981 legde de eerste Vlaamse Regering (toen nog Vlaamse executieve genoemd), onder leiding van Gaston Geens, de eed af, met Jan Lenssens als eerste Vlaamse minister van Onderwijs. De overdracht van de onderwijsbevoegdheden gebeurde echter gefaseerd en werd pas met de derde staatshervorming van 1988-89 volledig afgerond. Philippe Moreau was de laatste federale minister van Onderwijs die zijn bevoegdheden overdroeg aan zijn Vlaamse collega Daniël Coens. Na de overdracht was er binnen de politieke wereld geen animo meer voor een nieuwe schoolstrijd. De fundamentele structuur van de drie onderwijsnetten werd ongemoeid gelaten.

Anno 2025 zijn er in Vlaanderen 3 onderwijsnetten: het gemeenschapsonderwijs, (GO1-onderwijs) georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap zelf, het gesubsidieerd officieel onderwijs georganiseerd door gemeentelijke en provinciale besturen, en het gesubsidieerd vrij onderwijs georganiseerd door privépersonen of particuliere organisaties.

In het schooljaar 2021-2022 zaten ongeveer 1,2 miljoen leerlingen in Vlaanderen in het basis- en middelbaar onderwijs waarvan 65% in de gesubsidieerde vrije sector en 35% in het officieel onderwijs.

Inrichting van het Vlaams onderwijs – hoofdlijnen

Algemeen onderwijs

Kinderen kunnen vanaf 2,5 jaar instappen in het kleuteronderwijs. In het jaar waarin ze zes worden, maken ze de overstap naar de lagere school. De voorbije jaren schommelde het aantal kleuters in het Vlaamse onderwijs tussen de 240.000 en 260.000.

Leerlingen volgen lager onderwijs van hun zesde tot en met hun twaalfde levensjaar. Dit onderwijs bestaat uit zes leerjaren. Enkel scholen waarin zowel kleuter- als lager onderwijs georganiseerd is, mogen zich basisscholen noemen. In het laatste jaar haalt de leerling een getuigschrift basisonderwijs waarmee ze kunnen doorstromen naar het eerste leerjaar A van het secundair onderwijs. Leerlingen die dit getuigschrift niet halen, starten in het 1ste leerjaar B. Na een geslaagd 1ste leerjaar B kan de leerling alsnog overstappen naar het 1ste leerjaar A.

Bij de overstap van het basisonderwijs gaan de meeste leerlingen naar het voltijds gewoon secundair onderwijs, dat is onderverdeeld in drie graden van telkens 2 jaar. In de eerste graad wordt kennisgemaakt met zoveel mogelijk vakken. Vanaf de tweede graad moet een bewuste studiekeuze gemaakt worden. In het algemeen secundair onderwijs (aso) wordt de nadruk gelegd op een ruime theoretische vorming. Het beroepssecundair onderwijs (bso) is een praktische onderwijsvorm waarin de leerling een beroep aanleert en ook algemene vorming krijgt. In het kunstsecundair onderwijs (kso) volgt de leerling een algemene, ruime vorming naast kunstvakken. In het technisch secundair onderwijs (tso) gaat de aandacht vooral naar algemene en technisch-theoretische vakken. In de derde graad wordt dit nog verder uitgediept.

Buitengewoon onderwijs

Naast het reguliere basisonderwijs bestaat er ook buitengewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap of beperking, evenals voor leerlingen met ernstige leerstoornissen of langdurige ziekte. Reeds in de 19de eeuw zetten religieuze orden zoals de Broeders en Zusters van Liefde en de Zusters der Kindsheid van Maria zich in voor het onderwijs aan personen met sensoriële beperkingen. De wetgever voorzag al in 1914 in de mogelijkheid voor de inrichting van buitengewoon onderwijs. In de Wet op de Leerplicht stond vermeld dat “daar waar de populatie dit mogelijk maakt, de gemeenten ertoe verplicht zijn klassen te organiseren voor zwakbegaafde of verachterde of abnormale kinderen”.

Aanvankelijk bestonden buitengewone scholen bij de gratie van het particulier initiatief en via beperkte financiële steun van gemeenten en het ministerie van Onderwijs. De doorbraak van aangepast onderwijs volgde in 1920, toen een nieuwe onderwijswet van kracht werd. Die wet erkende het buitengewoon lager onderwijs ”voor leerlingen die wegens ziels- of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht gewoon onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven“. Het aantal scholen groeide sindsdien razendsnel.

Sinds de voltooiing van het federaliseringsproces in 1988 is ook het buitengewoon onderwijs een bevoegdheid van de Vlaamse overheid. Het wordt aangeboden van kleuteronderwijs tot en met het secundair onderwijs en is onderverdeeld in types op basis van de aard van de bijhorende zorgbehoefte: type 1 lichte verstandelijke handicap; type 2 matige of ernstige verstandelijke handicap; type 3 gedragsproblemen en/of emotionele problemen; type 4 lichamelijke handicaps; type 5 zieke of herstellende leerlingen; type 6 visuele handicaps; type 7 auditieve handicaps; type 8 leerstoornissen; type 9 autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking.

Anno 2025 volgde ongeveer 5% van de leerlingen buitengewoon onderwijs (30.000 in het basisonderwijs en 23.000 in het middelbaar onderwijs.

Hoger onderwijs

Organisatie

Het hoger onderwijs omvat het wetenschappelijk onderwijs dat onderwezen wordt aan universiteiten en hoger beroepsonderwijs dat onderwezen wordt aan hogescholen. Het wetenschappelijk onderwijs is vooral gericht op wetenschappelijk onderzoek: nieuwe ontdekkingen of bevestiging van eerdere ontdekkingen. Het hoger beroepsonderwijs is vooral gericht op het toepassen van bestaande wetenschappelijke kennis in de maatschappij en het bedrijfsleven.

Sinds de onafhankelijkheid in 1830 tot omstreeks 1960 bestond het Belgisch universitair landschap voornamelijk uit vier Franstalige universiteiten: de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel en de rijksuniversiteiten in Gent en Luik. De Leuvense universiteit bood bovendien in Namen een aantal kandidaatsjaren aan (Notre-Dame de Paix).

In 1911 startte een eerste experiment met het Nederlandstalig onderwijs in Leuven. Intussen, ruim een eeuw later, telt Vlaanderen 5 grote universiteiten (Leuven, Gent, Antwerpen, Hasselt en de Vrije Universiteit Brussel) en de kleinere Transnationale Universiteit Limburg (een samenwerking tussen de universiteit Hasselt en de universiteit Maastricht). Samen tellen ze 131.000 studenten. Met 50.000 studenten is de KU Leuven traditioneel de grootste, kort gevolgd door Universiteit Gent met 43.000 studenten.

Het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen bracht een belangrijke omwenteling voor het hoger beroepsonderwijs. De toenmalige 164 autonome instellingen fuseerden op 1 september 1995 tot 29 hogescholen. Het aantal is ondertussen via fusies teruggebracht tot 16, samen goed voor 144.000 studenten. Drie hebben hun hoofdzetel in West-Vlaanderen: VIVES Noord en Zuid en HOWEST, samen goed voor 23.000 studenten.

Opleidingen

Het hoger onderwijs kent sinds de Bolognaverklaring in 1999 een tweeledige structuur: drie of vier jaar bacheloropleiding, al dan niet gevolgd door één of twee jaren masteropleiding. Na de mastertitel bestaat de mogelijkheid ook de graad van doctor te behalen.

Bacheloropleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs. Ze komen grotendeels overeen met de vroegere “graduaat” of “kandidaat”. Ze zijn ofwel professioneel ofwel academisch gericht. Ze hebben een studieomvang van minstens 180 studiepunten en duren drie jaar. Professionele opleidingen worden alleen door hogescholen gegeven en zijn gericht op de beroepspraktijk. Academisch gerichte opleidingen worden gegeven aan universiteiten en zijn gericht op doorstroming naar een masters opleiding.

Masteropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een gevorderd niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren. Ze vervangen de vroegere universitaire licentiaten, ingenieurs- of artsentitels. De opleidingen sluiten aan bij een (academische) bachelorsopleiding van de universiteiten. Ze hebben een studieomvang van minstens 60 studiepunten en duren 1-2 jaar. Ze zijn in principe academisch gericht, maar hogescholen kunnen, om het moeilijk te maken, ook professionele masteropleidingen aanbieden op voorwaarde dat ze een associatie vormen met een universiteit.

Recentelijk is binnen de BaMa-structuur een derde opleidingsgraad gecreëerd. De graduaatsopleiding is minder theoretisch dan een bacheloropleiding en wordt beschouwd als een intensieve vooropleiding richting de arbeidsmarkt of als voorbereiding op een professionele bachelor. De opleidingen kunnen alleen aan hogescholen gevolgd worden, met uitzondering van de graduaatsopleiding verpleegkunde, die ook gevolgd kan worden in een secundaire school. Ze hebben een studietraject van 2-3 jaar.

Onderwijs in Sint-Michiels

Alle eerder besproken vormen en soorten van onderwijs en opleidingen zijn vertegenwoordigd in Sint-Michiels. Hieronder volgt een historische terugblik op de onderwijsinstellingen die in (deel)gemeente Sint-Michiels gevestigd waren of nog steeds zijn.

Zoeken