TEN PUTTE
Situering
Ten Putte is gelegen in het uiterste zuiden van de Leiselewijk, een eertijds laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De ongeveer 315 meter lange straat verbindt de Stokveldelaan met de Galbertuslaan. De kruising met de Rietlaan deelt de straat in twee opvallend verschillende delen.
De 5 meter brede betonbaan tussen de Galbertuslaan en de Rietlaan is 150 m lang en heeft voetpaden aan beide zijden. In dit gedeelte zijn een twaalftal vrijstaande eengezinswoningen of bungalows met een kleine achtertuin geregistreerd. De aansluiting op de Galbertuslaan is niet voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk.
Het zuidelijke deel van de straat tussen de Rietlaan en de Stokveldelaan is 165 m lang en is geasfalteerd. De in dit deel van de straat geregistreerde woningen maken deel uit van het tweede sociale woningbouwproject in Sint-Michiels van de vroegere Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen, het huidige Vivendo. Het Rietlaan-project omvatte in totaal 86 woningen, waarvan 31 geregistreerd zijn in Ten Putte, 22 in de Rietlaan, 23 in de Stokveldelaan en 6 in het Kaproenenhof. De woningen zijn gegroepeerd in 4 blokken van resp. 4, 5, 8 en 14 woningen, allen met garage, 3-4 slaapkamers en een kleine achtertuin. Het woningenbestand van de straat is afgebeeld op de bijgevoegde kaart.
De straat is genoemd naar de abdij Ten Putte in Gistel die opgetrokken werd op de plaats waar, volgens de overlevering, de heilige Godelieve werd vermoord. Godelieve is de patroonheilige van de Leiselewijkparochie waarin Ten Putte is gelegen (zie ook kerk Godelieve).
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van Ten Putte in het westelijke, blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leidelebeke dat door de toenmalige eigenaar/bewoner, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 verkocht werd aan Henri Sion.
Henri Sion, een aannemer uit Gent die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat. Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en landerijen in het Leiselegebied over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint, “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “. Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919), die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.
Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Nogal wat burgers fronsten de wenkbrauwen bij deze afspraak, omdat de heer Ballegeer een bekende zakenpartner van de burgemeester was. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
In eerste instantie werd de 150 m lange verbinding tussen de Sint-Godelievelaan en de Rietlaan tot stand gebracht. De 14 bouwpercelen werden in 1961-62 door bouwpromotor Ballegeer uit de hand verkocht aan particuliere kopers. De percelen, waarvan 2 hoekpercelen gedomicilieerd zijn in de Rietlaan, variëren in grootte van 370 tot 750 m2. De eerste huizen in dit deel van de straat (nrs. 11 en 13) dateren van 1965, toen de inrichting van de straat nog in volle gang was.
Het 165 meter lange zuidelijke stuk van de straat tussen de Rietlaan en de Stokveldelaan werd in de loop van 1965 aangelegd door de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen, die de grond in 1963 had aangekocht. De sociale huisvestingsmaatschappij was een intercommunaal samenwerkingsverband dat in 1955 was opgericht om sociale woonprojecten te realiseren en in stand te houden.
Nadat de Maatschappij haar eerste grote bouwproject al in 1962-63 in de Leiselewijk had gerealiseerd, startten de werkzaamheden van het tweede grote project van 82 sociale woningen, ook bekend als het Rietlaan-project, in maart 1965.
Zoals elders in de wijk, werd ook hier snel duidelijk dat de bouwvergunning voor het nieuwe project te vroeg was verleend en de gemeente en de Maatschappij zich te laat realiseerde hoe riskant het is om overhaast te bouwen in de winterbedding van een beek. De bouwwerkzaamheden werden ernstig vertraagd door wateroverlast van de naburige Kerkebeek. De aannemer van de rioleringswerken (de firma Bollaert en Cools) kon pas in december 1966 aan de slag vanwege het uitblijven van de beloofde subsidiemiddelen. De commotie rond de oplevering van de woningen kwam in de lokale pers, die de gebrekkige planning en uitvoering aan de kaak stelde en uiting gaf aan het groot ongenoegen van de kopers van de woningen. De 82 woningen werden uiteindelijk pas in april 1967 bewoonbaar verklaard en in augustus 1967 notarieel verkocht. De prijzen varieerden tussen de 460.000 en 570.000 BF,
Het betrof in totaal 82 eengezinswoningen, met garage, waarvan 76 drie slaapkamers hebben en 6 vier slaapkamers. Zoals eerder vermeld zijn 31 van de 82 woningen gedomicilieerd in Ten Putte. De perceelgrootte varieert tussen de 200 en 225 m2 die ruimte biedt aan een bescheiden achtertuin.



