WEINEBRUGGELAAN
Situering
De Weinebruggelaan ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De laan verbindt, over een afstand van ongeveer 500 m, de Sint-Michielslaan met de Kaproenenhof. Het tracé is 12 meter breed en heeft een betonrijweg van 5 meter met een verharde parkeerstrook en voetpad aan beide zijden.
In de straat zijn in totaal een 45-tal eengezinswoningen geregistreerd op bouwpercelen die variëren tussen de 400 en 600 m2 en ruimte bieden voor een kleine voor- en achtertuin. Het gaat deels om vrijstaande en deels gekoppelde woningen met twee bouwlagen en hellend dak.
De straatnaam verwijst naar de oorspronkelijke benaming van de gemeente Sint-Michiels. De eerste schriftelijke vermelding van de naam Weinebrugge dateert uit het jaar 962, toen de toenmalige graaf van Vlaanderen Arnulf II, tien landhoeven met hun aanhorigheden uit zijn eigen bezit schonk aan de Gentse Sint-Pietersabdij. Binnen de nederzetting Weinebrugge was er al vanaf de 8e eeuw een bidplaats aanwezig (op de locatie van het huidige kerkhof) gewijd aan de aartsengel Michael. Al snel werd de naam van de patroonheilige, evenals die van de parochie, in gebruik genomen ter vervanging van Weinebrugge. Bijna 1000 jaar later vormde het gebied van de kerkelijke parochie de basis voor de oprichting van de gemeente, waarbij de naam Sint-Michiels behouden bleef.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegdekaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van de Weinebruggelaan in het blauw gearceerde westelijk deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.
De van Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat. Hij overleed in 1870, waarna kasteel en landerijen in het Leiselegebied overgingen naar zijn echtgenote Petronella. Het echtpaar had geen eigen kinderen maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, waarvan vooralsnog onduidelijk is of zij een aangenomen kind was dan wel een familielid. Clemence was in 1856 gehuwd met Joannes Van Wint “propriDe Weinebruggelaan ligt in de Leiselewijk, een laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De laan verbindt, over een afstand van ongeveer 500 m, de Sint-Michielslaan met de Kaproenenhof. Het tracé is 12 meter breed en heeft een betonrijweg van 5 meter met een verharde parkeerstrook en voetpad aan beide zijden.




In de straat zijn in totaal een 45-tal ééngezinswoningen geregistreerd op bouwpercelen die variëren tussen de 400 en 600 m2 en ruimte bieden voor een kleine voor- en achtertuin. Het gaat deels om vrijstaande en deels gekoppelde woningen met twee bouwlagen en hellend dak.
De straatnaam verwijst naar de oorspronkelijke benaming van de gemeente Sint-Michiels. De eerste schriftelijke vermelding van de naam Weinebrugge dateert uit het jaar 962 toen de toenmalige graaf van Vlaanderen Arnulf II, tien landhoeven met hun aanhorigheden uit zijn eigen bezit schonk aan de Gentse Sint-Pietersabdij. Binnen de nederzetting Weinebrugge was er al vanaf de 8e eeuw een bidplaats aanwezig (op de locatie van het huidige kerkhof) gewijd aan de aartsengel Michael. Al snel werd de naam van de patroonheilige, evenals die van de parochie, in gebruik genomen ter vervanging van Weinebrugge. Bijna 1000 jaar later vormde het gebied van de kerkelijke parochie de basis voor de oprichting van de gemeente, waarbij de naam Sint-Michiels behouden bleef.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijk landgoeden Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave worden in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoeden en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegdekaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van de Weinebruggelaan in het blauw gearceerde westelijk deel van kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.
De van Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge woonde, was al eigenaar van het kasteel Bloemenoord in het centrum van Sint-Michiels – het kasteel dat later dienst deed als gemeentehuis en thans leegstaat. Hij overleed in 1870 waarna kasteel en landerijen in het Leiselegebied, overgingen naar zijn echtgenote Petronella. Het echtpaar had geen eigen kinderen maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, waarvan vooralsnog onduidelijk is of zij een aangenomen kind was dan wel een familielid Clemence was in 1856 gehuwd met Joannes Van Wint “propriétaire et directeur de la messagerie de Gand“.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella het kasteel en de landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg toe in de familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed, twee jaar na de schenking, op nog geen 20-jarige leeftijd. De hele erfenis ging over naar Victors broer Leon Van Wint die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton. Leon overleed vroegtijdig in 1919 maar kasteelvrouwe Marie-Antoinette bleef kasteel Bloemenoord nog tot WO II bewonen. Ze overleed in 1949, op 89-jarige leeftijd, waarna haar twee dochters Agnes en Suzanne de landerijen in het Leiselegebied erfden.
Burgemeester Michel Van Maele had ondertussen goede banden opgebouwd met de familie Van Wint, van wie hij na WO II al het kasteel Bloemenoord had gekocht en ingericht als gemeentehuis. Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.
Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, onderhandelde namens de familie met de gemeente Sint-Michiels over de verkoopvoorwaarden en bouwpromotor Maurice Ballegeer kreeg het mandaat om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord bepaalde dat de verkoper het basiswegennetwerk op eigen kosten zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Ondertussen kreeg de nieuwe straat, op 29 augustus 1961, de officiële benaming Weinebruggelaan, een naam die herinnert aan de oorspronkelijke naam van de voormalige parochie en (later) gemeente Sint-Michiels.
Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen en tegen het einde van 1961 was het bijna gehele tracé van de straat verkocht en verkaveld in een 45-tal bouwkavels, bestemd voor de bouw van deels gekoppelde en deels vrijstaande eengezinswoningen variërend in grootte van 400 tot 600 m2.
Al snel werd duidelijk dat de eerste bouwvergunningen, die in de periode 1962-65 werden verstrekt, te vroeg waren verleend. De gemeente realiseerde zich te laat hoe riskant het is om overhaast te bouwen in de winterbedding van een beek. In 1965 werden de eerste woningen getroffen door ernstige wateroverlast van de naburige Kerkebeek. Desolate foto’s van de ondergelopen woningen verschenen in alle lokale kranten. Daar kwam nog bij dat de aannemer van de rioleringswerken (de firma Bollaert en Cools) pas in de loop van 1966 aan de slag kon vanwege het uitblijven van de beloofde subsidies. Commotie en onvrede alom bij de eerste bewoners, die pas in de loop van 1967 enigszins tot bedaren kwam toen het wateroverlastprobleem was opgelost (Ketsbrugge pompstation) en de rioleringswerken waren voltooid. Het merendeel van de woningen volgde in de jaren zeventig.


