KRONIEK VAN SINT-MICHIELS

VROEGER EN NU

JAN GAREMIJNSTRAAT

 

Situering

De Jan Garemijnstraat ligt in de Leiselewijk, de nieuwbouwwijk die in de jaren zestig van de vorige eeuw is ingericht op bouw- en weilanden van het kasteeldomein Leiselebeke. De straat verbindt ’t Kloosterhof met de Sint-Arnolduslaan. De straat is ongeveer 160 m lang en heeft een 5 m brede betonrijweg met voetpaden aan beide zijden.

Het woningenbestand bestaat uit 5 vrijstaande en 10 gekoppelde eengezinswoningen met 2 bouwlagen, hellend dak en een kleine voor- en achtertuin. De perceelgrootte varieert tussen de 450 en 540 m2.

De straat is genoemd naar de Vlaamse kunstschilder Jan Anton Garemijn. Het is de belangrijkste rococoschilder van Brugge en tijdgenoot van grote rococoschilders als Watteau, Fragonard, Boucher en Tiepolo. Garemijn specialiseerde zich in de kleurrijke weergave van het volkse dagelijkse leven, zoals hij het rondom zich zag. Verschillende van zijn werken zijn nog in Brugge te bezichtigen, waaronder het bekende “Pandreitje“.

Historiek

Tot het begin van de negentiende eeuw was het gebied ten zuiden van de dorpskern van Sint-Michiels vrijwel onbewoond, braakliggend of bebost terrein. Ten tijde van het opmaken van het primitief kadasterplan van 1835, was het zuidoostelijke deel, op de woonkern Steenbrugge na, in het bezit van vier vooraanstaande Brugse adellijke of vermogende burgerfamilies die zich daar al eerder gevestigd hadden met fraaie buitenverblijven of kastelen. De voorgeschiedenis van de families vander Beken de Cringhe, van Zuylen van Nyevelt, Doudan en Sinave en hun respectievelijke landgoederen Rode Poort, Leisele, Leiselebeke en Sinave wordt in aparte bijdragen besproken. De locaties van de landgoederen en hun kastelen zijn aangegeven op de bijgevoegde kaart.

Zoals op de kaart te zien is, lag het gebied de Jan Garemijnstraat in het oostelijke, geel gearceerde deel van  kasteeldomein Leiselebeke. Het domein was destijds eigendom van en bewoond door de familie Doudan-Dumortier en werd in 1838 opgedeeld in drie delen: het centrale deel, bestaande uit het kasteel zelf en het omliggende park, werd verkocht aan de familie de la Kethule de Ryhove, het westelijke deel kwam in handen van Henri Sion en het oostelijke deel bleef nog 85 jaar in handen van de familie Doudan,

Nadat in dezelfde periode een 20-tal ha was onteigend voor de aanleg van de spoorweg Brugge-Gent, bleef het oostelijk deel (inclusief kasteel) nog 40 jaar in het bezit van de familie Doudan. Het kasteel werd in 1878 verkocht aan de familie de la Kethule de Ryhove en de rest van de landerijen, tussen de Leiselebeek en de spoorweg, werd in de periode 1909-1910 grotendeels verkocht aan de Brugse nijveraar Urbain Bossuyt (1881-1958). Hij zou, iets later, ook nog delen van het naburige Leiseledomein opkopen en het kasteeldomein Zevekote in Assebroek verwerven.

Het laaggelegen, drassige wei- en zaailandgebied werd tussen 1925 en 1928 verkaveld en doorverkocht aan particuliere eigenaars.

Het gebied van de latere Jan Garemijnstraat werd verkocht aan Paul Amery, dokter te Torhou,t die net was gehuwd met Gabrielle Brutsaert. De familie Brutsaert kocht in dezelfde periode nog landerijen in het naburige Leiseledomein dat toen ook verkaveld werd.

Eind jaren vijftig benaderde burgemeester Michel Van Maele de grondeigenaren in het Leiselegebied met de vraag hun weinig waardevolle en zompige gras- en weilanden in het stroomgebied van de Kerke- en Leiselebeek te verkopen. Het was in de naoorlogse tijd dat de verkavelingswoede in Vlaanderen, losbarstte en de ambitieuze burgemeester grote woningbouwplannen voor het gebied had.

Een voorontwerp van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) nr. 13, opgesteld door gemeente-ingenieur Amand Jonckheere, werd in mei 1959 door het college van Burgemeester en Schepenen goedgekeurd en voorgelegd aan de verantwoordelijke provinciale en nationale diensten van Stedebouw. In een eerste reactie, gedateerd 29 april 1960, oordeelden ze dat het gepresenteerde plan geen duidelijke visie op het gebied gaf en er sprake was van “een eentonige en zuivere stratentrekkerij eerder dan een doordacht en logisch opgevat en verantwoord bestemmingsplan waarvan de aanleg beter ingestudeerd moet worden”.

De verhouding met de betreffende diensten verslechterde verder toen een delegatie van Stedebouw bij een inspectiebezoek aan het gebied in juni 1960 vaststelde dat er zonder goedkeuring alvast was begonnen met wegeniswerken en geen rekening werd gehouden met “de meest elementaire begrippen van de stedebouw“.

Geconfronteerd met de kritiek, liet het gemeentebestuur in een brief van september 1960 aan het ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw weten dat architectenduo Remy Van der Looven en Raymond Huyghebaert was aangesteld voor het “opstellen, voor rekening van de staat, van het volledig ontwerp van de uitrustingswerken van een tuinwijk op het grondgebied van de gemeente Sint-Michiels. Het ontwerp in kwestie behelst: wegen, riolering, waterleidingen, beplantingen en al wat er mede verband houdt.”

Het nieuw uitgewerkte Bijzonder Plan van Aanleg nr. 13A, waarin het ruimtelijk patroon van het voorontwerp behouden bleef, werd in augustus 1962 goedgekeurd door de gemeenteraad. Na verdere bijsturing volgde een jaar later de formele bekrachtiging door de Stedebouwkundige diensten.

De verkaveling van het Amery-eigendom was weliswaar een relatief klein (ongeveer 2,5 ha) maar niet onbelangrijk onderdeel van het BPA. Het verkavelingsplan werd door een bevriende landmeter uitgewerkt en in 1964 aan het college van Burgemeester en Schepenen ter goedkeuring voorgelegd. Middels de aanleg van een oostwest wegverbinding tussen ’t Kloosterhof en de Sint-Arnolduslaan (met een brug over de Leiselebeek) werd ruimte gecreëerd voor 39 bouwpercelen. De vergunning werd stante pede verleend.

De nieuw aan te leggen straat kreeg aanvankelijk de naam Schoolstraat. Een enigszins vreemde keuze, omdat de betreffende basisschool aan de Sint-Michielslaan, in vogelvlucht, ruim 250 meter verderop ligt.

Wellicht kan een meer direct betrokken persoon toelichten waarom het nog zeven jaar moest duren vooraleer de eerste bouwpercelen werden verkocht en het verkavelingsplan daadwerkelijke werd uitgevoerd. De betreffende kadaster mutatieschets 1971-15 is in annex toegevoegd.

Op 1 januari 1971 kwam de fusie tot stand tussen Brugge en de randgemeenten. Een probleem was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende gemeenteafdelingen. In de loop van januari 1971 werd een raadgevende Commissie voor Toponymie en Straatnamen opgericht die zich zou buigen over het probleem. De commissie bestond in hoofdzaak uit bekende Brugse heemkundigen, waaronder de Sint-Michielse apotheker Gerard Franchoo. In totaal ging het om 96 gevallen waarbij meervoudig gebruik voorkwam. Dat was o.a. het geval met de Schoolstraat in Sint-Michiels, die overlapte met de Schoolstraat in de Brugse binnenstad.

In de loop van december 1972 kwamen de voorstellen tot herziening van de gelijkluidende straatnamen voor de nieuw gekozen Brugse gemeenteraad. Er kwamen zoveel op- en aanmerkingen in de raad dat meerdere commissievergaderingen belegd moesten worden om tot besluiten te kunnen komen. Het was vooral in de gemeente Sint-Michiels dat nogal wat wijzigingen werden aangebracht.

In het geval van de Schoolstraat stelde de Commissie oorspronkelijk voor om de naam in Sint-Michiels te behouden en in Brugge de straat te herbenoemen in Kegelschoolstraat. De nieuwe Brugse gemeenteraad was het daar niet mee eens en vond het nodig om ook de straat in Sint-Michiels te herbenoemen in Jan Garemijnstraat. De laatste naam was door de Commissie weerhouden ter vervanging van de verderop gelegen Nieuwstraat, maar voor die straat gaf de raad voorkeur aan een meer toepasselijk toponiem ’t Speelhof. De oorzaak van de commotie rond het herbenoemen was niet ver te zoeken. Ex-burgemeester Van Maele van Sint-Michiels was gepasseerd als burgemeester van Groot-Brugge en liet zijn frustratie als (tijdelijk) gewoon raadslid duidelijk merken.

Uiteindelijk werd de “Amery”-verkaveling zowat het sluitstuk van het hele Leisele verkavelingsproject, dat in de beginjaren zestig was gestart. Het originele verkavelingsplan werd op enkele punten herzien en het aantal bouwpercelen werd teruggebracht tot een dertigtal die in 1971-1972 uit de hand werden verkocht aan individuele kopers. Vijftien woningen maken deel uit van de Jan Garemijnstraat, de rest is gedomicilieerd in ’t Kloosterhof en de Sint-Arnolduslaan. Het zijn eengezinswoningen waarvan een drietal vrijstaand zijn en de rest halfvrijstaand. De oudste dateren van 1972 (nrs. 2, 8. 12, 14 en 5).

Pages ( 1 of 3 ): 1 23Next »
Zoeken