EMMAUSLAAN
Situering
De Emmaüslaan ligt in het noorden van de Leiselewijk waarvan de verkaveling in de zestiger jaren plaatsvond. De laan verbindt, met een haakse hoek, Kranenburg met de Wagenbruggelaan, De 5 meter brede betonweg is ongeveer 200 m lang, met een met bomen beplante groene strook en voetpad aan beide zijden. Het woningenbestand bestaat uit 18 vrijstaande eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin.
In de Leiselewijk benoemde het schepencollege van Sint-Michiels een viertal straten naar oude hofsteden op het grondgebied van de gemeente. Een lovenswaardig initiatief, ware het niet dat de betreffende straten wel erg ver verwijderd zijn van de eigenlijke locatie van die hofsteden. Dat geldt o.a. voor de Emmaüslaan, die genoemd is naar de Emmaüs hofstede die in de jaren zestig van de vorige eeuw grondig werd gerenoveerd en ingericht als restaurant. Sinds midden jaren zeventig fungeert het restaurant de Casserole als praktijk- en opleidingscentrum voor laatstejaarsstudenten van de naburige hotelschool Ter Groene Poorte. De geschiedenis van de hofstede wordt in een aparte rubriek beschreven.
Het is niet helemaal duidelijk waarom zoveel straten, scholen en instellingen in de Lage Landen genoemd zijn naar Emmaüs, een dorp in Judea en Galilea. Er waren verschillende plaatsen die in de Bijbel als Emmaüs worden beschreven, maar de meest geciteerde is die op zo’n 10 kilometer van Jeruzalem, het huidige Emmaüs Nicopolis. Volgens het evangelie van Lukas was het de plaats waar Jezus op Paasdag aan twee van zijn discipelen (de Emmaüsgangers) zou verschenen zijn die hem eerst niet herkenden. HetAvondmaal van Jezus met de twee discipelen is een bekend schilderij van Caravaggio.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van de Emmaüslaan in het westelijk blauw gearceerde deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de voormalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier. in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.
Henri Sion, een aannemer uit Gent die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en dat tegenwoordig leegstaat.
Na zijn overlijden in 1870 gingen kasteel en de landerijen in het Leiselegebied, over naar zijn echtgenote Petronella Vandenabeele. Het echtpaar had geen eigen kinderen maar wel een aangenomen dochter, Clemence Marie Vandaele. Vooralsnog is onduidelijk of Clemence een bloedverwant was of niet. In 1856 trouwde Clemence met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand “. Ze kregen 3 kinderen: Victor, Leon en Clementine.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg echter toe in de jonge familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed twee jaar na de schenking, op slechts 20-jarige leeftijd. De erfenis ging naar Victors broer Leon Van Wint (1858-1919) die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton (1860-1949). Leon overleed ook vroegtijdig in 1919. Zijn weduwe bleef kasteel Bloemenoord bewonen tot WO II. Ze stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, waarna de landerijen naar de twee dochters, Agnes en Suzanne, gingen.
Burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint. Na WO II had hij al het kasteel Bloemenoord gekocht en als gemeentehuis ingericht. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de minder waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote plannen voor woningbouw in het gebied had.
Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden. Bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk en de riolering op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Ondertussen was de aanleg van de nieuwe Emmaüslaan al in volle gang en was de naamgeving van de straat al officieel goedgekeurd in de gemeenteraad van 29 augustus 1961.
De bouwpercelen van de 18 in de laan geregistreerde woningen werden in de loop van 1961 uit de hand verkocht aan individuele eigenaars. De grootte van de percelen varieert tussen de 500-550 m2. Woning nr. 5 dateert van 1962 en was een van de eerste woningen die in het nieuwe verkavelingsgebied werden gebouwd.
Pas nadat de eerste woningen in de buurt waren gebouwd, werd op het gemeentehuis duidelijk hoe riskant het was om overhaast te bouwen in de winterbedding van een rivier (of beek). De aanbesteding en aanleg van de riolering liepen aanzienlijke vertraging op. In de winterperiode van 1965 en 1966 kreeg het noordelijk deel van verkaveling te maken met ernstige wateroverlast die o.a. de Emmaüslaan onder water zette. Dit trok de aandacht van de media en veroorzaakte veel opschudding. De overlast werd uiteindelijk opgelost door de bouw van een nieuw pompstation bij de Brugse stadsring. Pas tegen het einde van 1967 kon de inrichting van de laan en omliggendegebied worden afgerond. De laan werd vervolgens geleidelijk verder volgebouwd.



