’t GROENEVELD
Situering
’t Groeneveld ligt in de Leiselewijk, een eertijds laaggelegen weidegebied in het zuiden van deelgemeente Sint-Michiels, dat in de zestiger jaren van de vorige eeuw werd verkaveld. De straat verbindt ’t Kloosterhof met de Rietlaan en kruist daarbij 3 min of meer parallel, nnordzuid lopende straten: de Wagenbruggelaan, Weinebruggelaan en Kraaienhof. De kaarsrechte straat is ongeveer 560 m lang en heeft een rooilijnbreedte van 12 m die ruimte biedt voor een 5,5 m brede betonrijbaan, een smalle, deels beplante groenstrook, en voetpaden aan beide zijden.
Het woningenbestand bestaat uit een 50-tal deels vrijstaande en deels gekoppelde eengezinswoningen met 1 of 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin. De perceelgrootte varieert tussen de 300 en 600 m2.
De naam van de straat is onrechtstreeks verbonden aan de legende van de Heilige Godelieve, de patroonsheilige van de nieuw opgerichte parochie in het Leiselegebied. Godelieve (ca. 1049 – ca. 1070) was uitgehuwelijkt aan Bertolf, zoon van de kasteelheer van Gistel, en door haar schoonfamilie mishandeld, uitgehongerd en vermoord. Ze werd op 30 juli 1084 door de bisschop van Doornik, Radboud II, heilig verklaard. Het leven van Godelieve van Gistel werd voor het eerst in 1080 beschreven door Drogo, een benedictijner monnik van de abdij van Sint-Winoksbergen, toen ze nog niet als heilige was erkend, maar door het volksgeloof zeer vereerd werd. Zijn biografie heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat de katholieke kerk de heiligheid van de vermoorde adellijke dame bijtrad.
De abdij van Sint-Winoksbergen was, op instigatie van de Vlaamse graaf Boudewijn IV met de Baard, gebouwd op een 22 meter hoge heuvel in de buurt van Sint-Winoksbergen (het huidige Bergues in Noord-Frankrijk,) die al in 857 bekend was als de “Gruonomberg” en later “Groenberg” of “Groenhof” werd genoemd. De abdij werd tijdens de Franse Revolutie gesloten en daarna nagenoeg volledig vernield.
Historiek
Tot begin negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835 was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.
Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied van ’t Groeneveld in het westelijke, blauw gearceerde deel van ’kasteeldomein Leiselebeke dat door de toenmalige eigenaar, de familie Doudan-Dumortier, in 1838 werd verkocht aan Henri Sion.
De van Gent afkomstige Brugse aannemer Henri Sion die destijds in de Wijnzakstraat in Brugge.woonde, was op dat moment al eigenaar van het kasteel Bloemenoord, het kasteel later dienstdeed als gemeentehuis en thans leegstaat.
Hij overleed in 1870 waarna kasteel en landerijen in het Leiselegebied, overging naar zijn echtgenote Petronella. Het echtpaar had geen eigen kinderen, maar wel een inwonend kind, Clemence Marie Vandaele, waarvan vooralsnog onduidelijk is of het een aangenomen kind was of een familielid. Clemence was in 1856 getrouwd met Joannes Van Wint “proprietaire et directeur de la messagerie de Gand“.
Nog tijdens haar leven schonk de weduwe Petronella kasteel en landerijen aan haar nog ongehuwde stiefkleinzoon Victor Van Wint (1857-1876). Het noodlot sloeg toe in de familie Van Wint. Vader Joannes stierf op 41-jarige leeftijd en Victor overleed, twee jaar na de schenking, op nog geen 20 jarige leeftijd. De hele erfenis ging over naar Victors broer Leon Van Wint die getrouwd was met Marie-Antoinette Carton. Leon overleed vroegtijdig in 1919 maar kasteelvrouwe Marie-Antoinette bleef kasteel Bloemenoord nog tot WO II bewonen. Ze overleed in 1949, op 89-jarige leeftijd, en haar twee dochters Agnes en Suzanne erfden de landerijen in het Leiselegebied.
De nieuw gekozen burgemeester Michel Van Maele had inmiddels goede banden opgebouwd met de familie Van Wint, van wie hij, na WO II, kasteel Bloemenoord had gekocht (en ingericht als gemeentehuis). Eind jaren vijftig benaderde hij de zusters Van Wint om de weinig waardevolle en zompige graslanden tussen Kerke- en Leiselebeek ook te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.
Eigenaressen Agnes en Suzanne Van Wint hadden wel oren naar de verkoop. De zoon van Agnes, Roger de Preudhomme d’Hailly de Nieuport, besprak de modaliteiten van de verkoop met de gemeente Sint-Michiels en vastgoedmakelaar Maurice Ballegeer kreeg het mandaat van de eigenaressen om de gronden uit de hand te verkopen. Het akkoord stipuleerde verder dat de verkopende grondeigenaar op eigen kosten het basiswegennetwerk zou aanleggen en kosteloos aan de gemeente zou overdragen.
Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.
De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.
Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”
Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.
Ondertussen was de naamgeving van de straat in de gemeenteraad van 29 augustus 1961 officieel goedgekeurd.
Er was grote belangstelling voor de nieuwbouwplannen van de gemeente en tegen eind 1961 was vrijwel het gehele tracé van de 560 m lange straat verkocht en verkaveld in een 50-tal bouwpercelen, waarvan een twintigtal aan de zuidkant van de straat deel uitmaakten van een sociaal woningbouwproject “126 woningen” van de Interbrugse Maatschappij voor Goedkope Woningen. Een 30-tal werden verkocht aan particuliere eigenaren, waarvoor de eerste bouwvergunningen in 1961 werden verleend (huisnummers 2, 6, 14 en 61). In april 1962 begon aannemer PVBA Vanden Bulcke uit Rumbeke met de bouw van de eerste sociale woningen van de Interbugse Maatschappij, die in de loop van 1963 werden opgeleverd.
Al snel bleek dat de bouwvergunningen veel te vroeg door de gemeente waren verleend. Wat voor de eerste bewoners een spannend project was, werd een bron van frustratie en boosheid. De gemeente werd het doelwit van boze brieven, klachten en publieke uitingen van ongenoegen, vooral van de sociale woningeigenaren die hun woning op belofte van aankoop (compromis) hadden gekocht. De bestratingswerken en de aanleg van riolering kwamen pas in 1964 goed op gang en het duurde nog tot begin 1965 vooraleer de verdere inrichting en aanplantingswerken werden aanbesteed. De gemoederen kwamen pas in de loop van 1966 tot rust. Grondeigenaren, die geduldig hadden gewacht op de voltooiing van de nieuwe buurt, konden aan de slag. Het gros van de particuliere woningen dateert van de jaren zeventig.



