BLIJDENBURG
Situering
Blijdenburg ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld.
Het is een doodlopende zijstraat van de Weinebruggelaan met een verbreding aan het eind, bekend als pijpekop, die het mogelijk maakt dat auto’s veilig kunnen keren. De straat heeft een 5 meter brede betonweg, is ongeveer 75 meter lang met voetpaden aan beide zijden en een parkeerstrook aan de oostkant. Het woningenbestand bestaat uit 10 deels vrijstaande en deels halfopen eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin.
In de Leiselewijk koos het schepencollege van Sint-Michiels ervoor om een viertal straten naar oude hofsteden in de gemeente te noemen. Een lovenswaardig initiatief, ware het niet dat de betreffende straten wel erg ver verwijderd zijn van de eigenlijke locatie van die hofsteden. Dat geldt o.a. voor Blijdenburg, vernoemd naar de hoeve Blijdenburg die zich bevindt op de hoek van Ter Beke en Vijverhoflaan, ruim 2 km verderop. De hoeve zelf dateert oorspronkelijk uit de 16e eeuw en haar geschiedenis wordt uitgebreid beschreven in een aparte rubriek (zie hoeve Blijdenburg). De hofstede werd in de jaren zestig verkaveld, maar het oorspronkelijke, witgeschilderde woonhuis bestaat nog steeds.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave worden in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van Blijdenburg in het blauw gearceerde westelijk deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de voormalige eigenaar/bewoner, de familie Doudan-Dumortier, in 1848 verkocht werd aan Henri Sion.
Henri Sion, een aannemer afkomstig uit Gent, woonde in de Wijnzakstraat in Brugge en was op dat moment al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels dat later dienstdeed als gemeentehuis en tegenwoordig leegstaat. Hij overleed in 1870, waarna kasteel en landerijen in het Leiselegebied, overging naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, waarvan vooralsnog onduidelijk is of ze een aangenomen kind was of een familielid. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “proprietaire et directeur de la messagerie de Gand“.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde, stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed, twee jaar na de schenking, op nog geen 20-jarige leeftijd. De hele erfenis ging over naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die gehuwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig, maar kasteelvrouwe Marie-Antoinette bleef het kasteel Bloemenoord tot WO II bewonen. Ze overleed in 1949, op 89-jarige leeftijd, en haar twee dochters Agnes en Suzanne erfden de landerijen in het Leiselegebied.
De nieuw gekozen burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint van wie hij na WO II kasteel Bloemenoord kocht en inrichtte als gemeentehuis. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, besprak de modaliteiten van de verkoop met de gemeente Sint-Michiels en vastgoedmakelaar Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord stipuleerde verder dat de verkopende grondeigenaar op eigen kosten het basiswegennetwerk zou aanleggen en kosteloos ter beschikking zou stellen aan de gemeente.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Ondertussen waren de 10 bouwpercelen in de Blijdenburg pijpekop al in 1961 verkocht. Pas nadat de eerste woningen (nrs. 7,10, 11) in 1962-63 waren gebouwd, werd op het gemeentehuis duidelijk hoe riskant het was om overhaast te bouwen in de winterbedding van een rivier (of beek). De aanbesteding en aanleg van de riolering en andere voorzieningen liepen grote vertraging op. In de winter van 1965 en 1966 kreeg de hele buurt te maken met ernstige wateroverlast. De overlast trok de aandacht van de media en veroorzaakte veel opschudding. De problemen werden uiteindelijk opgelost door de bouw van een nieuw pompstation bij de Brugse stadsring. Tegen het einde van 1967 kon de inrichting van de straat en omliggend gebied worden afgerond. De straat werd vervolgens geleidelijk verder volgebouwd.



