JAN ANTON GAREMIJN (1712-1799)
Jan Anton Garemijn geldt als de voornaamste vertegenwoordiger van de rococoschilderkunst in Brugge. Hij was een tijdgenoot van grote meesters als Watteau, Fragonard, Boucher en Tiepolo en onderscheidde zich door zijn kleurrijke weergave van het volkse, dagelijkse leven zoals hij dat rondom zich waarnam
In 1765 werd Garemijn benoemd to leraar aan en vervolgens directeur van de Brugse kunstacademie. Deze functie bracht hem in contact met heel wat invloedrijke geestelijken, edellieden en rijke burgers die de academie ondersteunden en hem opdrachten toevertrouwden. De talrijke religieuze taferelen, uitgevoerd in de conventionele stijl die van de barokmeesters had geleerd. Veel spontaner was hij in schilderijen waarin hij het pittoreske van het dagelijkse leven in beeld bracht.
Als directeur van de academie gaf Garemijn ook tekenlessen naar mannelijk naaktmodel. In 1775 kwam het toy een conflict met enkele collega’s, wat leidde tot zijn ontlag. Hij bleef een zeer productieve kunstenaar van wie het devies ‘Nulla dies sine linea’ was. Niet gehinderd door familiezorgen, werd de vrijgezel eerste verzorgd door zijn moeder en later door zijn zus Anna. Na haar overlijden huwde hij in 1789 op hoge leeftijd in 1791 met zijn 24-jarige dienstmeid Francisca Achtergael (1767 – 1847) van wie hij haar twee kinderen adopteerde.
Garemijn liet duizenden werken na, voornamelijk tekeningen, zowel van zijn eigen hand als van andere kunstenaars. Verschillende van zijn schilderijen zijn vandaag nog in Brugge te bewonderen. Tot de bekendste werken behoren het Pandreitje van Brugge, de De opvoeding van Maria in de Sint-Annakerk en de voorstelling van drie vrijgekochte slaven in de Sint-Gilliskerk. Een vijftiental werken zijn opgenomen in de kunstcollectie van het Groeningemuseum waaronder die van het bovenvermelde Pandreitje.
De westvleugel van de Brugse stadshallen, geschikt en gebruikt voor exposities, recepties en banketten, is ook naar hem vernoemd.