Gustaaf Vermeersch (1877-1924) – Vlaamse letterkundige

Gustaaf Vermeersch is geboren op 20 mei 1877 te Veurne als Gustavus Carolus Cornelis Vermeersch. Zijn vader overleed amper drie maanden na zijn geboorte waardoor hij een zeer arme jeugd kende. Hij had een zwakke gezondheid, leed aan epilepsie en werd mensenschuw. Als twaalfjarige knaap werd hij telegrambesteller en op twintigjarige leeftijd treinwachter. Omwille van zijn beroep verhuisde hij eerst naar Ledeberg waar hij de tien jaar oudere Elodie Coart, pianiste, leerde kennen die hij huwt in 1899. In het gemeentelijk bevolkingsregister van Sint-Michiels 1910-1930 is terug te vinden dat het jonge echtpaar een vijftal jaren in de Pesthuizenstraat, de huidige Titecastraat, te Sint-Michiels heeft gewoond.
In die tijd begon hij belangstelling te tonen voor de literatuur en maakte hij kennis met het werk van Stijn Streuvels en Isidoor Teirlinck. In 1904 werd hij vast benoemd als treinwachter en publiceerde hij zijn bekendste werk, de roman “De last”. Hij beschrijft hierin het trieste leven van een kantoorklerk in een kleine stad; de “last” die hem verplettert is “verterende belustheid op de vrouw”.
Het echtpaar verhuisde in 1905 naar Monceau-sur-Sambre waar hij werd bevorderd tot hoofdtreinwachter op de lijn Charlerloi-Aarlen. Hij trachtte er de uitgeweken Vlamingen te verenigen en “stambewust” te maken. Hij stichtte er een “Vlaamse Bond”, met ziekenfonds en een boekerij met letterkundige afdeling. In de schoot van het Algemeen Nederlandsch Verbond richtte hij Vlaamse feesten in en liet voordrachten en lezingen houden door bekende Vlamingen. Na overplaatsing in 1907 naar Ingelmunster kwam hij, omwille van zijn wankele gezondheid en door tussenkomst van bevriende letterkundigen, in Brussel terecht als ambtenaar in de bibliotheek van het Ministerie van Spoorwegen. In hetzelfde jaar publiceerde hij zijn tweede roman “Mannenwetten” over de uitbuiting van de Brugse kantwerksters.
In de 1914-1918 periode ontplooide hij zijn Vlaams nationalistische politieke activiteiten verder. Hij sloot zich aan bij de partij Jong-Vlamingen uit Gent en werd redacteur van hun partijblad De Vlaamsche Post. Als op het einde van de oorlog zijn vrouw stierf, week hij omwille van zijn activistische sympathieën en publicaties, veiligheidshalve uit naar Utrecht. Doodziek en moedeloos keerde hij in 1919 berooid terug naar Vlaanderen. Bij aankomst werd hij gearresteerd en met terugwerkende kracht van 31 januari 1916 uit zijn ambt ontzet. Na 3 maanden arrest werd hij weer vrijgelaten en vestigde zich in Vilvoorde waar hij Louise Pelicaen leerde kennen. Fysiek gebroken tijdens zijn verblijf in de gevangenis en zonder werk, bood Louise hem ruimhartig onderdak aan in haar villa Rozenoord te Aalst. Hij overleed er in 1924 op 47-jarige leeftijd en is in Aalst begraven.